HANDELINGEN

Handelingen 21

Πράξεις τῶν Ἀποστόλων
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
ωςδεεγενετοαναχθηναιημαςαποσπασθενταςαπαυτωνευθυδρομησαντεςηλθομενειςτηνκωντηδεεξηςειςτηνροδονκακειθενειςπαταρα
STATEN

En als het geschiedde, dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren, zo liepen wij rechtuit en kwamen te Kôs, en den dag daaraan te Rhodus, en van daar te Pátara.

2
καιευροντεςπλοιονδιαπερωνειςφοινικηνεπιβαντεςανηχθημεν
STATEN

En een schip gevonden hebbende, dat naar Fenícië overvoer, gingen wij er in en voeren af.

3
αναφαναντεςδετηνκυπρονκαικαταλιποντεςαυτηνευωνυμονεπλεομενειςσυριανκαικατηχθημενειςτυρονεκεισεγαρηντοπλοιοναποφορτιζομενοντονγομον
STATEN

En als wij Cyprus in het gezicht gekregen, en dat aan de linkerhand gelaten hadden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus; want het schip zoude aldaar den last ontladen.

4
καιανευροντεςμαθηταςεπεμειναμεναυτουημεραςεπταοιτινεςτωπαυλωελεγονδιατουπνευματοςμηαναβαινεινειςιερουσαλημ
STATEN

En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paulus zeiden door den Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.

5
οτεδεεγενετοημαςεξαρτισαιταςημεραςεξελθοντεςεπορευομεθαπροπεμποντωνημαςπαντωνσυνγυναιξινκαιτεκνοιςεωςεξωτηςπολεωςκαιθεντεςταγοναταεπιτοναιγιαλονπροσηυξαμεθα
STATEN

Toen het nu geschiedde, dat wij deze dagen doorgebracht hadden, gingen wij uit, en reisden voort; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad; en aan den oever nederknielende, hebben wij gebeden.

6
καιασπασαμενοιαλληλουςεπεβημενειςτοπλοιονεκεινοιδευπεστρεqανειςταιδια
STATEN

En als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip; maar zijlieden keerden wederom, elk naar het zijne.

7
ημειςδετονπλουνδιανυσαντεςαποτυρουκατηντησαμενειςπτολεμαιδακαιασπασαμενοιτουςαδελφουςεμειναμενημερανμιανπαραυτοις
STATEN

Wij nu, de scheepvaart volbracht hebbende van Tyrus, kwamen aan te Ptolemáïs, en de broeders gegroet hebbende, bleven een dag bij hen.

8
τηδεεπαυριονεξελθοντεςοιπεριτονπαυλονηλθομενειςκαισαρειανκαιεισελθοντεςειςτονοικονφιλιππουτουευαγγελιστουτουοντοςεκτωνεπταεμειναμενπαραυτω
STATEN

En des anderen daags, Paulus en wij, die met hem waren, gingen van daar en kwamen te Cesaréa; en gegaan zijnde in het huis van Filippus, den evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem.

9
τουτωδεησανθυγατερεςπαρθενοιτεσσαρεςπροφητευουσαι
STATEN

Deze nu had vier dochters, nog maagden, die profeteerden.

10
επιμενοντωνδεημωνημεραςπλειουςκατηλθεντιςαποτηςιουδαιαςπροφητηςονοματιαγαβος
STATEN

En als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker profeet af van Judéa, met name Agabus;

11
καιελθωνπροςημαςκαιαραςτηνζωνηντουπαυλουδησαςτεαυτουταςχειραςκαιτουςποδαςειπενταδελεγειτοπνευματοαγιοντονανδραουεστινηζωνηαυτηουτωςδησουσινενιερουσαλημοιιουδαιοικαιπαραδωσουσινειςχειραςεθνων
STATEN

En hij kwam tot ons, en nam den gordel van Paulus, en zichzelven handen en voeten gebonden hebbende, zeide: Dit zegt de Heilige Geest: Den man, wiens deze gordel is, zullen de Joden alzo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen.

12
ωςδεηκουσαμενταυταπαρεκαλουμενημειςτεκαιοιεντοπιοιτουμηαναβαινειναυτονειςιερουσαλημ
STATEN

Als wij nu dit hoorden, baden beiden wij en die van die plaats waren, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.

13
απεκριθηδεοπαυλοςτιποιειτεκλαιοντεςκαισυνθρυπτοντεςμουτηνκαρδιανεγωγαρουμονονδεθηναιαλλακαιαποθανεινειςιερουσαλημετοιμωςεχωυπερτουονοματοςτουκυριουιησου
STATEN

Maar Paulus antwoordde: Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den Naam van den Heere Jezus.

14
μηπειθομενουδεαυτουησυχασαμενειποντεςτοθεληματουκυριουγενεσθω
STATEN

En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende: De wil des Heeren geschiede.

15
μεταδεταςημεραςταυταςαποσκευασαμενοιανεβαινομενειςιερουσαλημ
STATEN

En na die dagen maakten wij ons gereed, en gingen op naar Jeruzalem.

16
συνηλθονδεκαιτωνμαθητωναποκαισαρειαςσυνημιναγοντεςπαρωξενισθωμενμνασωνιτινικυπριωαρχαιωμαθητη
STATEN

En met ons gingen ook sommigen der discipelen van Cesaréa, leidende met zich een zekeren Mnason, van Cyprus, een ouden discipel, bij dewelken wij zouden te huis liggen.

17
γενομενωνδεημωνειςιεροσολυμαασμενωςεδεξαντοημαςοιαδελφοι
STATEN

En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdelijk.

18
τηδεεπιουσηεισηειοπαυλοςσυνημινπροςιακωβονπαντεςτεπαρεγενοντοοιπρεσβυτεροι
STATEN

En den volgenden dag ging Paulus met ons in tot Jakobus; en al de ouderlingen waren daar gekomen.

19
καιασπασαμενοςαυτουςεξηγειτοκαθενεκαστονωνεποιησενοθεοςεντοιςεθνεσινδιατηςδιακονιαςαυτου
STATEN

En als hij hen gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk, wat God onder de heidenen door zijn dienst gedaan had.

20
οιδεακουσαντεςεδοξαζοντονκυριονειποντεαυτωθεωρειςαδελφεποσαιμυριαδεςεισινιουδαιωντωνπεπιστευκοτωνκαιπαντεςζηλωταιτουνομουυπαρχουσιν
STATEN

En zij, dat gehoord hebbende, loofden den Heere, en zeiden tot hem: Gij ziet, broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn, die geloven; en zij zijn allen ijveraars van de wet.

21
κατηχηθησανδεπερισουοτιαποστασιανδιδασκειςαπομωσεωςτουςκαταταεθνηπανταςιουδαιουςλεγωνμηπεριτεμνειναυτουςτατεκναμηδετοιςεθεσινπεριπατειν
STATEN

En zij zijn aangaande u bericht, dat gij al de Joden, die onder de heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende: dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijzen der wet wandelen.

22
τιουνεστινπαντωςδειπληθοςσυνελθεινακουσονταιγαροτιεληλυθας
STATEN

Wat is er dan te doen? Het is gans nodig, dat de menigte samenkome; want zij zullen horen, dat gij gekomen zijt.

23
τουτοουνποιησονοσοιλεγομενεισινημινανδρεςτεσσαρεςευχηνεχοντεςεφεαυτων
STATEN

Doe dan hetgeen wij u zeggen: Wij hebben vier mannen, die een gelofte gedaan hebben.

24
τουτουςπαραλαβωναγνισθητισυναυτοιςκαιδαπανησονεπαυτοιςιναξυρησωνταιτηνκεφαληνκαιγνωσινπαντεςοτιωνκατηχηνταιπερισουουδενεστιναλλαστοιχειςκαιαυτοςτοννομονφυλασσων
STATEN

Neem dezen tot u, en heilig u met hen, en doe de onkosten nevens hen, opdat zij het hoofd bescheren mogen; en alle mogen weten, dat er niets is aan hetgeen, waarvan zij, aangaande u, bericht zijn; maar dat gij alzo wandelt, dat gij ook zelve de wet onderhoudt.

25
περιδετωνπεπιστευκοτωνεθνωνημειςεπεστειλαμενκριναντεςμηδεντοιουτοντηρειναυτουςειμηφυλασσεσθαιαυτουςτοτεειδωλοθυτονκαιτοαιμακαιπνικτονκαιπορνειαν
STATEN

Doch van de heidenen, die geloven, hebben wij geschreven en goed gevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zij zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij.

26
τοτεοπαυλοςπαραλαβωντουςανδραςτηεχομενηημερασυναυτοιςαγνισθειςεισηειειςτοιερονδιαγγελλωντηνεκπληρωσιντωνημερωντουαγνισμουεωςουπροσηνεχθηυπερενοςεκαστουαυτωνηπροσφορα
STATEN

Toen nam Paulus de mannen met zich, en den dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in den tempel, en verkondigde, dat de dagen der heiliging vervuld waren, blijvende daar, totdat voor een iegelijk van hen de offerande opgeofferd was.

27
ωςδεεμελλοναιεπταημεραισυντελεισθαιοιαποτηςασιαςιουδαιοιθεασαμενοιαυτονεντωιερωσυνεχεονπαντατονοχλονκαιεπεβαλονταςχειραςεπαυτον
STATEN

Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden, zagen hem de Joden van Azië in den tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem,

28
κραζοντεςανδρεςισραηλιταιβοηθειτεουτοςεστινοανθρωποςοκατατουλαουκαιτουνομουκαιτουτοπουτουτουπανταςπανταχουδιδασκωνετιτεκαιελληναςεισηγαγενειςτοιερονκαικεκοινωκεντοναγιοντοποντουτον
STATEN

Roepende: Gij Israëlietische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die tegen het volk, en de wet, en deze plaats allen man overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in den tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd.

29
ησανγαρπροεωρακοτεςτροφιμοντονεφεσιονεντηπολεισυναυτωονενομιζονοτιειςτοιερονεισηγαγενοπαυλος
STATEN

Want zij hadden te voren Trófimus, den Éfeziër, met hem in de stad gezien, welken zij meenden, dat Paulus in den tempel gebracht had.

30
εκινηθητεηπολιςοληκαιεγενετοσυνδρομητουλαουκαιεπιλαβομενοιτουπαυλουειλκοναυτονεξωτουιερουκαιευθεωςεκλεισθησαναιθυραι
STATEN

En de gehele stad kwam in roer en het volk liep samen; en zij grepen Paulus, en trokken hem buiten den tempel; en terstond werden de deuren gesloten.

31
ζητουντωνδεαυτοναποκτειναιανεβηφασιςτωχιλιαρχωτηςσπειρηςοτιολησυγκεχυταιιερουσαλημ
STATEN

En als zij hem zochten te doden, kwam het gerucht tot den overste der bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was.

32
οςεξαυτηςπαραλαβωνστρατιωταςκαιεκατονταρχουςκατεδραμενεπαυτουςοιδειδοντεςτονχιλιαρχονκαιτουςστρατιωταςεπαυσαντοτυπτοντεςτονπαυλον
STATEN

Welke terstond krijgsknechten en hoofdmannen over honderd tot zich nam, en liep af naar hen toe. Zij nu, den oversten en de krijgsknechten ziende, hielden op van Paulus te slaan.

33
τοτεεγγισαςοχιλιαρχοςεπελαβετοαυτουκαιεκελευσενδεθηναιαλυσεσινδυσινκαιεπυνθανετοτιςανειηκαιτιεστινπεποιηκως
STATEN

Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had.

34
αλλοιδεαλλοτιεβοωνεντωοχλωμηδυναμενοςδεγνωναιτοασφαλεςδιατονθορυβονεκελευσεναγεσθαιαυτονειςτηνπαρεμβολην
STATEN

En onder de schare riep de ene dit, de andere wat anders. Doch als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij, dat men hem in de legerplaats zou brengen.

35
οτεδεεγενετοεπιτουςαναβαθμουςσυνεβηβασταζεσθαιαυτονυποτωνστρατιωτωνδιατηνβιαντουοχλου
STATEN

En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het, dat hij van de krijgsknechten gedragen werd vanwege het geweld der schare.

36
ηκολουθειγαρτοπληθοςτουλαουκραζοναιρεαυτον
STATEN

Want de menigte des volks volgde, al roepende: Weg met hem!

37
μελλωντεεισαγεσθαιειςτηνπαρεμβοληνοπαυλοςλεγειτωχιλιαρχωειεξεστινμοιειπειντιπροςσεοδεεφηελληνιστιγινωσκεις
STATEN

En als Paulus nu in de legerplaats zou geleid worden, zeide hij tot den overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zeide: Kent gij Grieks?

38
ουκαρασυειοαιγυπτιοςοπροτουτωντωνημερωναναστατωσαςκαιεξαγαγωνειςτηνερημοντουςτετρακισχιλιουςανδραςτωνσικαριων
STATEN

Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die voor deze dagen oproer verwekte, en de vier duizend moordenaars naar de woestijn uitleidde?

39
ειπενδεοπαυλοςεγωανθρωποςμενειμιιουδαιοςταρσευςτηςκιλικιαςουκασημουπολεωςπολιτηςδεομαιδεσουεπιτρεqονμοιλαλησαιπροςτονλαον
STATEN

Maar Paulus zeide: Ik ben een Joods man van Tarsen, een burger van geen onvermaarde stad in Cilícië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken.

40
επιτρεqαντοςδεαυτουοπαυλοςεστωςεπιτωναναβαθμωνκατεσεισεντηχειριτωλαωπολληςδεσιγηςγενομενηςπροσεφωνησεντηεβραιδιδιαλεκτωλεγων
STATEN

En als hij het toegelaten had, Paulus, staande op de trappen, wenkte met de hand tot het volk; en als er grote stilte geworden was, sprak hij hen aan in de Hebreeuwse taal, zeggende: