HANDELINGEN

Handelingen 19

Πράξεις τῶν Ἀποστόλων
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
εγενετοδεεντωτοναπολλωειναιενκορινθωπαυλονδιελθονταταανωτερικαμερηελθεινειςεφεσονκαιευρωντιναςμαθητας
STATEN

En het geschiedde, terwijl Apollos te Korinthe was, dat Paulus, de bovenste delen des lands doorreisd hebbende, te Éfeze kwam; en enige discipelen aldaar vindende,

2
ειπενπροςαυτουςειπνευμααγιονελαβετεπιστευσαντεςοιδεειπονπροςαυτοναλλουδεειπνευμααγιονεστινηκουσαμεν
STATEN

Zeide hij tot hen: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heiligen Geest is.

3
ειπεντεπροςαυτουςειςτιουνεβαπτισθητεοιδεειπονειςτοιωαννουβαπτισμα
STATEN

En hij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt? En zij zeiden: In den doop van Johannes.

4
ειπενδεπαυλοςιωαννηςμενεβαπτισενβαπτισμαμετανοιαςτωλαωλεγωνειςτονερχομενονμεταυτονιναπιστευσωσιντουτεστινειςτονχριστονιησουν
STATEN

Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus;

5
ακουσαντεςδεεβαπτισθησανειςτοονοματουκυριουιησου
STATEN

En die hem hoorden werden gedoopt in den Naam van den Heere Jezus.

6
καιεπιθεντοςαυτοιςτουπαυλουταςχειραςηλθεντοπνευματοαγιονεπαυτουςελαλουντεγλωσσαιςκαιπροεφητευον
STATEN

En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden.

7
ησανδεοιπαντεςανδρεςωσειδεκαδυο
STATEN

En alle dezen waren omtrent twaalf mannen.

8
εισελθωνδεειςτηνσυναγωγηνεπαρρησιαζετοεπιμηναςτρειςδιαλεγομενοςκαιπειθωνταπεριτηςβασιλειαςτουθεου
STATEN

En hij ging in de synagoge, en sprak vrijmoediglijk, drie maanden lang met hen handelende, en hun aanradende de zaken van het Koninkrijk Gods.

9
ωςδετινεςεσκληρυνοντοκαιηπειθουνκακολογουντεςτηνοδονενωπιοντουπληθουςαποσταςαπαυτωναφωρισεντουςμαθηταςκαθημερανδιαλεγομενοςεντησχολητυραννουτινος
STATEN

Maar als sommigen verhard werden, en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van den weg des Heeren voor de menigte, week hij van hen, en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus.

10
τουτοδεεγενετοεπιετηδυοωστεπανταςτουςκατοικουνταςτηνασιανακουσαιτονλογοντουκυριουιησουιουδαιουςτεκαιελληνας
STATEN

En dit geschiedde twee jaren lang, alzo dat allen, die in Azië woonden, het Woord van den Heere Jezus hoorden, beiden Joden en Grieken.

11
δυναμειςτεουταςτυχουσαςεποιειοθεοςδιατωνχειρωνπαυλου
STATEN

En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus;

12
ωστεκαιεπιτουςασθενουνταςεπιφερεσθαιαποτουχρωτοςαυτουσουδαριαησιμικινθιακαιαπαλλασσεσθαιαπαυτωνταςνοσουςτατεπνευματαταπονηραεξερχεσθαιαπαυτων
STATEN

Alzo dat ook van zijn lijf op de kranken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken, en de boze geesten van hen uitvoeren.

13
επεχειρησανδετινεςαποτωνπεριερχομενωνιουδαιωνεξορκιστωνονομαζεινεπιτουςεχονταςταπνευματαταπονηρατοονοματουκυριουιησουλεγοντεςορκιζομενυμαςτονιησουνονοπαυλοςκηρυσσει
STATEN

En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde duivelbezweerders, hebben zich onderwonden den Naam van den Heere Jezus te noemen over degenen, die boze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, Dien Paulus predikt!

14
ησανδετινεςυιοισκευαιουδαιουαρχιερεωςεπταοιτουτοποιουντες
STATEN

Dezen nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Joodsen overpriester, die dit deden.

15
αποκριθενδετοπνευματοπονηρονειπεντονιησουνγινωσκωκαιτονπαυλονεπισταμαιυμειςδετινεςεστε
STATEN

Maar de boze geest, antwoordende, zeide: Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij?

16
καιεφαλλομενοςεπαυτουςοανθρωποςενωηντοπνευματοπονηρονκαικατακυριευσαςαυτωνισχυσενκαταυτωνωστεγυμνουςκαιτετραυματισμενουςεκφυγεινεκτουοικουεκεινου
STATEN

En de mens, in welken de boze geest was, sprong op hen, en hen meester geworden zijnde, kreeg de overhand tegen hen, alzo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvloden.

17
τουτοδεεγενετογνωστονπασινιουδαιοιςτεκαιελλησιντοιςκατοικουσιντηνεφεσονκαιεπεπεσενφοβοςεπιπανταςαυτουςκαιεμεγαλυνετοτοονοματουκυριουιησου
STATEN

En dit werd allen bekend, beiden Joden en Grieken, die te Éfeze woonden; en er viel een vreze over hen allen, en de Naam van den Heere Jezus werd groot gemaakt.

18
πολλοιτετωνπεπιστευκοτωνηρχοντοεξομολογουμενοικαιαναγγελλοντεςταςπραξειςαυτων
STATEN

En velen dergenen, die geloofden, kwamen, belijdende en verkondigende hun daden.

19
ικανοιδετωνταπεριεργαπραξαντωνσυνενεγκαντεςταςβιβλουςκατεκαιονενωπιονπαντωνκαισυνεqηφισανταςτιμαςαυτωνκαιευροναργυριουμυριαδαςπεντε
STATEN

Velen ook dergenen, die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijeen, en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid; en berekenden de waarde derzelve, en bevonden vijftig duizend zilveren penningen.

20
ουτωςκατακρατοςολογοςτουκυριουηυξανενκαιισχυεν
STATEN

Alzo wies het Woord des Heeren met macht, en nam de overhand.

21
ωςδεεπληρωθηταυταεθετοοπαυλοςεντωπνευματιδιελθωντηνμακεδονιανκαιαχαιανπορευεσθαιειςιερουσαλημειπωνοτιμετατογενεσθαιμεεκειδειμεκαιρωμηνιδειν
STATEN

En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in den Geest, Macedónië en Acháje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien.

22
αποστειλαςδεειςτηνμακεδονιανδυοτωνδιακονουντωναυτωτιμοθεονκαιεραστοναυτοςεπεσχενχρονονειςτηνασιαν
STATEN

En als hij naar Macedónië gezonden had twee van degenen, die hem dienden, namelijk Timótheüs en Erastus, bleef hij zelf een tijd lang in Azië.

23
εγενετοδεκατατονκαιρονεκεινονταραχοςουκολιγοςπεριτηςοδου
STATEN

Maar op dienzelfden tijd ontstond er geen kleine beroerte, vanwege den weg des Heeren.

24
δημητριοςγαρτιςονοματιαργυροκοποςποιωνναουςαργυρουςαρτεμιδοςπαρειχετοτοιςτεχνιταιςεργασιανουκολιγην
STATEN

Want een, met name Demétrius, een zilversmid, die kleine zilveren tempelen van Diána maakte, bracht dien van die kunst geen klein gewin toe;

25
ουςσυναθροισαςκαιτουςπεριτατοιαυταεργαταςειπενανδρεςεπιστασθεοτιεκταυτηςτηςεργασιαςηευποριαημωνεστιν
STATEN

Welke hij samenvergaderd hebbende, met de handwerkers van dergelijke dingen, zeide: Mannen, gij weet, dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben;

26
καιθεωρειτεκαιακουετεοτιουμονονεφεσουαλλασχεδονπασηςτηςασιαςοπαυλοςουτοςπεισαςμετεστησενικανονοχλονλεγωνοτιουκεισινθεοιοιδιαχειρωνγινομενοι
STATEN

En gij ziet en hoort, dat deze Paulus veel volk, niet alleen van Éfeze, maar ook bijna van geheel Azië, overreed en afgekeerd heeft, zeggende, dat het geen goden zijn, die met handen gemaakt worden.

27
ουμονονδετουτοκινδυνευειημιντομεροςειςαπελεγμονελθειναλλακαιτοτηςμεγαληςθεαςαρτεμιδοςιερονειςουδενλογισθηναιμελλειντεκαικαθαιρεισθαιτηνμεγαλειοτητααυτηςηνοληηασιακαιηοικουμενησεβεται
STATEN

En wij zijn niet alleen in gevaar, dat dit deel in verachting kome, maar dat ook de tempel van de grote godin Diána als niets geacht zal worden, en dat ook haar majesteit zal ten ondergaan, aan welke gans Azië en de gehele wereld godsdienst bewijst.

28
ακουσαντεςδεκαιγενομενοιπληρειςθυμουεκραζονλεγοντεςμεγαληηαρτεμιςεφεσιων
STATEN

Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van toornigheid, en riepen, zeggende: Groot is de Diána der Éfezeren!

29
καιεπλησθηηπολιςολησυγχυσεωςωρμησαντεομοθυμαδονειςτοθεατρονσυναρπασαντεςγαιονκαιαρισταρχονμακεδοναςσυνεκδημουςτουπαυλου
STATEN

En de gehele stad werd vol verwarring; en zij liepen met een gedruis eendrachtelijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedóniërs, metgezellen van Paulus op de reis.

30
τουδεπαυλουβουλομενουεισελθεινειςτονδημονουκειωναυτονοιμαθηται
STATEN

En als Paulus tot het volk wilde ingaan, lieten het hem de discipelen niet toe.

31
τινεςδεκαιτωνασιαρχωνοντεςαυτωφιλοιπεμqαντεςπροςαυτονπαρεκαλουνμηδουναιεαυτονειςτοθεατρον
STATEN

En sommigen ook der oversten van Azië, die hem vrienden waren, zonden tot hem, en baden, dat hij zichzelven op de schouwplaats niet zou begeven.

32
αλλοιμενουναλλοτιεκραζονηνγαρηεκκλησιασυγκεχυμενηκαιοιπλειουςουκηδεισαντινοςενεκενσυνεληλυθεισαν
STATEN

Zij riepen dan de ene dit, de andere wat anders; want de vergadering was verward en het meerder deel wist niet, om wat oorzaak zij samengekomen waren.

33
εκδετουοχλουπροεβιβασαναλεξανδρονπροβαλλοντωναυτοντωνιουδαιωνοδεαλεξανδροςκατασεισαςτηνχειραηθελεναπολογεισθαιτωδημω
STATEN

En zij deden Alexander uit de schare voortkomen, alzo hem de Joden voortstieten. En Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen.

34
επιγνοντωνδεοτιιουδαιοςεστινφωνηεγενετομιαεκπαντωνωςεπιωραςδυοκραζοντωνμεγαληηαρτεμιςεφεσιων
STATEN

Maar als zij verstonden, dat hij een Jood was, werd er een stem van allen, roepende omtrent twee uren lang: Groot is de Diána der Éfezeren!

35
καταστειλαςδεογραμματευςτονοχλονφησινανδρεςεφεσιοιτιςγαρεστινανθρωποςοςουγινωσκειτηνεφεσιωνπολιννεωκορονουσαντηςμεγαληςθεαςαρτεμιδοςκαιτουδιοπετους
STATEN

En als de stadsschrijver de schare gestild had, zeide hij: Gij mannen van Éfeze! wat mens is er toch, die niet weet, dat de stad der Éfezeren de kerkbewaarster zij van de grote godin Diána, en van het beeld, dat uit den hemel gevallen is?

36
αναντιρρητωνουνοντωντουτωνδεονεστινυμαςκατεσταλμενουςυπαρχεινκαιμηδενπροπετεςπραττειν
STATEN

Dewijl dan deze dingen onwedersprekelijk zijn, zo is het behoorlijk dat gij stil zijt, en niets onbedachts doet.

37
ηγαγετεγαρτουςανδραςτουτουςουτειεροσυλουςουτεβλασφημουνταςτηνθεανυμων
STATEN

Want gij hebt deze mannen hier gebracht, die noch kerkrovers zijn, noch uw godin lasteren.

38
ειμενουνδημητριοςκαιοισυναυτωτεχνιταιπροςτιναλογονεχουσιναγοραιοιαγονταικαιανθυπατοιεισινεγκαλειτωσαναλληλοις
STATEN

Indien dan nu Demétrius, en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand enige zaak hebben, de rechtsdagen worden gehouden, en er zijn stadhouders; laat hen elkander verklagen.

39
ειδετιπεριετερωνεπιζητειτεεντηεννομωεκκλησιαεπιλυθησεται
STATEN

En indien gij iets van andere dingen verzoekt, dat zal in een wettelijke vergadering beslecht worden.

40
καιγαρκινδυνευομενεγκαλεισθαιστασεωςπεριτηςσημερονμηδενοςαιτιουυπαρχοντοςπεριουδυνησομεθααποδουναιλογοντηςσυστροφηςταυτης
STATEN

Want wij staan in gevaar, dat wij van oproer zullen verklaagd worden om den dag van heden, alzo er geen oorzaak is, waardoor wij reden zullen kunnen geven van dezen oploop. En dit gezegd hebbende, liet hij de vergadering gaan.

41
καιταυταειπωναπελυσεντηνεκκλησιαν