Ga naar inhoud
NEVIIM

Jozua 22

יְהוֹשֻׁעַ
Hoofdstukken (24)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
אָ֚ז יִקְרָ֣א יְהוֹשֻׁ֔עַ לָ/רֽאוּבֵנִ֖י וְ/לַ/גָּדִ֑י וְ/לַ/חֲצִ֖י מַטֵּ֥ה מְנַשֶּֽׁה׃
STATEN

Toen riep Jozua de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse,

2
וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵי/הֶ֔ם אַתֶּ֣ם שְׁמַרְתֶּ֔ם אֵ֚ת כָּל אֲשֶׁ֣ר צִוָּ֣ה אֶתְ/כֶ֔ם מֹשֶׁ֖ה עֶ֣בֶד יְהוָ֑ה וַ/תִּשְׁמְע֣וּ בְ/קוֹלִ֔/י לְ/כֹ֥ל אֲשֶׁר צִוִּ֖יתִי אֶתְ/כֶֽם־־׃
STATEN

En hij zeide tot hen: Gijlieden hebt onderhouden alles, wat u Mozes, de knecht des HEEREN, geboden heeft; en gij zijt mijner stem gehoorzaam geweest in alles, wat ik u geboden heb.

3
לֹֽא עֲזַבְתֶּ֣ם אֶת אֲחֵי/כֶ֗ם זֶ֚ה יָמִ֣ים רַבִּ֔ים עַ֖ד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֑ה וּ/שְׁמַרְתֶּ֕ם אֶת מִשְׁמֶ֕רֶת מִצְוַ֖ת יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/כֶֽם־־־׃
STATEN

Gij hebt uw broederen niet verlaten nu langen tijd, tot op dezen dag toe; maar gij hebt waargenomen de onderhouding der geboden van den HEERE, uw God.

4
וְ/עַתָּ֗ה הֵנִ֨יחַ יְהוָ֤ה אֱלֹֽהֵי/כֶם֙ לַֽ/אֲחֵי/כֶ֔ם כַּ/אֲשֶׁ֖ר דִּבֶּ֣ר לָ/הֶ֑ם וְ/עַתָּ֡ה פְּנוּ֩ וּ/לְכ֨וּ לָ/כֶ֜ם לְ/אָהֳלֵי/כֶ֗ם אֶל אֶ֨רֶץ֙ אֲחֻזַּתְ/כֶ֔ם אֲשֶׁ֣ר נָתַ֣ן לָ/כֶ֗ם מֹשֶׁה֙ עֶ֣בֶד יְהוָ֔ה בְּ/עֵ֖בֶר הַ/יַּרְדֵּֽן־׀׃
STATEN

En nu, de HEERE, uw God, heeft uw broederen rust gegeven, gelijk Hij hun toegezegd had; keert dan nu wederom, en gaat gij naar uw tenten, naar het land uwer bezitting, hetwelk u Mozes, de knecht des HEEREN, gegeven heeft op gene zijde van de Jordaan.

5
רַ֣ק שִׁמְר֣וּ מְאֹ֗ד לַ/עֲשׂ֨וֹת אֶת הַ/מִּצְוָ֣ה וְ/אֶת הַ/תּוֹרָה֮ אֲשֶׁ֣ר צִוָּ֣ה אֶתְ/כֶם֮ מֹשֶׁ֣ה עֶֽבֶד יְהוָה֒ לְ֠/אַהֲבָה אֶת יְהוָ֨ה אֱלֹֽהֵי/כֶ֜ם וְ/לָ/לֶ֧כֶת בְּ/כָל דְּרָכָ֛י/ו וְ/לִ/שְׁמֹ֥ר מִצְוֺתָ֖י/ו וּ/לְ/דָבְקָה ב֑/וֹ וּ/לְ/עָבְד֕/וֹ בְּ/כָל לְבַבְ/כֶ֖ם וּ/בְ/כָל נַפְשְׁ/כֶֽם׀־־־־־־־־׃
STATEN

Alleenlijk neemt naarstiglijk waar te doen het gebod en de wet, die u Mozes, de knecht des HEEREN, geboden heeft, dat gij den HEERE, uw God, liefhebt, en dat gij wandelt in al Zijn wegen, en Zijn geboden houdt, en Hem aanhangt, en dat gij Hem dient met uw ganse hart en met uw ganse ziel.

6
וַֽ/יְבָרְכֵ֖/ם יְהוֹשֻׁ֑עַ וַֽ/יְשַׁלְּחֵ֔/ם וַ/יֵּלְכ֖וּ אֶל אָהֳלֵי/הֶֽם־׃ס
STATEN

Alzo zegende hen Jozua, en hij liet hen gaan; en zij gingen naar hun tenten.

7
וְ/לַ/חֲצִ֣י שֵׁ֣בֶט הַֽ/מְנַשֶּׁ֗ה נָתַ֣ן מֹשֶׁה֮ בַּ/בָּשָׁן֒ וּ/לְ/חֶצְי֗/וֹ נָתַ֤ן יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ עִם אֲחֵי/הֶ֔ם מ/עבר הַ/יַּרְדֵּ֖ן יָ֑מָּ/ה וְ֠/גַם כִּ֣י שִׁלְּחָ֧/ם יְהוֹשֻׁ֛עַ אֶל אָהֳלֵי/הֶ֖ם וַ/יְבָרֲכֵֽ/ם׀־־׃ בְּ/עֵ֥בֶר
STATEN

Want aan de helft van den stam van Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Bazan; maar aan de andere helft van denzelven gaf Jozua een erfdeel bij hun broederen, aan deze zijde van de Jordaan westwaarts. Verder ook als Jozua hen liet trekken naar hun tenten, zo zegende hij hen.

8
וַ/יֹּ֨אמֶר אֲלֵי/הֶ֜ם לֵ/אמֹ֗ר בִּ/נְכָסִ֨ים רַבִּ֜ים שׁ֤וּבוּ אֶל אָֽהֳלֵי/כֶם֙ וּ/בְ/מִקְנֶ֣ה רַב מְאֹ֔ד בְּ/כֶ֨סֶף וּ/בְ/זָהָ֜ב וּ/בִ/נְחֹ֧שֶׁת וּ/בְ/בַרְזֶ֛ל וּ/בִ/שְׂלָמ֖וֹת הַרְבֵּ֣ה מְאֹ֑ד חִלְק֥וּ שְׁלַל אֹיְבֵי/כֶ֖ם עִם אֲחֵי/כֶֽם־־־־׃פ
STATEN

En hij sprak tot hen, zeggende: Keert weder tot uw tenten met veel rijkdom, en met zeer veel vee, met zilver, en met goud, en met koper, en met ijzer, en met zeer veel klederen; deelt den roof uwer vijanden met uw broederen.

9
וַ/יָּשֻׁ֣בוּ וַ/יֵּלְכ֡וּ בְּנֵי רְאוּבֵ֨ן וּ/בְנֵי גָ֜ד וַ/חֲצִ֣י שֵׁ֣בֶט הַֽ/מְנַשֶּׁ֗ה מֵ/אֵת֙ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל מִ/שִּׁלֹ֖ה אֲשֶׁ֣ר בְּ/אֶֽרֶץ כְּנָ֑עַן לָ/לֶ֜כֶת אֶל אֶ֣רֶץ הַ/גִּלְעָ֗ד אֶל אֶ֤רֶץ אֲחֻזָּתָ/ם֙ אֲשֶׁ֣ר נֹֽאחֲזוּ בָ֔/הּ עַל פִּ֥י יְהוָ֖ה בְּ/יַד מֹשֶֽׁה־־׀־־־־־־׃
STATEN

Alzo keerden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse wederom, en togen van de kinderen Israëls, van Silo, dat in het land Kanaän is, om te gaan naar het land van Gilead, naar het land hunner bezitting, in hetwelk zij bezitters gemaakt waren, naar den mond des HEEREN, door den dienst van Mozes.

10
וַ/יָּבֹ֨אוּ֙ אֶל גְּלִיל֣וֹת הַ/יַּרְדֵּ֔ן אֲשֶׁ֖ר בְּ/אֶ֣רֶץ כְּנָ֑עַן וַ/יִּבְנ֣וּ בְנֵי רְאוּבֵ֣ן וּ/בְנֵי גָ֡ד וַ/חֲצִ֣י שֵׁבֶט֩ הַֽ/מְנַשֶּׁ֨ה שָׁ֤ם מִזְבֵּ֨חַ֙ עַל הַ/יַּרְדֵּ֔ן מִזְבֵּ֥חַ גָּד֖וֹל לְ/מַרְאֶֽה־־־־׃
STATEN

Toen zij kwamen aan de grenzen van de Jordaan, die in het land Kanaän zijn, zo bouwden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse aldaar een altaar aan de Jordaan, een altaar groot in het aanzien.

11
וַ/יִּשְׁמְע֥וּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל לֵ/אמֹ֑ר הִנֵּ֣ה בָנ֣וּ בְנֵֽי רְאוּבֵ֣ן וּ/בְנֵי גָ֡ד וַ/חֲצִי֩ שֵׁ֨בֶט הַֽ/מְנַשֶּׁ֜ה אֶת הַ/מִּזְבֵּ֗חַ אֶל מוּל֙ אֶ֣רֶץ כְּנַ֔עַן אֶל גְּלִילוֹת֙ הַ/יַּרְדֵּ֔ן אֶל עֵ֖בֶר בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל־־־־־־־׃
STATEN

En de kinderen Israëls hoorden zeggen: Ziet, de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse hebben een altaar gebouwd, tegenover het land Kanaän, aan de grenzen van de Jordaan, aan de zijde der kinderen Israëls.

12
וַֽ/יִּשְׁמְע֖וּ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יִּקָּ֨הֲל֜וּ כָּל עֲדַ֤ת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל֙ שִׁלֹ֔ה לַ/עֲל֥וֹת עֲלֵי/הֶ֖ם לַ/צָּבָֽא־־׃פ
STATEN

Als de kinderen Israëls dit hoorden, zo verzamelde de ganse vergadering der kinderen Israëls te Silo, dat zij tegen hen optogen met een heir.

Op De Naamdragers

Blogs over Jozua 22

Nog geen artikelen die specifiek naar Jozua 22 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →