NEVIIM

Jozua 15

יְהוֹשֻׁעַ
Hoofdstukken (24)
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֣י הַ/גּוֹרָ֗ל לְ/מַטֵּ֛ה בְּנֵ֥י יְהוּדָ֖ה לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֑/ם אֶל גְּב֨וּל אֱד֧וֹם מִדְבַּר צִ֛ן נֶ֖גְבָּ/ה מִ/קְצֵ֥ה תֵימָֽן
STATEN

En het lot voor den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;

2
וַ/יְהִ֤י לָ/הֶם֙ גְּב֣וּל נֶ֔גֶב מִ/קְצֵ֖ה יָ֣ם הַ/מֶּ֑לַח מִן הַ/לָּשֹׁ֖ן הַ/פֹּנֶ֥ה נֶֽגְבָּ/ה
STATEN

Zodat hun landpale, tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was, van de tong af, die tegen het zuiden ziet;

3
וְ֠/יָצָא אֶל מִ/נֶּ֜גֶב לְ/מַעֲלֵ֤ה עַקְרַבִּים֙ וְ/עָ֣בַר צִ֔נָ/ה וְ/עָלָ֥ה מִ/נֶּ֖גֶב לְ/קָדֵ֣שׁ בַּרְנֵ֑עַ וְ/עָבַ֤ר חֶצְרוֹן֙ וְ/עָלָ֣ה אַדָּ֔רָ/ה וְ/נָסַ֖ב הַ/קַּרְקָֽעָ/ה
STATEN

En zij gaat uit naar het zuiden tot den opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-Barnéa, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkáä;

4
וְ/עָבַ֣ר עַצְמ֗וֹנָ/ה וְ/יָצָא֙ נַ֣חַל מִצְרַ֔יִם ו/היה תֹּצְא֥וֹת הַ/גְּב֖וּל יָ֑מָּ/ה זֶה יִהְיֶ֥ה לָ/כֶ֖ם גְּב֥וּל נֶֽגֶב וְ/הָי֛וּ
STATEN

En gaat door naar Azmon, en komt uit aan de beek van Egypte; en de uitgangen dezer landpale zullen naar de zee zijn. Dit zal uw landpale tegen het zuiden zijn.

5
וּ/גְב֥וּל קֵ֨דְמָ/ה֙ יָ֣ם הַ/מֶּ֔לַח עַד קְצֵ֖ה הַ/יַּרְדֵּ֑ן וּ/גְב֞וּל לִ/פְאַ֤ת צָפ֨וֹנָ/ה֙ מִ/לְּשׁ֣וֹן הַ/יָּ֔ם מִ/קְצֵ֖ה הַ/יַּרְדֵּֽן
STATEN

De landpale nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van de Jordaan; en de landpale, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de tong der zee, van het uiterste van de Jordaan.

6
וְ/עָלָ֤ה הַ/גְּבוּל֙ בֵּ֣ית חָגְלָ֔ה וְ/עָבַ֕ר מִ/צְּפ֖וֹן לְ/בֵ֣ית הָעֲרָבָ֑ה וְ/עָלָ֣ה הַ/גְּב֔וּל אֶ֥בֶן בֹּ֖הַן בֶּן רְאוּבֵֽן
STATEN

En deze landpale zal opgaan tot Beth-hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-arába; en deze landpale zal opgaan tot den steen van Bohan, den zoon van Ruben.

7
וְ/עָלָ֨ה הַ/גְּב֥וּל דְּבִרָ/ה֮ מֵ/עֵ֣מֶק עָכוֹר֒ וְ/צָפ֜וֹנָ/ה פֹּנֶ֣ה אֶל הַ/גִּלְגָּ֗ל אֲשֶׁר נֹ֨כַח֙ לְ/מַעֲלֵ֣ה אֲדֻמִּ֔ים אֲשֶׁ֥ר מִ/נֶּ֖גֶב לַ/נָּ֑חַל וְ/עָבַ֤ר הַ/גְּבוּל֙ אֶל מֵי עֵ֣ין שֶׁ֔מֶשׁ וְ/הָי֥וּ תֹצְאֹתָ֖י/ו אֶל עֵ֥ין רֹגֵֽל
STATEN

Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den opgang van Adûmmim is, die aan het zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-sémes, en haar uitgangen zullen wezen te En-rógel.

8
וְ/עָלָ֨ה הַ/גְּב֜וּל גֵּ֣י בֶן הִנֹּ֗ם אֶל כֶּ֤תֶף הַ/יְבוּסִי֙ מִ/נֶּ֔גֶב הִ֖יא יְרֽוּשָׁלִָ֑ם וְ/עָלָ֨ה הַ/גְּב֜וּל אֶל רֹ֣אשׁ הָ/הָ֗ר אֲ֠שֶׁר עַל פְּנֵ֤י גֵֽי הִנֹּם֙ יָ֔מָּ/ה אֲשֶׁ֛ר בִּ/קְצֵ֥ה עֵֽמֶק רְפָאִ֖ים צָפֹֽנָ/ה
STATEN

En deze landpale zal opgaan door het dal van den zoon van Hinnom, aan de zijde van den Jebusiet van het zuiden, dezelve is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van den berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, hetwelk in het uiterste van het dal der Refaïeten is, tegen het noorden.

9
וְ/תָאַ֨ר הַ/גְּב֜וּל מֵ/רֹ֣אשׁ הָ/הָ֗ר אֶל מַעְיַן֙ מֵ֣י נֶפְתּ֔וֹחַ וְ/יָצָ֖א אֶל עָרֵ֣י הַר עֶפְר֑וֹן וְ/תָאַ֤ר הַ/גְּבוּל֙ בַּעֲלָ֔ה הִ֖יא קִרְיַ֥ת יְעָרִֽים
STATEN

Daarna zal deze landpale strekken van de hoogte des bergs tot aan de waterfontein Nefthóah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze landpale strekken naar Báäla; deze is Kirjath-Jeárim.

10
וְ/נָסַב֩ הַ/גְּב֨וּל מִ/בַּעֲלָ֥ה יָ֨מָּ/ה֙ אֶל הַ֣ר שֵׂעִ֔יר וְ/עָבַ֕ר אֶל כֶּ֧תֶף הַר יְעָרִ֛ים מִ/צָּפ֖וֹנָ/ה הִ֣יא כְסָל֑וֹן וְ/יָרַ֥ד בֵּֽית שֶׁ֖מֶשׁ וְ/עָבַ֥ר תִּמְנָֽה
STATEN

Daarna zal deze landpale zich omkeren van Báäla tegen het westen, naar het gebergte Seïr, en zal doorgaan aan de zijde van den berg Jeárim van het noorden; deze is Chesalôn; en zij zal afkomen naar Beth-Sémes, en door Timna gaan.

11
וְ/יָצָ֨א הַ/גְּב֜וּל אֶל כֶּ֣תֶף עֶקְרוֹן֮ צָפוֹנָ/ה֒ וְ/תָאַ֤ר הַ/גְּבוּל֙ שִׁכְּר֔וֹנָ/ה וְ/עָבַ֥ר הַר הַֽ/בַּעֲלָ֖ה וְ/יָצָ֣א יַבְנְאֵ֑ל וְ/הָי֛וּ תֹּצְא֥וֹת הַ/גְּב֖וּל יָֽמָּ/ה
STATEN

Verder zal deze landpale uitgaan aan de zijde van Ekron, noordwaarts, en deze landpale zal strekken naar Sichron aan, en over den berg Báäla gaan, en uitgaan te Jábneël; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar de zee.

12
וּ/גְב֣וּל יָ֔ם הַ/יָּ֥מָּ/ה הַ/גָּד֖וֹל וּ/גְב֑וּל זֶ֠ה גְּב֧וּל בְּנֵֽי יְהוּדָ֛ה סָבִ֖יב לְ/מִשְׁפְּחֹתָֽ/ם
STATEN

De landpale nu tegen het westen zal zijn tot de grote zee en derzelver landpale. Dit is de landpale der kinderen van Juda rondom heen, naar hun huisgezinnen.

13
וּ/לְ/כָלֵ֣ב בֶּן יְפֻנֶּ֗ה נָ֤תַן חֵ֨לֶק֙ בְּ/ת֣וֹךְ בְּנֵֽי יְהוּדָ֔ה אֶל פִּ֥י יְהוָ֖ה לִֽ/יהוֹשֻׁ֑עַ אֶת קִרְיַ֥ת אַרְבַּ֛ע אֲבִ֥י הָ/עֲנָ֖ק הִ֥יא חֶבְרֽוֹן
STATEN

Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des HEEREN tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.

14
וַ/יֹּ֤רֶשׁ מִ/שָּׁם֙ כָּלֵ֔ב אֶת שְׁלוֹשָׁ֖ה בְּנֵ֣י הָ/עֲנָ֑ק אֶת שֵׁשַׁ֤י וְ/אֶת אֲחִימַן֙ וְ/אֶת תַּלְמַ֔י יְלִידֵ֖י הָ/עֲנָֽק
STATEN

En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sésai, en Ahíman, en Talmai, geboren van Enak.

15
וַ/יַּ֣עַל מִ/שָּׁ֔ם אֶל יֹשְׁבֵ֖י דְּבִ֑ר וְ/שֵׁם דְּבִ֥ר לְ/פָנִ֖ים קִרְיַת סֵֽפֶר
STATEN

En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).

16
וַ/יֹּ֣אמֶר כָּלֵ֔ב אֲשֶׁר יַכֶּ֥ה אֶת קִרְיַת סֵ֖פֶר וּ/לְכָדָ֑/הּ וְ/נָתַ֥תִּי ל֛/וֹ אֶת עַכְסָ֥ה בִתִּ֖/י לְ/אִשָּֽׁה
STATEN

En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en nemen haar in, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.

17
וַֽ/יִּלְכְּדָ֛/הּ עָתְנִיאֵ֥ל בֶּן קְנַ֖ז אֲחִ֣י כָלֵ֑ב וַ/יִּתֶּן ל֛/וֹ אֶת עַכְסָ֥ה בִתּ֖/וֹ לְ/אִשָּֽׁה
STATEN

Othniël nu, de zoon van Kenaz, den broeder van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.

18
וַ/יְהִ֣י בְּ/בוֹאָ֗/הּ וַ/תְּסִיתֵ֨/הוּ֙ לִ/שְׁא֤וֹל מֵֽ/אֵת אָבִ֨י/הָ֙ שָׂדֶ֔ה וַ/תִּצְנַ֖ח מֵ/עַ֣ל הַ/חֲמ֑וֹר וַ/יֹּֽאמֶר לָ֥/הּ כָּלֵ֖ב מַה לָּֽ/ךְ
STATEN

En het geschiedde, als zij tot hem kwam, zo porde zij hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u?

19
וַ/תֹּ֜אמֶר תְּנָ/ה לִּ֣/י בְרָכָ֗ה כִּ֣י אֶ֤רֶץ הַ/נֶּ֨גֶב֙ נְתַתָּ֔/נִי וְ/נָתַתָּ֥ה לִ֖/י גֻּלֹּ֣ת מָ֑יִם וַ/יִּתֶּן לָ֗/הּ אֵ֚ת גֻּלֹּ֣ת עִלִּיּ֔וֹת וְ/אֵ֖ת גֻּלֹּ֥ת תַּחְתִּיּֽוֹת
STATEN

En zij zeide: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hoge waterwellingen en lage waterwellingen.

20
זֹ֗את נַחֲלַ֛ת מַטֵּ֥ה בְנֵי יְהוּדָ֖ה לְ/מִשְׁפְּחֹתָֽ/ם
STATEN

Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen.

21
וַ/יִּֽהְי֣וּ הֶ/עָרִ֗ים מִ/קְצֵה֙ לְ/מַטֵּ֣ה בְנֵֽי יְהוּדָ֔ה אֶל גְּב֥וּל אֱד֖וֹם בַּ/נֶּ֑גְבָּ/ה קַבְצְאֵ֥ל וְ/עֵ֖דֶר וְ/יָגֽוּר
STATEN

De steden nu, van het uiterste van den stam der kinderen van Juda, tot de landpale van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kábzeël, en Eder, en Jagur,

22
וְ/קִינָ֥ה וְ/דִֽימוֹנָ֖ה וְ/עַדְעָדָֽה
STATEN

En Kina, en Dimóna, en Adáda,

23
וְ/קֶ֥דֶשׁ וְ/חָצ֖וֹר וְ/יִתְנָֽן
STATEN

En Kedes, en Hazor, en Jithnan,

24
זִ֥יף וָ/טֶ֖לֶם וּ/בְעָלֽוֹת
STATEN

Zif, en Telem, en Beälôth,

25
וְ/חָצ֤וֹר חֲדַתָּה֙ וּ/קְרִיּ֔וֹת חֶצְר֖וֹן הִ֥יא חָצֽוֹר
STATEN

En Hazor, en Hadattha, en Keriôth, (Hezron dat is Hazor),

26
אֲמָ֥ם וּ/שְׁמַ֖ע וּ/מוֹלָדָֽה
STATEN

Amám, en Sema, en Mólada,

27
וַ/חֲצַ֥ר גַּדָּ֛ה וְ/חֶשְׁמ֖וֹן וּ/בֵ֥ית פָּֽלֶט
STATEN

En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Pálet,

28
וַ/חֲצַ֥ר שׁוּעָ֛ל וּ/בְאֵ֥ר שֶׁ֖בַע וּ/בִזְיוֹתְיָֽה
STATEN

En Hazar-Sual, en Beër-séba, en Bizjótheja,

29
בַּעֲלָ֥ה וְ/עִיִּ֖ים וָ/עָֽצֶם
STATEN

Báäla, en Ijim, en Azem,

30
וְ/אֶלְתּוֹלַ֥ד וּ/כְסִ֖יל וְ/חָרְמָֽה
STATEN

En Elthólad, en Chesil, en Horma,

31
וְ/צִֽקְלַ֥ג וּ/מַדְמַנָּ֖ה וְ/סַנְסַנָּֽה
STATEN

En Ziklag, en Madmánna, en Sanzánna,

32
וּ/לְבָא֥וֹת וְ/שִׁלְחִ֖ים וְ/עַ֣יִן וְ/רִמּ֑וֹן כָּל עָרִ֛ים עֶשְׂרִ֥ים וָ/תֵ֖שַׁע וְ/חַצְרֵי/הֶֽן
STATEN

En Lebaôth, en Silhim, en Aïn, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.

33
בַּ/שְּׁפֵלָ֑ה אֶשְׁתָּא֥וֹל וְ/צָרְעָ֖ה וְ/אַשְׁנָֽה
STATEN

In de laagte zijn: Estháol, en Zora, en Asna,

34
וְ/זָנ֨וֹחַ֙ וְ/עֵ֣ין גַּנִּ֔ים תַּפּ֖וּחַ וְ/הָ/עֵינָֽם
STATEN

En Zanóah, en En-gánnim, Tappûah, en Enam,

35
יַרְמוּת֙ וַ/עֲדֻלָּ֔ם שׂוֹכֹ֖ה וַ/עֲזֵקָֽה
STATEN

Jarmuth, en Adullam, Socho en Azéka,

36
וְ/שַׁעֲרַ֨יִם֙ וַ/עֲדִיתַ֔יִם וְ/הַ/גְּדֵרָ֖ה וּ/גְדֵרֹתָ֑יִם עָרִ֥ים אַרְבַּֽע עֶשְׂרֵ֖ה וְ/חַצְרֵי/הֶֽן
STATEN

En Saäráïm, en Adíthaïm, en Gedéra, en Gedérothaïm; veertien steden en haar dorpen.

37
צְנָ֥ן וַ/חֲדָשָׁ֖ה וּ/מִגְדַּל גָּֽד
STATEN

Zenan, en Hadása, en Migdal-gad,

38
וְ/דִלְעָ֥ן וְ/הַ/מִּצְפֶּ֖ה וְ/יָקְתְאֵֽל
STATEN

En Dilan, en Mizpa, en Jókteël,

39
לָכִ֥ישׁ וּ/בָצְקַ֖ת וְ/עֶגְלֽוֹן
STATEN

Lachis, en Bozkath, en Eglon,

40
וְ/כַבּ֥וֹן וְ/לַחְמָ֖ס וְ/כִתְלִֽישׁ
STATEN

En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis,

41
וּ/גְדֵר֕וֹת בֵּית דָּג֥וֹן וְ/נַעֲמָ֖ה וּ/מַקֵּדָ֑ה עָרִ֥ים שֵׁשׁ עֶשְׂרֵ֖ה וְ/חַצְרֵי/הֶֽן
STATEN

En Gedérôth, Beth-Dagon, en Náäma, en Makkéda; zestien steden en haar dorpen.

42
לִבְנָ֥ה וָ/עֶ֖תֶר וְ/עָשָֽׁן
STATEN

Libna, en Ether, en Asan,

43
וְ/יִפְתָּ֥ח וְ/אַשְׁנָ֖ה וּ/נְצִֽיב
STATEN

En Jiftah, en Asna, en Nezib,

44
וּ/קְעִילָ֥ה וְ/אַכְזִ֖יב וּ/מָֽרֵאשָׁ֑ה עָרִ֥ים תֵּ֖שַׁע וְ/חַצְרֵי/הֶֽן
STATEN

En Kehíla, en Achzib, en Maréza; negen steden en haar dorpen;

45
עֶקְר֥וֹן וּ/בְנֹתֶ֖י/הָ וַ/חֲצֵרֶֽי/הָ
STATEN

Ekron, en haar onderhorige plaatsen, en haar dorpen.

46
מֵ/עֶקְר֖וֹן וָ/יָ֑מָּ/ה כֹּ֛ל אֲשֶׁר עַל יַ֥ד אַשְׁדּ֖וֹד וְ/חַצְרֵי/הֶֽן
STATEN

Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die aan de zijde van Asdod zijn, en haar dorpen;

47
אַשְׁדּ֞וֹד בְּנוֹתֶ֣י/הָ וַ/חֲצֵרֶ֗י/הָ עַזָּ֥ה בְּנוֹתֶ֥י/הָ וַ/חֲצֵרֶ֖י/הָ עַד נַ֣חַל מִצְרָ֑יִם וְ/הַ/יָּ֥ם ה/גבול וּ/גְבֽוּל הַ/גָּד֖וֹל
STATEN

Asdod, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen; Gaza, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en de grote zee, en haar landpale.

48
וּ/בָ/הָ֑ר שָׁמִ֥יר וְ/יַתִּ֖יר וְ/שׂוֹכֹֽה
STATEN

Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,

49
וְ/דַנָּ֥ה וְ/קִרְיַת סַנָּ֖ה הִ֥יא דְבִֽר
STATEN

En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,

50
וַ/עֲנָ֥ב וְ/אֶשְׁתְּמֹ֖ה וְ/עָנִֽים
STATEN

En Anab, en Estemo, en Anim,

51
וְ/גֹ֥שֶׁן וְ/חֹלֹ֖ן וְ/גִלֹ֑ה עָרִ֥ים אַֽחַת עֶשְׂרֵ֖ה וְ/חַצְרֵי/הֶֽן
STATEN

En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.

52
אֲרַ֥ב וְ/רוּמָ֖ה וְ/אֶשְׁעָֽן
STATEN

Arab, en Duma, en Esan,

53
ו/ינים וּ/בֵית תַּפּ֖וּחַ וַ/אֲפֵֽקָה וְ/יָנ֥וּם
STATEN

En Janum, en Beth-Tappûah, en Aféka,

54
וְ/חֻמְטָ֗ה וְ/קִרְיַ֥ת אַרְבַּ֛ע הִ֥יא חֶבְר֖וֹן וְ/צִיעֹ֑ר עָרִ֥ים תֵּ֖שַׁע וְ/חַצְרֵי/הֶֽן
STATEN

En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.

55
מָע֥וֹן כַּרְמֶ֖ל וָ/זִ֥יף וְ/יוּטָּֽה
STATEN

Maon, Karmel, en Zif, en Juta,

56
וְ/יִזְרְעֶ֥אל וְ/יָקְדְעָ֖ם וְ/זָנֽוֹחַ
STATEN

En Jizreël, en Jókdeam, en Zanóah,

57
הַ/קַּ֖יִן גִּבְעָ֣ה וְ/תִמְנָ֑ה עָרִ֥ים עֶ֖שֶׂר וְ/חַצְרֵי/הֶֽן
STATEN

Kaïn, Gibea, en Timna; tien steden en haar dorpen.

58
חַלְח֥וּל בֵּֽית צ֖וּר וּ/גְדֽוֹר
STATEN

Halhul, Beth-Zur, en Gedor,

59
וּ/מַעֲרָ֥ת וּ/בֵית עֲנ֖וֹת וְ/אֶלְתְּקֹ֑ן עָרִ֥ים שֵׁ֖שׁ וְ/חַצְרֵי/הֶֽן
STATEN

En Máarath, en Beth-Anôth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.

60
קִרְיַת בַּ֗עַל הִ֛יא קִרְיַ֥ת יְעָרִ֖ים וְ/הָֽ/רַבָּ֑ה עָרִ֥ים שְׁתַּ֖יִם וְ/חַצְרֵי/הֶֽן
STATEN

Kirjath-Baäl, die is Kirjath-Jeárim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.

61
בַּ/מִּדְבָּ֑ר בֵּ֚ית הָעֲרָבָ֔ה מִדִּ֖ין וּ/סְכָכָֽה
STATEN

In de woestijn: Beth-arába, Middin en Sechácha,

62
וְ/הַ/נִּבְשָׁ֥ן וְ/עִיר הַ/מֶּ֖לַח וְ/עֵ֣ין גֶּ֑דִי עָרִ֥ים שֵׁ֖שׁ וְ/חַצְרֵי/הֶֽן
STATEN

En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen.

63
וְ/אֶת הַ/יְבוּסִי֙ יוֹשְׁבֵ֣י יְרֽוּשָׁלִַ֔ם לֹֽא יוכלו בְנֵֽי יְהוּדָ֖ה לְ/הֽוֹרִישָׁ֑/ם וַ/יֵּ֨שֶׁב הַ/יְבוּסִ֜י אֶת בְּנֵ֤י יְהוּדָה֙ בִּ/יר֣וּשָׁלִַ֔ם עַ֖ד הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה יָכְל֥וּ
STATEN

Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; alzo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot dezen dag toe.