Ga naar inhoud
TORAH

Leviticus 19

וַיִּקְרָא
Hoofdstukken (27)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר־
STATEN

Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

2
דַּבֵּ֞ר אֶל כָּל עֲדַ֧ת בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֛ל וְ/אָמַרְתָּ֥ אֲלֵ/הֶ֖ם קְדֹשִׁ֣ים תִּהְי֑וּ כִּ֣י קָד֔וֹשׁ אֲנִ֖י יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/כֶֽם־־־׃
STATEN

Spreek tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, en zeg tot hen: Gij zult heilig zijn, want Ik, de HEERE, uw God, ben heilig!

3
אִ֣ישׁ אִמּ֤/וֹ וְ/אָבִי/ו֙ תִּירָ֔אוּ וְ/אֶת שַׁבְּתֹתַ֖/י תִּשְׁמֹ֑רוּ אֲנִ֖י יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/כֶֽם־׃
STATEN

Want ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen, en Mijn sabbatten houden; Ik ben de HEERE, uw God!

4
אַל תִּפְנוּ֙ אֶל הָ֣/אֱלִילִ֔ים וֵֽ/אלֹהֵי֙ מַסֵּכָ֔ה לֹ֥א תַעֲשׂ֖וּ לָ/כֶ֑ם אֲנִ֖י יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/כֶֽם־־׃
STATEN

Gij zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben de HEERE, uw God!

5
וְ/כִ֧י תִזְבְּח֛וּ זֶ֥בַח שְׁלָמִ֖ים לַ/יהוָ֑ה לִֽ/רְצֹנְ/כֶ֖ם תִּזְבָּחֻֽ/הוּ׃
STATEN

En wanneer gij een dankoffer den HEERE offeren zult, naar uw welgevallen zult gij dat offeren.

6
בְּ/י֧וֹם זִבְחֲ/כֶ֛ם יֵאָכֵ֖ל וּ/מִֽ/מָּחֳרָ֑ת וְ/הַ/נּוֹתָר֙ עַד י֣וֹם הַ/שְּׁלִישִׁ֔י בָּ/אֵ֖שׁ יִשָּׂרֵֽף־׃
STATEN

Op den dag van uw offeren, en des anderen daags, zal het gegeten worden; maar wat tot op den derden dag overblijft zal met vuur verbrand worden.

7
וְ/אִ֛ם הֵאָכֹ֥ל יֵאָכֵ֖ל בַּ/יּ֣וֹם הַ/שְּׁלִישִׁ֑י פִּגּ֥וּל ה֖וּא לֹ֥א יֵרָצֶֽה׃
STATEN

En zo het op den derden dag enigszins gegeten wordt, het is een afgrijselijk ding, het zal niet aangenaam zijn.

8
וְ/אֹֽכְלָי/ו֙ עֲוֺנ֣/וֹ יִשָּׂ֔א כִּֽי אֶת קֹ֥דֶשׁ יְהוָ֖ה חִלֵּ֑ל וְ/נִכְרְתָ֛ה הַ/נֶּ֥פֶשׁ הַ/הִ֖וא מֵ/עַמֶּֽי/הָ־־׃
STATEN

En zo wie dat eet, zal zijn ongerechtigheid dragen, omdat hij het heilige des HEEREN ontheiligd heeft; daarom zal dezelve ziel, uit haar volken uitgeroeid worden.

9
וּֽ/בְ/קֻצְרְ/כֶם֙ אֶת קְצִ֣יר אַרְצְ/כֶ֔ם לֹ֧א תְכַלֶּ֛ה פְּאַ֥ת שָׂדְ/ךָ֖ לִ/קְצֹ֑ר וְ/לֶ֥קֶט קְצִֽירְ/ךָ֖ לֹ֥א תְלַקֵּֽט־׃
STATEN

Als gij ook den oogst uws lands inoogsten zult, gij zult den hoek uws velds niet ganselijk afoogsten, en dat van uw oogst op te zamelen is, niet opzamelen.

10
וְ/כַרְמְ/ךָ֙ לֹ֣א תְעוֹלֵ֔ל וּ/פֶ֥רֶט כַּרְמְ/ךָ֖ לֹ֣א תְלַקֵּ֑ט לֶֽ/עָנִ֤י וְ/לַ/גֵּר֙ תַּעֲזֹ֣ב אֹתָ֔/ם אֲנִ֖י יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/כֶֽם׃
STATEN

Insgelijks zult gij uw wijngaard niet nalezen, en de afgevallen beziën van uw wijngaard niet opzamelen; den arme en den vreemdeling zult gij die overlaten; Ik ben de HEERE, uw God!

11
לֹ֖א תִּגְנֹ֑בוּ וְ/לֹא תְכַחֲשׁ֥וּ וְ/לֹֽא תְשַׁקְּר֖וּ אִ֥ישׁ בַּ/עֲמִיתֽ/וֹ־־׃
STATEN

Gij zult niet stelen, en gij zult niet liegen, noch valselijk handelen, een iegelijk tegen zijn naaste.

12
וְ/לֹֽא תִשָּׁבְע֥וּ בִ/שְׁמִ֖/י לַ/שָּׁ֑קֶר וְ/חִלַּלְתָּ֛ אֶת שֵׁ֥ם אֱלֹהֶ֖י/ךָ אֲנִ֥י יְהוָֽה־־׃
STATEN

Gij zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen; Ik ben de HEERE.

Op De Naamdragers

Blogs over Leviticus 19

Nog geen artikelen die specifiek naar Leviticus 19 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →