HANDELINGEN

Handelingen 13

Πράξεις τῶν Ἀποστόλων
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
ησανδετινεςεναντιοχειακατατηνουσανεκκλησιανπροφηταικαιδιδασκαλοιοτεβαρναβαςκαισυμεωνοκαλουμενοςνιγερκαιλουκιοςοκυρηναιοςμαναηντεηρωδουτουτετραρχουσυντροφοςκαισαυλος
STATEN

En er waren te Antiochíë, in de Gemeente, die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Bárnabas, en Símeon, genaamd Niger, en Lucius van Cyréne, en Mánahen, die met Heródes den viervorst opgevoed was, en Saulus.

2
λειτουργουντωνδεαυτωντωκυριωκαινηστευοντωνειπεντοπνευματοαγιοναφορισατεδημοιτοντεβαρναβανκαιτονσαυλονειςτοεργονοπροσκεκλημαιαυτους
STATEN

En als zij den Heere dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij af beiden Bárnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.

3
τοτενηστευσαντεςκαιπροσευξαμενοικαιεπιθεντεςταςχειραςαυτοιςαπελυσαν
STATEN

Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.

4
ουτοιμενουνεκπεμφθεντεςυποτουπνευματοςτουαγιουκατηλθονειςτηνσελευκειανεκειθεντεαπεπλευσανειςτηνκυπρον
STATEN

Dezen dan, uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af tot Seleucíë, en van daar scheepten zij af naar Cyprus.

5
καιγενομενοιενσαλαμινικατηγγελλοντονλογοντουθεουενταιςσυναγωγαιςτωνιουδαιωνειχονδεκαιιωαννηνυπηρετην
STATEN

En gekomen zijnde te Sálamis, verkondigden zij het Woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot een dienaar.

6
διελθοντεςδετηννησοναχριπαφουευροντιναμαγονqευδοπροφητηνιουδαιονωονομαβαριησους
STATEN

En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij een zekeren tovenaar, een valsen profeet, een Jood, wiens naam was Bar-Jezus;

7
οςηνσυντωανθυπατωσεργιωπαυλωανδρισυνετωουτοςπροσκαλεσαμενοςβαρναβανκαισαυλονεπεζητησενακουσαιτονλογοντουθεου
STATEN

Welke was bij den stadhouder Sergius Paulus, een verstandigen man. Deze, Bárnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te horen.

8
ανθιστατοδεαυτοιςελυμαςομαγοςουτωςγαρμεθερμηνευεταιτοονομααυτουζητωνδιαστρεqαιτονανθυπατοναποτηςπιστεως
STATEN

Maar Elymas, de tovenaar (want alzo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende den stadhouder van het geloof af te keren.

9
σαυλοςδεοκαιπαυλοςπλησθειςπνευματοςαγιουκαιατενισαςειςαυτον
STATEN

Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is), vervuld met den Heiligen Geest, en de ogen op hem houdende, zeide:

10
ειπενωπληρηςπαντοςδολουκαιπασηςραδιουργιαςυιεδιαβολουεχθρεπασηςδικαιοσυνηςουπαυσηδιαστρεφωνταςοδουςκυριουταςευθειας
STATEN

O gij kind des duivels, vol van alle bedrog, en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verkeren de rechte wegen des Heeren?

11
καινυνιδουχειρτουκυριουεπισεκαιεσητυφλοςμηβλεπωντονηλιοναχρικαιρουπαραχρημαδεεπεπεσενεπαυτοναχλυςκαισκοτοςκαιπεριαγωνεζητειχειραγωγους
STATEN

En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden.

12
τοτειδωνοανθυπατοςτογεγονοςεπιστευσενεκπλησσομενοςεπιτηδιδαχητουκυριου
STATEN

Als de stadhouder zag, hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren.

13
αναχθεντεςδεαποτηςπαφουοιπεριτονπαυλονηλθονειςπεργηντηςπαμφυλιαςιωαννηςδεαποχωρησαςαπαυτωνυπεστρεqενειςιεροσολυμα
STATEN

En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylië. Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weder naar Jeruzalem.

14
αυτοιδεδιελθοντεςαποτηςπεργηςπαρεγενοντοειςαντιοχειαντηςπισιδιαςκαιεισελθοντεςειςτηνσυναγωγηντηημερατωνσαββατωνεκαθισαν
STATEN

En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochíë, een stad in Pisídië; en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder.

15
μεταδετηναναγνωσιντουνομουκαιτωνπροφητωναπεστειλανοιαρχισυναγωγοιπροςαυτουςλεγοντεςανδρεςαδελφοιειεστινλογοςενυμινπαρακλησεωςπροςτονλαονλεγετε
STATEN

En na het lezen der wet en der profeten, zonden de oversten der synagogen tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt.

16
ανασταςδεπαυλοςκαικατασεισαςτηχειριειπενανδρεςισραηλιταικαιοιφοβουμενοιτονθεονακουσατε
STATEN

En Paulus stond op, en wenkte met de hand, en zeide: Gij Israëlietische mannen, en gij, die God vreest, hoort toe.

17
οθεοςτουλαουτουτουισραηλεξελεξατοτουςπατεραςημωνκαιτονλαονυqωσενεντηπαροικιαενγηαιγυπτωκαιμεταβραχιονοςυqηλουεξηγαγεναυτουςεξαυτης
STATEN

De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren, en het volk verhoogd, als zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en heeft hen met een hogen arm daaruit geleid.

18
καιωςτεσσαρακονταετηχρονονετροποφορησεναυτουςεντηερημω
STATEN

En heeft omtrent den tijd van veertig jaren hun zeden verdragen in de woestijn.

19
καικαθελωνεθνηεπταενγηχαναανκατεκληροδοτησεναυτοιςτηνγηναυτων
STATEN

En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaän, heeft Hij hun door het lot het land derzelve uitgedeeld.

20
καιμεταταυταωςετεσιντετρακοσιοιςκαιπεντηκονταεδωκενκριταςεωςσαμουηλτουπροφητου
STATEN

En daarna omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij hun rechters, tot op Samuël, den profeet.

21
κακειθενητησαντοβασιλεακαιεδωκεναυτοιςοθεοςτονσαουλυιονκιςανδραεκφυληςβενιαμινετητεσσαρακοντα
STATEN

En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun Saul, den zoon van Kis, een man uit den stam van Benjamin, veertig jaren.

22
καιμεταστησαςαυτονηγειρεναυτοιςτονδαβιδειςβασιλεαωκαιειπενμαρτυρησαςευρονδαβιδτοντουιεσσαιανδρακατατηνκαρδιανμουοςποιησειπανταταθεληματαμου
STATEN

En dezen afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zeide: Ik heb gevonden David, den zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen.

23
τουτουοθεοςαποτουσπερματοςκατεπαγγελιανηγειρεντωισραηλσωτηραιησουν
STATEN

Van het zaad dezes heeft God Israël, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus;

24
προκηρυξαντοςιωαννουπροπροσωπουτηςεισοδουαυτουβαπτισμαμετανοιαςπαντιτωλαωισραηλ
STATEN

Als Johannes eerst al den volke Israëls voor Zijn aankomst, gepredikt had den doop der bekering.

25
ωςδεεπληρουοιωαννηςτονδρομονελεγεντιναμευπονοειτεειναιουκειμιεγωαλλιδουερχεταιμετεμεουουκειμιαξιοςτουποδηματωνποδωνλυσαι
STATEN

Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hij: Wien meent gijlieden, dat ik ben? Ik ben de Christus niet; maar ziet, Hij komt na mij, Wien ik niet waardig ben de schoenen Zijner voeten te ontbinden.

26
ανδρεςαδελφοιυιοιγενουςαβρααμκαιοιενυμινφοβουμενοιτονθεονυμινολογοςτηςσωτηριαςταυτηςαπεσταλη
STATEN

Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en die onder u God vrezen, tot u is het woord dezer zaligheid gezonden.

27
οιγαρκατοικουντεςενιερουσαλημκαιοιαρχοντεςαυτωντουτοναγνοησαντεςκαιταςφωναςτωνπροφητωνταςκαταπανσαββατοναναγινωσκομεναςκριναντεςεπληρωσαν
STATEN

Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, Dezen niet kennende, hebben ook de stemmen der profeten, die op elken sabbatdag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld;

28
καιμηδεμιαναιτιανθανατουευροντεςητησαντοπιλατοναναιρεθηναιαυτον
STATEN

En geen oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd, dat Hij zou gedood worden.

29
ωςδεετελεσαναπανταταπεριαυτουγεγραμμενακαθελοντεςαποτουξυλουεθηκανειςμνημειον
STATEN

En als zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout, en legden Hem in het graf.

30
οδεθεοςηγειρεναυτονεκνεκρων
STATEN

Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;

31
οςωφθηεπιημεραςπλειουςτοιςσυναναβασιναυτωαποτηςγαλιλαιαςειςιερουσαλημοιτινεςεισινμαρτυρεςαυτουπροςτονλαον
STATEN

Welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen, die met Hem opgekomen waren van Galiléa tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk.

32
καιημειςυμαςευαγγελιζομεθατηνπροςτουςπατεραςεπαγγελιανγενομενηνοτιταυτηνοθεοςεκπεπληρωκεντοιςτεκνοιςαυτωνημιναναστησαςιησουν
STATEN

En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft.

33
ωςκαιεντωqαλμωτωδευτερωγεγραπταιυιοςμουεισυεγωσημερονγεγεννηκασε
STATEN

Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.

34
οτιδεανεστησεναυτονεκνεκρωνμηκετιμελλονταυποστρεφεινειςδιαφθορανουτωςειρηκενοτιδωσωυμινταοσιαδαβιδταπιστα
STATEN

En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn;

35
διοκαιενετερωλεγειουδωσειςτονοσιονσουιδεινδιαφθοραν
STATEN

Waarom hij ook in een anderen psalm zegt: Gij zult Uw Heilige niet overgeven, om verderving te zien.

36
δαβιδμενγαριδιαγενεαυπηρετησαςτητουθεουβουληεκοιμηθηκαιπροσετεθηπροςτουςπατεραςαυτουκαιειδενδιαφθοραν
STATEN

Want David, als hij in zijn tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd; en heeft wel verderving gezien;

37
ονδεοθεοςηγειρενουκειδενδιαφθοραν
STATEN

Maar Hij, Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien.

38
γνωστονουνεστωυμινανδρεςαδελφοιοτιδιατουτουυμιναφεσιςαμαρτιωνκαταγγελλεται
STATEN

Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt;

39
καιαποπαντωνωνουκηδυνηθητεεντωνομωμωσεωςδικαιωθηναιεντουτωπαςοπιστευωνδικαιουται
STATEN

En dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt.

40
βλεπετεουνμηεπελθηεφυμαςτοειρημενονεντοιςπροφηταις
STATEN

Ziet dan toe, dat over ulieden niet kome, hetgeen gezegd is in de profeten:

41
ιδετεοικαταφρονηταικαιθαυμασατεκαιαφανισθητεοτιεργονεγωεργαζομαιενταιςημεραιςυμωνεργονωουμηπιστευσητεεαντιςεκδιηγηταιυμιν
STATEN

Ziet, gij verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, hetwelk gij niet zult geloven, zo het u iemand verhaalt.

42
εξιοντωνδεεκτηςσυναγωγηςτωνιουδαιωνπαρεκαλουνταεθνηειςτομεταξυσαββατονλαληθηναιαυτοιςταρηματαταυτα
STATEN

En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de heidenen, dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.

43
λυθεισηςδετηςσυναγωγηςηκολουθησανπολλοιτωνιουδαιωνκαιτωνσεβομενωνπροσηλυτωντωπαυλωκαιτωβαρναβαοιτινεςπροσλαλουντεςαυτοιςεπειθοναυτουςεπιμενειντηχαριτιτουθεου
STATEN

En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Bárnabas; welke tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade Gods.

44
τωδεερχομενωσαββατωσχεδονπασαηπολιςσυνηχθηακουσαιτονλογοντουθεου
STATEN

En op den volgenden sabbat kwam bijna de gehele stad samen, om het Woord Gods te horen.

45
ιδοντεςδεοιιουδαιοιτουςοχλουςεπλησθησανζηλουκαιαντελεγοντοιςυποτουπαυλουλεγομενοιςαντιλεγοντεςκαιβλασφημουντες
STATEN

Doch de Joden, de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken, hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende.

46
παρρησιασαμενοιδεοπαυλοςκαιοβαρναβαςειπονυμινηναναγκαιονπρωτονλαληθηναιτονλογοντουθεουεπειδηδεαπωθεισθεαυτονκαιουκαξιουςκρινετεεαυτουςτηςαιωνιουζωηςιδουστρεφομεθαειςταεθνη
STATEN

Maar Paulus en Bárnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.

47
ουτωςγαρεντεταλταιημινοκυριοςτεθεικασεειςφωςεθνωντουειναισεειςσωτηριανεωςεσχατουτηςγης
STATEN

Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde.

48
ακουονταδεταεθνηεχαιρονκαιεδοξαζοντονλογοντουκυριουκαιεπιστευσανοσοιησαντεταγμενοιειςζωηναιωνιον
STATEN

Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.

49
διεφερετοδεολογοςτουκυριουδιοληςτηςχωρας
STATEN

En het Woord des Heeren werd door het gehele land uitgebreid.

50
οιδειουδαιοιπαρωτρυνανταςσεβομεναςγυναικαςκαιταςευσχημοναςκαιτουςπρωτουςτηςπολεωςκαιεπηγειρανδιωγμονεπιτονπαυλονκαιτονβαρναβανκαιεξεβαλοναυτουςαποτωνοριωναυτων
STATEN

Maar de Joden maakten op de godsdienstige en eerlijke vrouwen, en de voornaamsten van de stad, en verwekten vervolging tegen Paulus en Bárnabas, en wierpen ze uit hun landpalen.

51
οιδεεκτιναξαμενοιτονκονιορτοντωνποδωναυτωνεπαυτουςηλθονειςικονιον
STATEN

Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelve, en kwamen te Ikónium.

52
οιδεμαθηταιεπληρουντοχαραςκαιπνευματοςαγιου
STATEN

En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest.