Ga naar inhoud
TORAH

Leviticus 22

וַיִּקְרָא
Hoofdstukken (27)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר־׃
STATEN

Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

2
דַּבֵּ֨ר אֶֽל אַהֲרֹ֜ן וְ/אֶל בָּנָ֗י/ו וְ/יִנָּֽזְרוּ֙ מִ/קָּדְשֵׁ֣י בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/לֹ֥א יְחַלְּל֖וּ אֶת שֵׁ֣ם קָדְשִׁ֑/י אֲשֶׁ֨ר הֵ֧ם מַקְדִּשִׁ֛ים לִ֖/י אֲנִ֥י יְהוָֽה־־־־׃
STATEN

Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, dat zij zich van de heilige dingen der kinderen Israëls, die zij Mij heiligen, afzonderen, opdat zij den Naam Mijner heiligheid niet ontheiligen: Ik ben de HEERE!

3
אֱמֹ֣ר אֲלֵ/הֶ֗ם לְ/דֹרֹ֨תֵי/כֶ֜ם כָּל אִ֣ישׁ אֲשֶׁר יִקְרַ֣ב מִ/כָּל זַרְעֲ/כֶ֗ם אֶל הַ/קֳּדָשִׁים֙ אֲשֶׁ֨ר יַקְדִּ֤ישׁוּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵל֙ לַֽ/יהוָ֔ה וְ/טֻמְאָת֖/וֹ עָלָ֑י/ו וְ/נִכְרְתָ֞ה הַ/נֶּ֧פֶשׁ הַ/הִ֛וא מִ/לְּ/פָנַ֖/י אֲנִ֥י יְהוָֽה־׀־־־־׃
STATEN

Zeg tot hen: Alle man onder uw geslachten, die uit uw ganse zaad tot de heilige dingen, die de kinderen Israëls den HEERE heiligen, naderen zal, als zijn onreinigheid op hem is; diezelve mens zal van voor Mijn aangezicht uitgeroeid worden; Ik ben de HEERE!

4
אִ֣ישׁ אִ֞ישׁ מִ/זֶּ֣רַע אַהֲרֹ֗ן וְ/ה֤וּא צָר֨וּעַ֙ א֣וֹ זָ֔ב בַּ/קֳּדָשִׁים֙ לֹ֣א יֹאכַ֔ל עַ֖ד אֲשֶׁ֣ר יִטְהָ֑ר וְ/הַ/נֹּגֵ֨עַ֙ בְּ/כָל טְמֵא נֶ֔פֶשׁ א֣וֹ אִ֔ישׁ אֲשֶׁר תֵּצֵ֥א מִמֶּ֖/נּוּ שִׁכְבַת זָֽרַע־־־־׃
STATEN

Niemand van het zaad van Aäron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; mitsgaders die iets aanroert, dat onrein is van een dood lichaam, of iemand, wien het zaad der bijligging ontgaat.

5
אוֹ אִישׁ֙ אֲשֶׁ֣ר יִגַּ֔ע בְּ/כָל שֶׁ֖רֶץ אֲשֶׁ֣ר יִטְמָא ל֑/וֹ א֤וֹ בְ/אָדָם֙ אֲשֶׁ֣ר יִטְמָא ל֔/וֹ לְ/כֹ֖ל טֻמְאָתֽ/וֹ־־־־׃
STATEN

Of zo wie aangeroerd zal hebben enig kruipend gedierte, waarvan hij onrein is, of een mens, waarvan hij onrein is, naar al zijn onreinigheid;

6
נֶ֚פֶשׁ אֲשֶׁ֣ר תִּגַּע בּ֔/וֹ וְ/טָמְאָ֖ה עַד הָ/עָ֑רֶב וְ/לֹ֤א יֹאכַל֙ מִן הַ/קֳּדָשִׁ֔ים כִּ֛י אִם רָחַ֥ץ בְּשָׂר֖/וֹ בַּ/מָּֽיִם־־־־׃
STATEN

De mens, die dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond, en hij zal van die heilige dingen niet eten, maar zal zijn vlees met water baden.

7
וּ/בָ֥א הַ/שֶּׁ֖מֶשׁ וְ/טָהֵ֑ר וְ/אַחַר֙ יֹאכַ֣ל מִן הַ/קֳּדָשִׁ֔ים כִּ֥י לַחְמ֖/וֹ הֽוּא־׃
STATEN

Als de zon zal ondergegaan zijn, dan zal hij rein zijn; en daarna zal hij van die heilige dingen eten; want dat is zijn spijze.

8
נְבֵלָ֧ה וּ/טְרֵפָ֛ה לֹ֥א יֹאכַ֖ל לְ/טָמְאָה בָ֑/הּ אֲנִ֖י יְהוָֽה־׃
STATEN

Het dode aas, en het verscheurde zal hij niet eten, om daarmede onrein te worden; Ik ben de HEERE!

9
וְ/שָׁמְר֣וּ אֶת מִשְׁמַרְתִּ֗/י וְ/לֹֽא יִשְׂא֤וּ עָלָי/ו֙ חֵ֔טְא וּ/מֵ֥תוּ ב֖/וֹ כִּ֣י יְחַלְּלֻ֑/הוּ אֲנִ֥י יְהוָ֖ה מְקַדְּשָֽׁ/ם־־׃
STATEN

Zij zullen dan Mijn bevel onderhouden, opdat zij geen zonde daarover dragen en daarin sterven, als zij die ontheiligd zouden hebben; Ik ben de HEERE, Die hen heilige!

10
וְ/כָל זָ֖ר לֹא יֹ֣אכַל קֹ֑דֶשׁ תּוֹשַׁ֥ב כֹּהֵ֛ן וְ/שָׂכִ֖יר לֹא יֹ֥אכַל קֹֽדֶשׁ־־־׃
STATEN

Ook zal geen vreemde het heilige eten; een bijwoner des priesters, en een dagloner, zullen het heilige niet eten.

11
וְ/כֹהֵ֗ן כִּֽי יִקְנֶ֥ה נֶ֨פֶשׁ֙ קִנְיַ֣ן כַּסְפּ֔/וֹ ה֖וּא יֹ֣אכַל בּ֑/וֹ וִ/ילִ֣יד בֵּית֔/וֹ הֵ֖ם יֹאכְל֥וּ בְ/לַחְמֽ/וֹ־׃
STATEN

Wanneer dan nog de priester een ziel met zijn geld zal gekocht hebben, die zal daarvan eten; en de ingeborene van zijn huis, die zullen van zijn spijze eten.

12
וּ/בַת כֹּהֵ֔ן כִּ֥י תִהְיֶ֖ה לְ/אִ֣ישׁ זָ֑ר הִ֕וא בִּ/תְרוּמַ֥ת הַ/קֳּדָשִׁ֖ים לֹ֥א תֹאכֵֽל־׃
STATEN

Maar als des priesters dochter een vreemden man zal toebehoren, zij zal van het hefoffer der heilige dingen niet eten.

Op De Naamdragers

Blogs over Leviticus 22

Nog geen artikelen die specifiek naar Leviticus 22 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →