HANDELINGEN

Handelingen 5

Πράξεις τῶν Ἀποστόλων
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
ανηρδετιςανανιαςονοματισυνσαπφειρητηγυναικιαυτουεπωλησενκτημα
STATEN

En een zeker man, met name Ananías, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have;

2
καιενοσφισατοαποτηςτιμηςσυνειδυιαςκαιτηςγυναικοςαυτουκαιενεγκαςμεροςτιπαρατουςποδαςτωναποστολωνεθηκεν
STATEN

En onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw; en bracht een zeker deel, en legde dat aan de voeten der apostelen.

3
ειπενδεπετροςανανιαδιατιεπληρωσενοσαταναςτηνκαρδιανσουqευσασθαισετοπνευματοαγιονκαινοσφισασθαιαποτηςτιμηςτουχωριου
STATEN

En Petrus zeide: Ananías, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt, en onttrekken van den prijs des lands?

4
ουχιμενονσοιεμενενκαιπραθενεντησηεξουσιαυπηρχεντιοτιεθουεντηκαρδιασουτοπραγματουτοουκεqευσωανθρωποιςαλλατωθεω
STATEN

Zo het gebleven ware, bleef het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode.

5
ακουωνδεανανιαςτουςλογουςτουτουςπεσωνεξεqυξενκαιεγενετοφοβοςμεγαςεπιπανταςτουςακουονταςταυτα
STATEN

En Ananías, deze woorden horende, viel neder en gaf den geest. En er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden.

6
ανασταντεςδεοινεωτεροισυνεστειλαναυτονκαιεξενεγκαντεςεθαqαν
STATEN

En de jongelingen, opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem.

7
εγενετοδεωςωρωντριωνδιαστημακαιηγυνηαυτουμηειδυιατογεγονοςεισηλθεν
STATEN

En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijn vrouw daar inkwam, niet wetende, wat er geschied was;

8
απεκριθηδεαυτηοπετροςειπεμοιειτοσουτουτοχωριοναπεδοσθεηδεειπενναιτοσουτου
STATEN

En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel.

9
οδεπετροςειπενπροςαυτηντιοτισυνεφωνηθηυμινπειρασαιτοπνευμακυριουιδουοιποδεςτωνθαqαντωντονανδρασουεπιτηθυρακαιεξοισουσινσε
STATEN

En Petrus zeide tot haar: Wat is het, dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Zie, de voeten dergenen, die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen.

10
επεσενδεπαραχρημαπαρατουςποδαςαυτουκαιεξεqυξενεισελθοντεςδεοινεανισκοιευροναυτηννεκρανκαιεξενεγκαντεςεθαqανπροςτονανδρααυτης
STATEN

En zij viel terstond neder voor zijn voeten, en gaf den geest. En de jongelingen ingekomen zijnde, vonden haar dood en droegen ze uit, en begroeven haar bij haar man.

11
καιεγενετοφοβοςμεγαςεφοληντηνεκκλησιανκαιεπιπανταςτουςακουονταςταυτα
STATEN

En er kwam grote vreze over de gehele Gemeente, en over allen, die dit hoorden.

12
διαδετωνχειρωντωναποστολωνεγινετοσημειακαιτεραταεντωλαωπολλακαιησανομοθυμαδοναπαντεςεντηστοασολομωντος
STATEN

En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtelijk in het voorhof van Sálomo.

13
τωνδελοιπωνουδειςετολμακολλασθαιαυτοιςαλλεμεγαλυνεναυτουςολαος
STATEN

En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting.

14
μαλλονδεπροσετιθεντοπιστευοντεςτωκυριωπληθηανδρωντεκαιγυναικων
STATEN

En er werden meer en meer toegedaan, die den Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen;

15
ωστεκαταταςπλατειαςεκφερειντουςασθενειςκαιτιθεναιεπικλινωνκαικραββατωνιναερχομενουπετρουκανησκιαεπισκιασητινιαυτων
STATEN

Alzo dat zij de kranken uitdroegen op de straten, en legden op bedden en beddekens, opdat, als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mocht.

16
συνηρχετοδεκαιτοπληθοςτωνπεριξπολεωνειςιερουσαλημφεροντεςασθενειςκαιοχλουμενουςυποπνευματωνακαθαρτωνοιτινεςεθεραπευοντοαπαντες
STATEN

En ook de menigte uit de omliggende steden kwam gezamenlijk te Jeruzalem, brengende kranken, en die van onreine geesten gekweld waren; welke allen genezen werden.

17
ανασταςδεοαρχιερευςκαιπαντεςοισυναυτωηουσααιρεσιςτωνσαδδουκαιωνεπλησθησανζηλου
STATEN

En de hogepriester stond op, en allen, die met hem waren (welke was de sekte der sadduceeën), en werden vervuld met nijdigheid;

18
καιεπεβαλονταςχειραςαυτωνεπιτουςαποστολουςκαιεθεντοαυτουςεντηρησειδημοσια
STATEN

En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de gemene gevangenis.

19
αγγελοςδεκυριουδιατηςνυκτοςηνοιξενταςθυραςτηςφυλακηςεξαγαγωντεαυτουςειπεν
STATEN

Maar de engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis en leidde hen uit, en zeide:

20
πορευεσθεκαισταθεντεςλαλειτεεντωιερωτωλαωπανταταρηματατηςζωηςταυτης
STATEN

Gaat heen, en staat, en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens.

21
ακουσαντεςδεεισηλθονυποτονορθρονειςτοιερονκαιεδιδασκονπαραγενομενοςδεοαρχιερευςκαιοισυναυτωσυνεκαλεσαντοσυνεδριονκαιπασαντηνγερουσιαντωνυιωνισραηλκαιαπεστειλανειςτοδεσμωτηριοναχθηναιαυτους
STATEN

Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen den morgenstond in den tempel, en leerden. Maar de hogepriester, en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen den raad te zamen, en al de oudsten der kinderen Israëls, en zonden naar den kerker, om hen te halen.

22
οιδευπηρεταιπαραγενομενοιουχευροναυτουςεντηφυλακηαναστρεqαντεςδεαπηγγειλαν
STATEN

Doch als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden wederom, en boodschapten dit,

23
λεγοντεςοτιτομενδεσμωτηριονευρομενκεκλεισμενονενπασηασφαλειακαιτουςφυλακαςεξωεστωταςπροτωνθυρωνανοιξαντεςδεεσωουδεναευρομεν
STATEN

Zeggende: Wij vonden wel den kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen.

24
ωςδεηκουσαντουςλογουςτουτουςοτειερευςκαιοστρατηγοςτουιερουκαιοιαρχιερειςδιηπορουνπεριαυτωντιανγενοιτοτουτο
STATEN

Toen nu de hogepriester en de hoofdman des tempels, en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zou.

25
παραγενομενοςδετιςαπηγγειλεναυτοιςλεγωνοτιιδουοιανδρεςουςεθεσθεεντηφυλακηεισινεντωιερωεστωτεςκαιδιδασκοντεςτονλαον
STATEN

En er kwam een, en boodschapte hun, zeggende: Ziet, de mannen, die gij in de gevangenis gezet hebt, staan in den tempel, en leren het volk.

26
τοτεαπελθωνοστρατηγοςσυντοιςυπηρεταιςηγαγεναυτουςουμεταβιαςεφοβουντογαρτονλαονιναμηλιθασθωσιν
STATEN

Toen ging de hoofdman heen, met de dienaren, en bracht hen, doch niet met geweld (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gestenigd wierden).

27
αγαγοντεςδεαυτουςεστησανεντωσυνεδριωκαιεπηρωτησεναυτουςοαρχιερευς
STATEN

En als zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor den raad; en de hogepriester vraagde hun, en zeide:

28
λεγωνουπαραγγελιαπαρηγγειλαμενυμινμηδιδασκεινεπιτωονοματιτουτωκαιιδουπεπληρωκατετηνιερουσαλημτηςδιδαχηςυμωνκαιβουλεσθεεπαγαγεινεφημαςτοαιματουανθρωπουτουτου
STATEN

Hebben wij u niet ernstiglijk aangezegd, dat gij in dezen Naam niet zoudt leren? En ziet, gij hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen Mens over ons brengen.

29
αποκριθειςδεοπετροςκαιοιαποστολοιειπονπειθαρχεινδειθεωμαλλονηανθρωποις
STATEN

Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen.

30
οθεοςτωνπατερωνημωνηγειρενιησουνονυμειςδιεχειρισασθεκρεμασαντεςεπιξυλου
STATEN

De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, Welken gij omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout.

31
τουτονοθεοςαρχηγονκαισωτηραυqωσεντηδεξιααυτουδουναιμετανοιαντωισραηλκαιαφεσιναμαρτιων
STATEN

Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden.

32
καιημειςεσμεναυτουμαρτυρεςτωνρηματωντουτωνκαιτοπνευμαδετοαγιονοεδωκενοθεοςτοιςπειθαρχουσιναυτω
STATEN

En wij zijn Zijn getuigen van deze woorden; en ook de Heilige Geest, Welken God gegeven heeft dengenen, die Hem gehoorzaam zijn.

33
οιδεακουσαντεςδιεπριοντοκαιεβουλευοντοανελειναυτους
STATEN

Als zij nu dit hoorden, barstte hun het hart, en zij hielden raad, om hen te doden.

34
ανασταςδετιςεντωσυνεδριωφαρισαιοςονοματιγαμαλιηλνομοδιδασκαλοςτιμιοςπαντιτωλαωεκελευσενεξωβραχυτιτουςαποστολουςποιησαι
STATEN

Maar een zeker farizeeër stond op in den raad, met name Gamaliël, een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan.

35
ειπεντεπροςαυτουςανδρεςισραηλιταιπροσεχετεεαυτοιςεπιτοιςανθρωποιςτουτοιςτιμελλετεπρασσειν
STATEN

En hij zeide tot hen: Gij Israëlietische mannen, ziet voor u, wat gij doen zult aangaande deze mensen.

36
προγαρτουτωντωνημερωνανεστηθευδαςλεγωνειναιτιναεαυτονωπροσεκολληθηαριθμοςανδρωνωσειτετρακοσιωνοςανηρεθηκαιπαντεςοσοιεπειθοντοαυτωδιελυθησανκαιεγενοντοειςουδεν
STATEN

Want vóór deze dagen stond Theudas op, zeggende, dat hij wat was, dien een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing; welke is omgebracht, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden.

37
μετατουτονανεστηιουδαςογαλιλαιοςενταιςημεραιςτηςαπογραφηςκαιαπεστησενλαονικανονοπισωαυτουκακεινοςαπωλετοκαιπαντεςοσοιεπειθοντοαυτωδιεσκορπισθησαν
STATEN

Na hem stond op Judas de Galileeër, in de dagen der beschrijving, en maakte veel volks afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.

38
καιτανυνλεγωυμιναποστητεαποτωνανθρωπωντουτωνκαιεασατεαυτουςοτιεανηεξανθρωπωνηβουληαυτηητοεργοντουτοκαταλυθησεται
STATEN

En nu zeg ik ulieden: Houdt af van deze mensen, en laat hen gaan; want indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden.

39
ειδεεκθεουεστινουδυνασθεκαταλυσαιαυτομηποτεκαιθεομαχοιευρεθητε
STATEN

Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden.

40
επεισθησανδεαυτωκαιπροσκαλεσαμενοιτουςαποστολουςδειραντεςπαρηγγειλανμηλαλεινεπιτωονοματιτουιησουκαιαπελυσαναυτους
STATEN

En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij dezelve, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in den Naam van Jezus; en lieten hen gaan.

41
οιμενουνεπορευοντοχαιροντεςαποπροσωπουτουσυνεδριουοτιυπερτουονοματοςαυτουκατηξιωθησανατιμασθηναι
STATEN

Zij dan gingen heen van het aangezicht des raads, verblijd zijnde, dat zij waren waardig geacht geweest, om Zijns Naams wil smaadheid te lijden.

42
πασαντεημερανεντωιερωκαικατοικονουκεπαυοντοδιδασκοντεςκαιευαγγελιζομενοιιησουντονχριστον
STATEN

En zij hielden niet op, allen dag, in den tempel en bij de huizen, te leren, en Jezus Christus te verkondigen.