HANDELINGEN

Handelingen 4

Πράξεις τῶν Ἀποστόλων
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
λαλουντωνδεαυτωνπροςτονλαονεπεστησαναυτοιςοιιερειςκαιοστρατηγοςτουιερουκαιοισαδδουκαιοι
STATEN

En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de priesters, en de hoofdman des tempels, en de sadduceeën;

2
διαπονουμενοιδιατοδιδασκειναυτουςτονλαονκαικαταγγελλεινεντωιησουτηναναστασιντηνεκνεκρων
STATEN

Zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerden, en verkondigden in Jezus de opstanding uit de doden.

3
καιεπεβαλοναυτοιςταςχειραςκαιεθεντοειςτηρησινειςτηναυριονηνγαρεσπεραηδη
STATEN

En zij sloegen de handen aan hen, en zetten ze in bewaring tot den anderen dag; want het was nu avond.

4
πολλοιδετωνακουσαντωντονλογονεπιστευσανκαιεγενηθηοαριθμοςτωνανδρωνωσειχιλιαδεςπεντε
STATEN

En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal der mannen werd omtrent vijf duizend.

5
εγενετοδεεπιτηναυριονσυναχθηναιαυτωντουςαρχονταςκαιπρεσβυτερουςκαιγραμματειςειςιερουσαλημ
STATEN

En het geschiedde des anderen daags, dat hun oversten en ouderlingen en schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden;

6
καιανναντοναρχιερεακαικαιαφανκαιιωαννηνκαιαλεξανδρονκαιοσοιησανεκγενουςαρχιερατικου
STATEN

En Annas, de hogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zovele er van het hogepriesterlijk geslacht waren.

7
καιστησαντεςαυτουςεντωμεσωεπυνθανοντοενποιαδυναμειηενποιωονοματιεποιησατετουτουμεις
STATEN

En als zij hen in het midden gesteld hadden, vraagden zij: Door wat kracht, of door wat naam hebt gijlieden dit gedaan?

8
τοτεπετροςπλησθειςπνευματοςαγιουειπενπροςαυτουςαρχοντεςτουλαουκαιπρεσβυτεροιτουισραηλ
STATEN

Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen: Gij oversten des volks, en gij ouderlingen van Israël!

9
ειημειςσημερονανακρινομεθαεπιευεργεσιαανθρωπουασθενουςεντινιουτοςσεσωσται
STATEN

Alzo wij heden rechterlijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mens geschied, waardoor hij gezond geworden is;

10
γνωστονεστωπασινυμινκαιπαντιτωλαωισραηλοτιεντωονοματιιησουχριστουτουναζωραιουονυμειςεσταυρωσατεονοθεοςηγειρενεκνεκρωνεντουτωουτοςπαρεστηκενενωπιονυμωνυγιης
STATEN

Zo zij u allen kennelijk, en het ganse volk Israël, dat door den Naam van Jezus Christus, den Nazaréner, Dien gij gekruist hebt, Welken God van de doden heeft opgewekt, door Hem, zeg ik, staat deze hier voor u gezond.

11
ουτοςεστινολιθοςοεξουθενηθειςυφυμωντωνοικοδομουντωνογενομενοςειςκεφαληνγωνιας
STATEN

Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is.

12
καιουκεστινεναλλωουδενιησωτηριαουτεγαρονομαεστινετερονυποτονουρανοντοδεδομενονενανθρωποιςενωδεισωθηναιημας
STATEN

En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.

13
θεωρουντεςδετηντουπετρουπαρρησιανκαιιωαννουκαικαταλαβομενοιοτιανθρωποιαγραμματοιεισινκαιιδιωταιεθαυμαζονεπεγινωσκοντεαυτουςοτισυντωιησουησαν
STATEN

Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en slechte mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.

14
τονδεανθρωπονβλεποντεςσυναυτοιςεστωτατοντεθεραπευμενονουδενειχοναντειπειν
STATEN

En ziende den mens bij hen staan, die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen.

15
κελευσαντεςδεαυτουςεξωτουσυνεδριουαπελθεινσυνεβαλονπροςαλληλους
STATEN

En hun geboden hebbende uit te gaan buiten den raad, overlegden zij met elkander,

16
λεγοντεςτιποιησομεντοιςανθρωποιςτουτοιςοτιμενγαργνωστονσημειονγεγονενδιαυτωνπασιντοιςκατοικουσινιερουσαλημφανερονκαιουδυναμεθααρνησασθαι
STATEN

Zeggende: Wat zullen wij dezen mensen doen? Want dat er een bekend teken door hen geschied is, is openbaar aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen.

17
αλλιναμηεπιπλειονδιανεμηθηειςτονλαοναπειληαπειλησωμεθααυτοιςμηκετιλαλεινεπιτωονοματιτουτωμηδενιανθρωπων
STATEN

Maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen scherpelijk dreigen, dat zij niet meer tot enig mens in dezen Naam spreken.

18
καικαλεσαντεςαυτουςπαρηγγειλαναυτοιςτοκαθολουμηφθεγγεσθαιμηδεδιδασκεινεπιτωονοματιτουιησου
STATEN

En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij ganselijk niet zouden spreken, noch leren, in den Naam van Jezus.

19
οδεπετροςκαιιωαννηςαποκριθεντεςπροςαυτουςειπονειδικαιονεστινενωπιοντουθεουυμωνακουεινμαλλονητουθεουκρινατε
STATEN

Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen: Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God?

20
ουδυναμεθαγαρημειςαειδομενκαιηκουσαμενμηλαλειν
STATEN

Want wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben.

21
οιδεπροσαπειλησαμενοιαπελυσαναυτουςμηδενευρισκοντεςτοπωςκολασωνταιαυτουςδιατονλαονοτιπαντεςεδοξαζοντονθεονεπιτωγεγονοτι
STATEN

Maar zij dreigden hen nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende, hoe zij hen straffen zouden, om des volks wil; want zij verheerlijkten allen God over hetgeen er geschied was.

22
ετωνγαρηνπλειονωντεσσαρακονταοανθρωποςεφονεγεγονειτοσημειοντουτοτηςιασεως
STATEN

Want de mens was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teken der genezing geschied was.

23
απολυθεντεςδεηλθονπροςτουςιδιουςκαιαπηγγειλανοσαπροςαυτουςοιαρχιερειςκαιοιπρεσβυτεροιειπον
STATEN

En zij, losgelaten zijnde, kwamen tot de hunnen, en verkondigden al wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden.

24
οιδεακουσαντεςομοθυμαδονηρανφωνηνπροςτονθεονκαιειπονδεσποτασυοθεοςοποιησαςτονουρανονκαιτηνγηνκαιτηνθαλασσανκαιπανταταεναυτοις
STATEN

En als dezen dat hoorden, hieven zij eendrachtelijk hun stem op tot God, en zeiden: Heere! Gij zijt de God, Die gemaakt hebt den hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die in dezelve zijn.

25
οδιαστοματοςδαβιδτουπαιδοςσουειπωνινατιεφρυαξανεθνηκαιλαοιεμελετησανκενα
STATEN

Die door den mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?

26
παρεστησανοιβασιλειςτηςγηςκαιοιαρχοντεςσυνηχθησανεπιτοαυτοκατατουκυριουκαικατατουχριστουαυτου
STATEN

De koningen der aarde zijn te zamen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen den Heere, en tegen Zijn Gezalfde.

27
συνηχθησανγαρεπαληθειαςεπιτοναγιονπαιδασουιησουνονεχρισαςηρωδηςτεκαιποντιοςπιλατοςσυνεθνεσινκαιλαοιςισραηλ
STATEN

Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Heródes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls;

28
ποιησαιοσαηχειρσουκαιηβουλησουπροωρισενγενεσθαι
STATEN

Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou.

29
καιτανυνκυριεεπιδεεπιταςαπειλαςαυτωνκαιδοςτοιςδουλοιςσουμεταπαρρησιαςπασηςλαλειντονλογονσου
STATEN

En nu dan, Heere, zie op hun dreigingen, en geef Uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken;

30
εντωτηνχειρασουεκτεινεινσεειςιασινκαισημειακαιτεραταγινεσθαιδιατουονοματοςτουαγιουπαιδοςσουιησου
STATEN

Daarin, dat Gij Uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door den Naam van Uw heilig Kind Jezus.

31
καιδεηθεντωναυτωνεσαλευθηοτοποςενωησανσυνηγμενοικαιεπλησθησαναπαντεςπνευματοςαγιουκαιελαλουντονλογοντουθεουμεταπαρρησιας
STATEN

En als zij gebeden hadden, werd de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid.

32
τουδεπληθουςτωνπιστευσαντωνηνηκαρδιακαιηqυχημιακαιουδειςτιτωνυπαρχοντωναυτωελεγενιδιονειναιαλληναυτοιςαπαντακοινα
STATEN

En der menigte van degenen, die geloofden, was één hart en één ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen.

33
καιμεγαληδυναμειαπεδιδουντομαρτυριονοιαποστολοιτηςαναστασεωςτουκυριουιησουχαριςτεμεγαληηνεπιπανταςαυτους
STATEN

En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van den Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen.

34
ουδεγαρενδεηςτιςυπηρχενεναυτοιςοσοιγαρκτητορεςχωριωνηοικιωνυπηρχονπωλουντεςεφερονταςτιμαςτωνπιπρασκομενων
STATEN

Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen, en legden dien aan de voeten der apostelen.

35
καιετιθουνπαρατουςποδαςτωναποστολωνδιεδιδοτοδεεκαστωκαθοτιαντιςχρειανειχεν
STATEN

En aan een iegelijk werd uitgedeeld, naar dat elk van node had.

36
ιωσηςδεοεπικληθειςβαρναβαςυποτωναποστολωνοεστινμεθερμηνευομενονυιοςπαρακλησεωςλευιτηςκυπριοςτωγενει
STATEN

En Joses, van de apostelen toegenaamd Barnábas (hetwelk is, overgezet zijnde, een zoon der vertroosting), een Leviet, van geboorte uit Cyprus,

37
υπαρχοντοςαυτωαγρουπωλησαςηνεγκεντοχρημακαιεθηκενπαρατουςποδαςτωναποστολων
STATEN

Alzo hij een akker had, verkocht dien, en bracht het geld, en legde het aan de voeten der apostelen.