NEVIIM

Jozua 18

יְהוֹשֻׁעַ
Hoofdstukken (24)
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יִּקָּ֨הֲל֜וּ כָּל עֲדַ֤ת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל֙ שִׁלֹ֔ה וַ/יַּשְׁכִּ֥ינוּ שָׁ֖ם אֶת אֹ֣הֶל מוֹעֵ֑ד וְ/הָ/אָ֥רֶץ נִכְבְּשָׁ֖ה לִ/פְנֵי/הֶֽם
STATEN

En de ganse vergadering van de kinderen Israëls verzamelde zich te Silo, en zij richtten aldaar op de tent der samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was.

2
וַ/יִּוָּֽתְרוּ֙ בִּ/בְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אֲשֶׁ֥ר לֹֽא חָלְק֖וּ אֶת נַֽחֲלָתָ֑/ם שִׁבְעָ֖ה שְׁבָטִֽים
STATEN

En er bleven over onder de kinderen Israëls, aan dewelken zij hun erfdeel niet uitgedeeld hadden, zeven stammen.

3
וַ/יֹּ֥אמֶר יְהוֹשֻׁ֖עַ אֶל בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל עַד אָ֨נָה֙ אַתֶּ֣ם מִתְרַפִּ֔ים לָ/בוֹא֙ לָ/רֶ֣שֶׁת אֶת הָ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁר֙ נָתַ֣ן לָ/כֶ֔ם יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֥י אֲבֽוֹתֵי/כֶֽם
STATEN

En Jozua zeide tot de kinderen Israëls: Hoe lang houdt gij u zo slap, om voort te gaan, om het land te beërven, hetwelk de HEERE, de God uwer vaderen, u gegeven heeft?

4
הָב֥וּ לָ/כֶ֛ם שְׁלֹשָׁ֥ה אֲנָשִׁ֖ים לַ/שָּׁ֑בֶט וְ/אֶשְׁלָחֵ֗/ם וְ/יָקֻ֜מוּ וְ/יִֽתְהַלְּכ֥וּ בָ/אָ֛רֶץ וְ/יִכְתְּב֥וּ אוֹתָ֛/הּ לְ/פִ֥י נַֽחֲלָתָ֖/ם וְ/יָבֹ֥אוּ אֵלָֽ/י
STATEN

Geeft voor ulieden drie mannen van elken stam, dat ik ze heenzende, en zij zich opmaken, en het land doorwandelen, en beschrijven hetzelve naar hun erven, en weder tot mij komen.

5
וְ/הִֽתְחַלְּק֥וּ אֹתָ֖/הּ לְ/שִׁבְעָ֣ה חֲלָקִ֑ים יְהוּדָ֞ה יַעֲמֹ֤ד עַל גְּבוּל/וֹ֙ מִ/נֶּ֔גֶב וּ/בֵ֥ית יוֹסֵ֛ף יַעַמְד֥וּ עַל גְּבוּלָ֖/ם מִ/צָּפֽוֹן
STATEN

Zij nu zullen het delen in zeven delen; Juda zal blijven op zijn landpale van het zuiden, en het huis van Jozef zal blijven op zijn landpale van het noorden.

6
וְ/אַתֶּ֞ם תִּכְתְּב֤וּ אֶת הָ/אָ֨רֶץ֙ שִׁבְעָ֣ה חֲלָקִ֔ים וַֽ/הֲבֵאתֶ֥ם אֵלַ֖/י הֵ֑נָּה וְ/יָרִ֨יתִי לָ/כֶ֤ם גּוֹרָל֙ פֹּ֔ה לִ/פְנֵ֖י יְהוָ֥ה אֱלֹהֵֽי/נוּ
STATEN

En gijlieden zult het land beschrijven in zeven delen, en tot mij herwaarts brengen, dat ik voor ulieden het lot hier werpe voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods.

7
כִּ֠י אֵֽין חֵ֤לֶק לַ/לְוִיִּם֙ בְּ/קִרְבְּ/כֶ֔ם כִּֽי כְהֻנַּ֥ת יְהוָ֖ה נַחֲלָת֑/וֹ וְ/גָ֡ד וּ/רְאוּבֵ֡ן וַ/חֲצִי֩ שֵׁ֨בֶט הַֽ/מְנַשֶּׁ֜ה לָקְח֣וּ נַחֲלָתָ֗/ם מֵ/עֵ֤בֶר לַ/יַּרְדֵּן֙ מִזְרָ֔חָ/ה אֲשֶׁר֙ נָתַ֣ן לָ/הֶ֔ם מֹשֶׁ֖ה עֶ֥בֶד יְהוָֽה
STATEN

Want de Levieten hebben geen deel in het midden van ulieden; maar het priesterdom des HEEREN is hun erfdeel. Gad nu, en Ruben, en de halve stam van Manasse, hebben hun erfdeel genomen op gene zijde van de Jordaan, oostwaarts, hetwelk hun Mozes, de knecht des HEEREN, gegeven heeft.

8
וַ/יָּקֻ֥מוּ הָ/אֲנָשִׁ֖ים וַ/יֵּלֵ֑כוּ וַ/יְצַ֣ו יְהוֹשֻׁ֡עַ אֶת הַ/הֹלְכִים֩ לִ/כְתֹּ֨ב אֶת הָ/אָ֜רֶץ לֵ/אמֹ֗ר לְ֠כוּ וְ/הִתְהַלְּכ֨וּ בָ/אָ֜רֶץ וְ/כִתְב֤וּ אוֹתָ/הּ֙ וְ/שׁ֣וּבוּ אֵלַ֔/י וּ֠/פֹה אַשְׁלִ֨יךְ לָ/כֶ֥ם גּוֹרָ֛ל לִ/פְנֵ֥י יְהוָ֖ה בְּ/שִׁלֹֽה
STATEN

Toen maakten zich die mannen op, en gingen heen. En Jozua gebood hun, die heengingen om het land te beschrijven, zeggende: Gaat, en doorwandelt het land, en beschrijft het; komt dan weder tot mij, zo zal ik ulieden hier het lot werpen, voor het aangezicht des HEEREN, te Silo.

9
וַ/יֵּלְכ֤וּ הָֽ/אֲנָשִׁים֙ וַ/יַּעַבְר֣וּ בָ/אָ֔רֶץ וַ/יִּכְתְּב֧וּ/הָ לֶֽ/עָרִ֛ים לְ/שִׁבְעָ֥ה חֲלָקִ֖ים עַל סֵ֑פֶר וַ/יָּבֹ֧אוּ אֶל יְהוֹשֻׁ֛עַ אֶל הַֽ/מַּחֲנֶ֖ה שִׁלֹֽה
STATEN

De mannen dan gingen heen, en togen het land door en beschreven het, naar de steden, in zeven delen, in een boek; en kwamen weder tot Jozua in het leger te Silo.

10
וַ/יַּשְׁלֵךְ֩ לָ/הֶ֨ם יְהוֹשֻׁ֧עַ גּוֹרָ֛ל בְּ/שִׁלֹ֖ה לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֑ה וַ/יְחַלֶּק שָׁ֨ם יְהוֹשֻׁ֧עַ אֶת הָ/אָ֛רֶץ לִ/בְנֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל כְּ/מַחְלְקֹתָֽ/ם
STATEN

Toen wierp Jozua het lot voor hen te Silo, voor het aangezicht des HEEREN. En Jozua deelde aldaar den kinderen Israëls het land, naar hun afdelingen.

11
וַ/יַּ֗עַל גּוֹרַ֛ל מַטֵּ֥ה בְנֵֽי בִנְיָמִ֖ן לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֑/ם וַ/יֵּצֵא֙ גְּב֣וּל גּֽוֹרָלָ֔/ם בֵּ֚ין בְּנֵ֣י יְהוּדָ֔ה וּ/בֵ֖ין בְּנֵ֥י יוֹסֵֽף
STATEN

En het lot van den stam der kinderen van Benjamin kwam op, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun lot ging uit tussen de kinderen van Juda, en tussen de kinderen van Jozef.

12
וַ/יְהִ֨י לָ/הֶ֧ם הַ/גְּב֛וּל לִ/פְאַ֥ת צָפ֖וֹנָ/ה מִן הַ/יַּרְדֵּ֑ן וְ/עָלָ֣ה הַ/גְּבוּל֩ אֶל כֶּ֨תֶף יְרִיח֜וֹ מִ/צָּפ֗וֹן וְ/עָלָ֤ה בָ/הָר֙ יָ֔מָּ/ה ו/היה תֹּֽצְאֹתָ֔י/ו מִדְבַּ֖רָ/ה בֵּ֥ית אָֽוֶן וְ/הָיוּ֙
STATEN

En hun landpale was naar den hoek noordwaarts van de Jordaan; en deze landpale gaat opwaarts aan de zijde van Jericho van het noorden, en gaat op door het gebergte westwaarts, en haar uitgangen zijn aan de woestijn van Beth-áven.

13
וְ/עָבַר֩ מִ/שָּׁ֨ם הַ/גְּב֜וּל ל֗וּזָ/ה אֶל כֶּ֤תֶף ל֨וּזָ/ה֙ נֶ֔גְבָּ/ה הִ֖יא בֵּֽית אֵ֑ל וְ/יָרַ֤ד הַ/גְּבוּל֙ עַטְר֣וֹת אַדָּ֔ר עַל הָ/הָ֕ר אֲשֶׁ֛ר מִ/נֶּ֥גֶב לְ/בֵית חֹר֖וֹן תַּחְתּֽוֹן
STATEN

En van daar gaat de landpale door naar Luz, aan de zijde van Luz (welke is Beth-El), zuidwaarts; en deze landpale gaat af naar Atrôth-Addar, aan den berg, die aan de zuidzijde van het benedenste Beth-hóron is.

14
וְ/תָאַ֣ר הַ/גְּבוּל֩ וְ/נָסַ֨ב לִ/פְאַת יָ֜ם נֶ֗גְבָּ/ה מִן הָ/הָר֙ אֲשֶׁ֨ר עַל פְּנֵ֥י בֵית חֹרוֹן֮ נֶגְבָּ/ה֒ ו/היה תֹֽצְאֹתָ֗י/ו אֶל קִרְיַת בַּ֨עַל֙ הִ֚יא קִרְיַ֣ת יְעָרִ֔ים עִ֖יר בְּנֵ֣י יְהוּדָ֑ה זֹ֖את פְּאַת יָֽם וְ/הָי֣וּ
STATEN

En die landpale strekt en keert zich om, naar den westhoek zuidwaarts van den berg, die tegenover Beth-hóron zuidwaarts is, en haar uitgangen zijn aan Kirjath-Baäl (welke is Kirjath-Jeárim), een stad der kinderen van Juda. Dit is de hoek ten westen.

15
וּ/פְאַת נֶ֕גְבָּ/ה מִ/קְצֵ֖ה קִרְיַ֣ת יְעָרִ֑ים וְ/יָצָ֤א הַ/גְּבוּל֙ יָ֔מָּ/ה וְ/יָצָ֕א אֶל מַעְיַ֖ן מֵ֥י נֶפְתּֽוֹחַ
STATEN

De hoek nu ten zuiden is aan het uiterste van Kirjath-Jeárim; en deze landpale gaat uit ten westen, en zij komt uit aan de fontein der wateren van Neftóah.

16
וְ/יָרַ֨ד הַ/גְּב֜וּל אֶל קְצֵ֣ה הָ/הָ֗ר אֲשֶׁר֙ עַל פְּנֵי֙ גֵּ֣י בֶן הִנֹּ֔ם אֲשֶׁ֛ר בְּ/עֵ֥מֶק רְפָאִ֖ים צָפ֑וֹנָ/ה וְ/יָרַד֩ גֵּ֨י הִנֹּ֜ם אֶל כֶּ֤תֶף הַ/יְבוּסִי֙ נֶ֔גְבָּ/ה וְ/יָרַ֖ד עֵ֥ין רֹגֵֽל
STATEN

En deze landpale gaat af tot aan het uiterste des bergs, die tegenover het dal van den zoon van Hinnom is, die in het dal der Refaïeten is tegen het noorden; en gaat af door het dal van Hinnom, aan de zijde der Jebusieten zuidwaarts, en gaat af aan de fontein van Rogel;

17
וְ/תָאַ֣ר מִ/צָּפ֗וֹן וְ/יָצָא֙ עֵ֣ין שֶׁ֔מֶשׁ וְ/יָצָא֙ אֶל גְּלִיל֔וֹת אֲשֶׁר נֹ֖כַח מַעֲלֵ֣ה אֲדֻמִּ֑ים וְ/יָרַ֕ד אֶ֥בֶן בֹּ֖הַן בֶּן רְאוּבֵֽן
STATEN

En strekt zich van het noorden, en gaat uit te En-sémes; van daar gaat zij uit naar Gelilôth, welke is tegenover den opgang naar Adûmmim, en zij gaat af aan den steen van Bohan, den zoon van Ruben;

18
וְ/עָבַ֛ר אֶל כֶּ֥תֶף מוּל הָֽ/עֲרָבָ֖ה צָפ֑וֹנָ/ה וְ/יָרַ֖ד הָ/עֲרָבָֽתָ/ה
STATEN

En gaat door ter zijde tegenover Arába naar het noorden, en gaat af te Arába.

19
וְ/עָבַ֨ר הַ/גְּב֜וּל אֶל כֶּ֣תֶף בֵּית חָגְלָה֮ צָפוֹנָ/ה֒ ו/היה תצאותי/ו הַ/גְּב֗וּל אֶל לְשׁ֤וֹן יָם הַ/מֶּ֨לַח֙ צָפ֔וֹנָ/ה אֶל קְצֵ֥ה הַ/יַּרְדֵּ֖ן נֶ֑גְבָּ/ה זֶ֖ה גְּב֥וּל נֶֽגֶב וְ/הָי֣וּ תֹּצְא֣וֹת
STATEN

Verder gaat deze landpale door aan de zijde van Beth-hogla noordwaarts, en de uitgangen van deze landpale zijn aan de tong der Zoutzee noordwaarts, aan het uiterste van de Jordaan zuidwaarts. Dit is de zuiderlandpale.

20
וְ/הַ/יַּרְדֵּ֥ן יִגְבֹּל אֹת֖/וֹ לִ/פְאַת קֵ֑דְמָ/ה זֹ֡את נַחֲלַת֩ בְּנֵ֨י בִנְיָמִ֧ן לִ/גְבֽוּלֹתֶ֛י/הָ סָבִ֖יב לְ/מִשְׁפְּחֹתָֽ/ם
STATEN

De Jordaan nu bepaalt haar aan den hoek naar het oosten. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, in hun landpalen rondom, naar hun huisgezinnen.

21
וְ/הָי֣וּ הֶֽ/עָרִ֗ים לְ/מַטֵּ֛ה בְּנֵ֥י בִנְיָמִ֖ן לְ/מִשְׁפְּחֽוֹתֵי/הֶ֑ם יְרִיח֥וֹ וּ/בֵית חָגְלָ֖ה וְ/עֵ֥מֶק קְצִֽיץ
STATEN

De steden nu van den stam der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-hogla, en Emek-Keziz,

22
וּ/בֵ֧ית הָֽעֲרָבָ֛ה וּ/צְמָרַ֖יִם וּ/בֵֽית אֵֽל
STATEN

En Beth-arába, en Zemaráïm, en Beth-El,

23
וְ/הָ/עַוִּ֥ים וְ/הַ/פָּרָ֖ה וְ/עָפְרָֽה
STATEN

En Háavvim, en Para, en Ofra,

24
וּ/כְפַ֧ר העמני וְ/הָֽ/עָפְנִ֖י וָ/גָ֑בַע עָרִ֥ים שְׁתֵּים עֶשְׂרֵ֖ה וְ/חַצְרֵי/הֶֽן הָֽעַמֹּנָ֛ה
STATEN

Chefar-haämmónai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en haar dorpen.

25
גִּבְע֥וֹן וְ/הָֽ/רָמָ֖ה וּ/בְאֵרֽוֹת
STATEN

Gíbeon, en Rama, en Beérôth,

26
וְ/הַ/מִּצְפֶּ֥ה וְ/הַ/כְּפִירָ֖ה וְ/הַ/מֹּצָֽה
STATEN

En Mizpa, en Chefíra, en Moza,

27
וְ/רֶ֥קֶם וְ/יִרְפְּאֵ֖ל וְ/תַרְאֲלָֽה
STATEN

En Rekem, en Jirpeël, en Thár-ala,

28
וְ/צֵלַ֡ע הָאֶ֜לֶף וְ/הַ/יְבוּסִ֨י הִ֤יא יְרֽוּשָׁלִַ֨ם֙ גִּבְעַ֣ת קִרְיַ֔ת עָרִ֥ים אַרְבַּֽע עֶשְׂרֵ֖ה וְ/חַצְרֵי/הֶ֑ן זֹ֛את נַֽחֲלַ֥ת בְּנֵֽי בִנְיָמִ֖ן לְ/מִשְׁפְּחֹתָֽ/ם
STATEN

En Zela, Elef en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden mitsgaders haar dorpen. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen.