NEVIIM

Jozua 16

יְהוֹשֻׁעַ
Hoofdstukken (24)
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יֵּצֵ֨א הַ/גּוֹרָ֜ל לִ/בְנֵ֤י יוֹסֵף֙ מִ/יַּרְדֵּ֣ן יְרִיח֔וֹ לְ/מֵ֥י יְרִיח֖וֹ מִזְרָ֑חָ/ה הַ/מִּדְבָּ֗ר עֹלֶ֧ה מִ/ירִיח֛וֹ בָּ/הָ֖ר בֵּֽית אֵֽל
STATEN

Daarna kwam het lot der kinderen van Jozef uit: van de Jordaan bij Jericho, aan het water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El;

2
וְ/יָצָ֥א מִ/בֵּֽית אֵ֖ל ל֑וּזָ/ה וְ/עָבַ֛ר אֶל גְּב֥וּל הָ/אַרְכִּ֖י עֲטָרֽוֹת
STATEN

En het komt van Beth-El uit naar Luz; en het gaat door tot de landpale des Archiets, tot Atarôth toe;

3
וְ/יָֽרַד יָ֜מָּ/ה אֶל גְּב֣וּל הַ/יַּפְלֵטִ֗י עַ֣ד גְּב֧וּל בֵּית חוֹרֹ֛ן תַּחְתּ֖וֹן וְ/עַד גָּ֑זֶר וְ/הָי֥וּ תצאת/ו יָֽמָּ/ה תֹצְאֹתָ֖י/ו
STATEN

En het gaat af tegen het westen naar de landpale Jafléti, tot aan de landpale van het benedenste Beth-hóron, en tot Gezer; en haar uitgangen zijn aan de zee.

4
וַ/יִּנְחֲל֥וּ בְנֵי יוֹסֵ֖ף מְנַשֶּׁ֥ה וְ/אֶפְרָֽיִם
STATEN

Alzo hebben hun erfdeel bekomen de kinderen van Jozef, Manasse en Efraïm.

5
וַ/יְהִ֛י גְּב֥וּל בְּנֵֽי אֶפְרַ֖יִם לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֑/ם וַ/יְהִ֞י גְּב֤וּל נַחֲלָתָ/ם֙ מִזְרָ֔חָ/ה עַטְר֣וֹת אַדָּ֔ר עַד בֵּ֥ית חוֹרֹ֖ן עֶלְיֽוֹן
STATEN

De landpale nu der kinderen van Efraïm, naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de landpale huns erfdeels was oostwaarts Atrôth-Addar tot aan het bovenste Beth-hóron.

6
וְ/יָצָ֨א הַ/גְּב֜וּל הַ/יָּ֗מָּ/ה הַֽ/מִּכְמְתָת֙ מִ/צָּפ֔וֹן וְ/נָסַ֧ב הַ/גְּב֛וּל מִזְרָ֖חָ/ה תַּאֲנַ֣ת שִׁלֹ֑ה וְ/עָבַ֣ר אוֹת֔/וֹ מִ/מִּזְרַ֖ח יָנֽוֹחָ/ה
STATEN

En deze landpale gaat uit tegen het westen bij Michmetâth, van het noorden, en deze landpale keert zich om tegen het oosten naar Tháanath-Silo, en gaat door dezelve van het oosten naar Janóah;

7
וְ/יָרַ֥ד מִ/יָּנ֖וֹחָ/ה עֲטָר֣וֹת וְ/נַעֲרָ֑תָ/ה וּ/פָגַע֙ בִּֽ/ירִיח֔וֹ וְ/יָצָ֖א הַ/יַּרְדֵּֽן
STATEN

En komt af van Janóah naar Atarôth en Náharôth, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan de Jordaan.

8
מִ/תַּפּ֜וּחַ יֵלֵ֨ךְ הַ/גְּב֥וּל יָ֨מָּ/ה֙ נַ֣חַל קָנָ֔ה וְ/הָי֥וּ תֹצְאֹתָ֖י/ו הַ/יָּ֑מָּ/ה זֹ֗את נַחֲלַ֛ת מַטֵּ֥ה בְנֵי אֶפְרַ֖יִם לְ/מִשְׁפְּחֹתָֽ/ם
STATEN

Van Tappûah gaat deze landpale westwaarts naar de beek Kana, en haar uitgangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Efraïm, naar hun huisgezinnen.

9
וְ/הֶ/עָרִ֗ים הַ/מִּבְדָּלוֹת֙ לִ/בְנֵ֣י אֶפְרַ֔יִם בְּ/ת֖וֹךְ נַחֲלַ֣ת בְּנֵֽי מְנַשֶּׁ֑ה כָּֽל הֶ/עָרִ֖ים וְ/חַצְרֵי/הֶֽן
STATEN

En de steden, die afgezonderd waren voor de kinderen van Efraïm, waren in het midden van het erfdeel der kinderen van Manasse, al die steden en haar dorpen.

10
וְ/לֹ֣א הוֹרִ֔ישׁוּ אֶת הַֽ/כְּנַעֲנִ֖י הַ/יּוֹשֵׁ֣ב בְּ/גָ֑זֶר וַ/יֵּ֨שֶׁב הַֽ/כְּנַעֲנִ֜י בְּ/קֶ֤רֶב אֶפְרַ֨יִם֙ עַד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֔ה וַ/יְהִ֖י לְ/מַס עֹבֵֽד
STATEN

En zij verdreven de Kanaänieten niet, die te Gezer woonden; alzo woonden die Kanaänieten in het midden der Efraïmieten tot op dezen dag; maar zij waren onder schatting dienende.