Ga naar inhoud
NEVIIM

Jozua 9

יְהוֹשֻׁעַ
Hoofdstukken (24)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֣י כִ/שְׁמֹ֣עַ כָּֽל הַ/מְּלָכִ֡ים אֲשֶׁר֩ בְּ/עֵ֨בֶר הַ/יַּרְדֵּ֜ן בָּ/הָ֣ר וּ/בַ/שְּׁפֵלָ֗ה וּ/בְ/כֹל֙ ח֚וֹף הַ/יָּ֣ם הַ/גָּד֔וֹל אֶל מ֖וּל הַ/לְּבָנ֑וֹן הַֽ/חִתִּי֙ וְ/הָ֣/אֱמֹרִ֔י הַֽ/כְּנַעֲנִי֙ הַ/פְּרִזִּ֔י הַ/חִוִּ֖י וְ/הַ/יְבוּסִֽי־־׃
STATEN

En het geschiedde, toen dit hoorden al de koningen, die aan deze zijde van de Jordaan waren, op het gebergte, en in de laagte, en aan alle havens der grote zee, tegenover den Libanon: de Hethieten, en de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten;

2
וַ/יִּֽתְקַבְּצ֣וּ יַחְדָּ֔ו לְ/הִלָּחֵ֥ם עִם יְהוֹשֻׁ֖עַ וְ/עִם יִשְׂרָאֵ֑ל פֶּ֖ה אֶחָֽד־־׃פ
STATEN

Zo vergaderden zij zich samen, om tegen Jozua en tegen Israël te krijgen, eenmoediglijk.

3
וְ/יֹשְׁבֵ֨י גִבְע֜וֹן שָׁמְע֗וּ אֵת֩ אֲשֶׁ֨ר עָשָׂ֧ה יְהוֹשֻׁ֛עַ לִֽ/ירִיח֖וֹ וְ/לָ/עָֽי׃
STATEN

Als de inwoners te Gíbeon hoorden, wat Jozua met Jericho en met Ai gedaan had,

4
וַ/יַּעֲשׂ֤וּ גַם הֵ֨מָּה֙ בְּ/עָרְמָ֔ה וַ/יֵּלְכ֖וּ וַ/יִּצְטַיָּ֑רוּ וַ/יִּקְח֞וּ שַׂקִּ֤ים בָּלִים֙ לַ/חֲמ֣וֹרֵי/הֶ֔ם וְ/נֹאד֥וֹת יַ֨יִן֙ בָּלִ֔ים וּ/מְבֻקָּעִ֖ים וּ/מְצֹרָרִֽים־׃
STATEN

Zo handelden zij ook arglistiglijk, en gingen heen, en veinsden zich gezanten te zijn, en zij namen oude zakken op hun ezels, en oude en gescheurde, en samengebonden lederen wijnzakken;

5
וּ/נְעָל֨וֹת בָּל֤וֹת וּ/מְטֻלָּאוֹת֙ בְּ/רַגְלֵי/הֶ֔ם וּ/שְׂלָמ֥וֹת בָּל֖וֹת עֲלֵי/הֶ֑ם וְ/כֹל֙ לֶ֣חֶם צֵידָ֔/ם יָבֵ֖שׁ הָיָ֥ה נִקֻּדִֽים׃
STATEN

Ook oude en bevlekte schoenen aan hun voeten, en zij hadden oude klederen aan, en al het brood, dat zij op hun reize hadden, was droog en beschimmeld.

6
וַ/יֵּלְכ֧וּ אֶל יְהוֹשֻׁ֛עַ אֶל הַֽ/מַּחֲנֶ֖ה הַ/גִּלְגָּ֑ל וַ/יֹּאמְר֨וּ אֵלָ֜י/ו וְ/אֶל אִ֣ישׁ יִשְׂרָאֵ֗ל מֵ/אֶ֤רֶץ רְחוֹקָה֙ בָּ֔אנוּ וְ/עַתָּ֖ה כִּרְתוּ לָ֥/נוּ בְרִֽית־־־־׃
STATEN

En zij gingen tot Jozua in het leger te Gilgal, en zij zeiden tot hem en tot de mannen van Israël: Wij zijn gekomen uit een ver land, zo maakt nu een verbond met ons.

7
ו/יאמרו אִֽישׁ יִשְׂרָאֵ֖ל אֶל הַ/חִוִּ֑י אוּלַ֗י בְּ/קִרְבִּ/י֙ אַתָּ֣ה יוֹשֵׁ֔ב וְ/אֵ֖יךְ אכרות לְ/ךָ֥ בְרִֽית וַ/יֹּ֥אמֶר אֶֽכְרָת־־־׃
STATEN

Toen zeiden de mannen van Israël tot de Hevieten: Misschien woont gijlieden in het midden van ons, hoe zullen wij dan een verbond met u maken?

8
וַ/יֹּאמְר֥וּ אֶל יְהוֹשֻׁ֖עַ עֲבָדֶ֣י/ךָ אֲנָ֑חְנוּ וַ/יֹּ֨אמֶר אֲלֵ/הֶ֧ם יְהוֹשֻׁ֛עַ מִ֥י אַתֶּ֖ם וּ/מֵ/אַ֥יִן תָּבֹֽאוּ־׃
STATEN

Zij dan zeiden tot Jozua: Wij zijn uw knechten. Toen zeide Jozua tot hen: Wie zijt gijlieden, en van waar komt gij?

9
וַ/יֹּאמְר֣וּ אֵלָ֗י/ו מֵ/אֶ֨רֶץ רְחוֹקָ֤ה מְאֹד֙ בָּ֣אוּ עֲבָדֶ֔י/ךָ לְ/שֵׁ֖ם יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֑י/ךָ כִּֽי שָׁמַ֣עְנוּ שָׁמְע֔/וֹ וְ/אֵ֛ת כָּל אֲשֶׁ֥ר עָשָׂ֖ה בְּ/מִצְרָֽיִם־־׃
STATEN

Zij nu zeiden tot hem: Uw knechten zijn uit een zeer ver land gekomen, om den Naam des HEEREN, uws Gods; want wij hebben Zijn gerucht gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft;

10
וְ/אֵ֣ת כָּל אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֗ה לִ/שְׁנֵי֙ מַלְכֵ֣י הָ/אֱמֹרִ֔י אֲשֶׁ֖ר בְּ/עֵ֣בֶר הַ/יַּרְדֵּ֑ן לְ/סִיחוֹן֙ מֶ֣לֶךְ חֶשְׁבּ֔וֹן וּ/לְ/ע֥וֹג מֶֽלֶךְ הַ/בָּשָׁ֖ן אֲשֶׁ֥ר בְּ/עַשְׁתָּרֽוֹת׀־־׃
STATEN

En alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen der Amorieten die aan gene zijde van de Jordaan waren, Sihon, den koning van Hesbon, en Og, den koning van Bazan, die te Astharôth woonde.

11
וַ/יֹּאמְר֣וּ אֵלֵ֡י/נוּ זְֽקֵינֵי/נוּ֩ וְ/כָל יֹשְׁבֵ֨י אַרְצֵ֜/נוּ לֵ/אמֹ֗ר קְח֨וּ בְ/יֶדְ/כֶ֤ם צֵידָה֙ לַ/דֶּ֔רֶךְ וּ/לְכ֖וּ לִ/קְרָאתָ֑/ם וַ/אֲמַרְתֶּ֤ם אֲלֵי/הֶם֙ עַבְדֵי/כֶ֣ם אֲנַ֔חְנוּ וְ/עַתָּ֖ה כִּרְתוּ לָ֥/נוּ בְרִֽית־־׃
STATEN

Daarom spraken tot ons onze oudsten, en al de inwoners onzes lands, zeggende: Neemt reiskost met u in uw handen op de reize, en gaat hun tegemoet, en zegt tot hen: Wij zijn ulieder knechten, zo maakt nu een verbond met ons.

12
זֶ֣ה לַחְמֵ֗/נוּ חָ֞ם הִצְטַיַּ֤דְנוּ אֹת/וֹ֙ מִ/בָּ֣תֵּ֔י/נוּ בְּ/י֥וֹם צֵאתֵ֖/נוּ לָ/לֶ֣כֶת אֲלֵי/כֶ֑ם וְ/עַתָּה֙ הִנֵּ֣ה יָבֵ֔שׁ וְ/הָיָ֖ה נִקֻּדִֽים׀׃
STATEN

Dit ons brood hebben wij warm tot onzen teerkost uit onze huizen genomen, ten dage, toen wij uittogen om tot ulieden te reizen; maar ziet, nu is het droog, en het is beschimmeld;

Op De Naamdragers

Blogs over Jozua 9

Nog geen artikelen die specifiek naar Jozua 9 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →