Shin lijkt op drie vlammen — de tongen van vuur boven de apostelen op Pinksteren (Hand 2:3) zijn shin-beelden. Ook: drie tanden — de shin snijdt. Shema, Yisrael (Deut 6:4) begint met shin: Hoor, Israël. Driehonderd: Gideons leger (Ri 7:7).
De rabbijnen zien in de drie armen van shin Abraham, Izak en Jakob — de drie pijlers van de patriarchale zegen. Shin staat op de mezoeza-cilinder, naar buiten gericht, als teken van Shaddai — de Almachtige die waakt. De shin met vier armen (zeldzaam) wijst op de toekomende wereld.
De Pinkstervlammen (Hand 2:3) worden christelijk gelezen als shin-vuur — de adem die brandt zonder te verteren (cf. Ex 3:2, het braambos). BDB: shin en sin delen één teken maar twee klanken, door een punt onderscheiden.
Paleo-shin 𐤔 is tanden of twee pijlers. Benner: teeth, sharp, press, two. Koppeling aan shanah (jaar, ook herhalen) en sjanen (scherp maken) is hier plausibel.
Het braambos brandde en werd niet verteerd (Ex 3:2). Zo is de Geest in u: vlammen van shin die niet verwoesten maar veranderen. Doof de Geest niet uit (1 Tess 5:19). Laat Hem branden waar Hij wil — ook in de kamers die u liever gesloten houdt.