HANDELINGEN

Handelingen 26

Πράξεις τῶν Ἀποστόλων
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
αγριππαςδεπροςτονπαυλονεφηεπιτρεπεταισοιυπερσεαυτουλεγειντοτεοπαυλοςαπελογειτοεκτειναςτηνχειρα
STATEN

En Agrippa zeide tot Paulus: Het is u geoorloofd voor uzelven te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich aldus:

2
περιπαντωνωνεγκαλουμαιυποιουδαιωνβασιλευαγριππαηγημαιεμαυτονμακαριονμελλωναπολογεισθαιεπισουσημερον
STATEN

Ik acht mijzelven gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van de Joden beschuldigd word;

3
μαλισταγνωστηνοντασεειδωςπαντωντωνκαταιουδαιουςεθωντεκαιζητηματωνδιοδεομαισουμακροθυμωςακουσαιμου
STATEN

Allermeest, dewijl ik weet, dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen, die onder de Joden zijn. Daarom bid ik u, dat gij mij lankmoediglijk hoort.

4
τηνμενουνβιωσινμουτηνεκνεοτητοςτηναπαρχηςγενομενηνεντωεθνειμουενιεροσολυμοιςισασινπαντεςοιιουδαιοι
STATEN

Mijn leven dan van der jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden;

5
προγινωσκοντεςμεανωθενεανθελωσινμαρτυρεινοτικατατηνακριβεστατηναιρεσιντηςημετεραςθρησκειαςεζησαφαρισαιος
STATEN

Als die van over lang mij te voren gekend hebben (indien zij het wilden getuigen), dat ik, naar de bescheidenste sekte van onzen godsdienst, als een farizeeër geleefd heb.

6
καινυνεπελπιδιτηςπροςτουςπατεραςεπαγγελιαςγενομενηςυποτουθεουεστηκακρινομενος
STATEN

En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is;

7
ειςηντοδωδεκαφυλονημωνενεκτενειανυκτακαιημερανλατρευονελπιζεικαταντησαιπεριηςελπιδοςεγκαλουμαιβασιλευαγριππαυποτωνιουδαιων
STATEN

Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.

8
τιαπιστονκρινεταιπαρυμινειοθεοςνεκρουςεγειρει
STATEN

Wat? wordt het bij ulieden ongelofelijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?

9
εγωμενουνεδοξαεμαυτωπροςτοονομαιησουτουναζωραιουδεινπολλαεναντιαπραξαι
STATEN

Ik meende waarlijk bij mijzelven, dat ik tegen den Naam van Jezus van Názareth vele wederpartijdige dingen moest doen.

10
οκαιεποιησαενιεροσολυμοιςκαιπολλουςτωναγιωνεγωφυλακαιςκατεκλεισατηνπαρατωναρχιερεωνεξουσιανλαβωναναιρουμενωντεαυτωνκατηνεγκαqηφον
STATEN

Hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe.

11
καικαταπασαςταςσυναγωγαςπολλακιςτιμωρωναυτουςηναγκαζονβλασφημεινπερισσωςτεεμμαινομενοςαυτοιςεδιωκονεωςκαιειςταςεξωπολεις
STATEN

En door al de synagogen heb ik hen dikmaals gestraft, en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buitenlandse steden.

12
ενοιςκαιπορευομενοςειςτηνδαμασκονμετεξουσιαςκαιεπιτροπηςτηςπαρατωναρχιερεων
STATEN

Waarover ook als ik naar Damaskus reisde, met macht en last, welk ik van de overpriesters had,

13
ημεραςμεσηςκατατηνοδονειδονβασιλευουρανοθενυπερτηνλαμπροτητατουηλιουπεριλαμqανμεφωςκαιτουςσυνεμοιπορευομενους
STATEN

Zag ik, o koning, in het midden van den dag, op den weg een licht, boven den glans der zon, van den hemel mij en degenen, die met mij reisden, omschijnende.

14
παντωνδεκαταπεσοντωνημωνειςτηνγηνηκουσαφωνηνλαλουσανπροςμεκαιλεγουσαντηεβραιδιδιαλεκτωσαουλσαουλτιμεδιωκειςσκληρονσοιπροςκεντραλακτιζειν
STATEN

En als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik een stem, tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Het is u hard, tegen de prikkels de verzenen te slaan.

15
εγωδεειποντιςεικυριεοδεειπενεγωειμιιησουςονσυδιωκεις
STATEN

En ik zeide: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt.

16
αλλααναστηθικαιστηθιεπιτουςποδαςσουειςτουτογαρωφθηνσοιπροχειρισασθαισευπηρετηνκαιμαρτυραωντεειδεςωντεοφθησομαισοι
STATEN

Maar richt u op, en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen;

17
εξαιρουμενοςσεεκτουλαουκαιτωνεθνωνειςουςνυνσεαποστελλω
STATEN

Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot dewelke Ik u nu zende;

18
ανοιξαιοφθαλμουςαυτωνκαιεπιστρεqαιαποσκοτουςειςφωςκαιτηςεξουσιαςτουσαταναεπιτονθεοντουλαβειναυτουςαφεσιναμαρτιωνκαικληρονεντοιςηγιασμενοιςπιστειτηειςεμε
STATEN

Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.

19
οθενβασιλευαγριππαουκεγενομηναπειθηςτηουρανιωοπτασια
STATEN

Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat Hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest;

20
αλλατοιςενδαμασκωπρωτονκαιιεροσολυμοιςειςπασαντετηνχωραντηςιουδαιαςκαιτοιςεθνεσιναπηγγελλονμετανοεινκαιεπιστρεφεινεπιτονθεοναξιατηςμετανοιαςεργαπρασσοντας
STATEN

Maar heb eerst dengenen, die te Damaskus waren, en te Jeruzalem, en in het gehele land van Judéa, en den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeren, werken doende der bekering waardig.

21
ενεκατουτωνμεοιιουδαιοισυλλαβομενοιεντωιερωεπειρωντοδιαχειρισασθαι
STATEN

Om dezer zaken wil hebben mij de Joden in den tempel gegrepen en gepoogd om te brengen.

22
επικουριαςουντυχωντηςπαρατουθεουαχριτηςημεραςταυτηςεστηκαμαρτυρουμενοςμικρωτεκαιμεγαλωουδενεκτοςλεγωνωντεοιπροφηταιελαλησανμελλοντωνγινεσθαικαιμωσης
STATEN

Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zoude;

23
ειπαθητοςοχριστοςειπρωτοςεξαναστασεωςνεκρωνφωςμελλεικαταγγελλειντωλαωκαιτοιςεθνεσιν
STATEN

Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke, en den heidenen.

24
ταυταδεαυτουαπολογουμενουοφηστοςμεγαλητηφωνηεφημαινηπαυλεταπολλασεγραμματαειςμανιανπεριτρεπει
STATEN

En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeide Festus met grote stem: Gij raast, Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot razernij!

25
οδεουμαινομαιφησινκρατιστεφηστεαλλαληθειαςκαισωφροσυνηςρηματααποφθεγγομαι
STATEN

Maar hij zeide: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand;

26
επισταταιγαρπεριτουτωνοβασιλευςπροςονκαιπαρρησιαζομενοςλαλωλανθανεινγαραυτοντιτουτωνουπειθομαιουδενουγαρεστινενγωνιαπεπραγμενοντουτο
STATEN

Want de koning weet van deze dingen, tot welken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is; want dit is in geen hoek geschied.

27
πιστευειςβασιλευαγριππατοιςπροφηταιςοιδαοτιπιστευεις
STATEN

Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat gij ze gelooft.

28
οδεαγριππαςπροςτονπαυλονεφηενολιγωμεπειθειςχριστιανονγενεσθαι
STATEN

En Agrippa zeide tot Paulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden.

29
οδεπαυλοςειπενευξαιμηναντωθεωκαιενολιγωκαιενπολλωουμονονσεαλλακαιπανταςτουςακουονταςμουσημερονγενεσθαιτοιουτουςοποιοςκαγωειμιπαρεκτοςτωνδεσμωντουτων
STATEN

En Paulus zeide: Ik wenste wel van God, dat, en bijna en geheellijk, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, zodanigen wierden, gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden.

30
καιταυταειποντοςαυτουανεστηοβασιλευςκαιοηγεμωνητεβερνικηκαιοισυγκαθημενοιαυτοις
STATEN

En als hij dit gezegd had, stond de koning op, en de stadhouder, en Berníce, en die met hen gezeten waren;

31
καιαναχωρησαντεςελαλουνπροςαλληλουςλεγοντεςοτιουδενθανατουαξιονηδεσμωνπρασσειοανθρωποςουτος
STATEN

En aan een zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkander, zeggende: Deze mens doet niets des doods of der banden waardig.

32
αγριππαςδετωφηστωεφηαπολελυσθαιεδυνατοοανθρωποςουτοςειμηεπεκεκλητοκαισαρα
STATEN

En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, indien hij zich op den keizer niet had beroepen.