Het Woord · Leviticus 21 TORAH
Leviticus 21 וַיִּקְרָא
Hoofdstukken (27)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TARGUM-ONK i TARGUM-PJ i TAHOT i SINAITICUS i STATEN i KJV i VULGATE i LUTHER i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i YLT i JPS1917 i
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֶל מֹשֶׁ֔ה אֱמֹ֥ר אֶל הַ/כֹּהֲנִ֖ים בְּנֵ֣י אַהֲרֹ֑ן וְ/אָמַרְתָּ֣ אֲלֵ/הֶ֔ם לְ/נֶ֥פֶשׁ לֹֽא יִטַּמָּ֖א בְּ/עַמָּֽי/ו־־־׃
STATEN
Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
כִּ֚י אִם לִ/שְׁאֵר֔/וֹ הַ/קָּרֹ֖ב אֵלָ֑י/ו לְ/אִמּ֣/וֹ וּ/לְ/אָבִ֔י/ו וְ/לִ/בְנ֥/וֹ וּ/לְ/בִתּ֖/וֹ וּ/לְ/אָחִֽי/ו־׃
STATEN
Behalve over zijn bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijn moeder en over zijn vader, en over zijn zoon, en over zijn dochter, en over zijn broeder.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/לַ/אֲחֹת֤/וֹ הַ/בְּתוּלָה֙ הַ/קְּרוֹבָ֣ה אֵלָ֔י/ו אֲשֶׁ֥ר לֹֽא הָיְתָ֖ה לְ/אִ֑ישׁ לָ֖/הּ יִטַּמָּֽא־׃
STATEN
En over zijn zuster, die maagd is, hem nabestaande, die nog geen man toebehoord heeft; over die zal hij zich verontreinigen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
לֹ֥א יִטַּמָּ֖א בַּ֣עַל בְּ/עַמָּ֑י/ו לְ/הֵ֖חַלּֽ/וֹ׃
STATEN
Hij zal zich niet verontreinigen over een overste onder zijn volken, om zich te ontheiligen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
לֹֽא יקרחה קָרְחָה֙ בְּ/רֹאשָׁ֔/ם וּ/פְאַ֥ת זְקָנָ֖/ם לֹ֣א יְגַלֵּ֑חוּ וּ/בִ֨/בְשָׂרָ֔/ם לֹ֥א יִשְׂרְט֖וּ שָׂרָֽטֶת־׃ יִקְרְח֤וּ
STATEN
Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen den hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
קְדֹשִׁ֤ים יִהְיוּ֙ לֵ/אלֹ֣הֵי/הֶ֔ם וְ/לֹ֣א יְחַלְּל֔וּ שֵׁ֖ם אֱלֹהֵי/הֶ֑ם כִּי֩ אֶת אִשֵּׁ֨י יְהוָ֜ה לֶ֧חֶם אֱלֹהֵי/הֶ֛ם הֵ֥ם מַקְרִיבִ֖ם וְ/הָ֥יוּ קֹֽדֶשׁ־׃
STATEN
Zij zullen hun God heilig zijn, en den Naam huns Gods zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuurofferen des HEEREN, de spijze huns Gods; daarom zullen zij heilig zijn.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
אִשָּׁ֨ה זֹנָ֤ה וַ/חֲלָלָה֙ לֹ֣א יִקָּ֔חוּ וְ/אִשָּׁ֛ה גְּרוּשָׁ֥ה מֵ/אִישָׁ֖/הּ לֹ֣א יִקָּ֑חוּ כִּֽי קָדֹ֥שׁ ה֖וּא לֵ/אלֹהָֽי/ו־׃
STATEN
Zij zullen geen vrouw nemen, die een hoer of ontheiligde is, noch een vrouw nemen, die van haar man verstoten is; want hij is zijn God heilig.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/קִדַּשְׁתּ֔/וֹ כִּֽי אֶת לֶ֥חֶם אֱלֹהֶ֖י/ךָ ה֣וּא מַקְרִ֑יב קָדֹשׁ֙ יִֽהְיֶה לָּ֔/ךְ כִּ֣י קָד֔וֹשׁ אֲנִ֥י יְהוָ֖ה מְקַדִּשְׁ/כֶֽם־־־׃
STATEN
Daarom zult gij hem heiligen, omdat hij de spijze uws Gods offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben de HEERE, Die u heilige!
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וּ/בַת֙ אִ֣ישׁ כֹּהֵ֔ן כִּ֥י תֵחֵ֖ל לִ/זְנ֑וֹת אֶת אָבִ֨י/הָ֙ הִ֣יא מְחַלֶּ֔לֶת בָּ/אֵ֖שׁ תִּשָּׂרֵֽף־׃ס
STATEN
Als nu de dochter van enigen priester zal beginnen te hoereren, zij ontheiligt haar vader; met vuur zal zij verbrand worden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/הַ/כֹּהֵן֩ הַ/גָּד֨וֹל מֵ/אֶחָ֜י/ו אֲֽשֶׁר יוּצַ֥ק עַל רֹאשׁ֣/וֹ שֶׁ֤מֶן הַ/מִּשְׁחָה֙ וּ/מִלֵּ֣א אֶת יָד֔/וֹ לִ/לְבֹּ֖שׁ אֶת הַ/בְּגָדִ֑ים אֶת רֹאשׁ/וֹ֙ לֹ֣א יִפְרָ֔ע וּ/בְגָדָ֖י/ו לֹ֥א יִפְרֹֽם־־׀־־־׃
STATEN
En hij, die de hogepriester onder zijn broederen is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft, om die klederen aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten, noch zijn klederen scheuren.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/עַ֛ל כָּל נַפְשֹׁ֥ת מֵ֖ת לֹ֣א יָבֹ֑א לְ/אָבִ֥י/ו וּ/לְ/אִמּ֖/וֹ לֹ֥א יִטַּמָּֽא־׃
STATEN
Hij zal ook bij geen dode lichamen komen; zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וּ/מִן הַ/מִּקְדָּשׁ֙ לֹ֣א יֵצֵ֔א וְ/לֹ֣א יְחַלֵּ֔ל אֵ֖ת מִקְדַּ֣שׁ אֱלֹהָ֑י/ו כִּ֡י נֵ֠זֶר שֶׁ֣מֶן מִשְׁחַ֧ת אֱלֹהָ֛י/ו עָלָ֖י/ו אֲנִ֥י יְהוָֽה־׃
STATEN
En uit het heiligdom zal hij niet uitgaan, dat hij het heiligdom zijns Gods niet ontheilige, want de kroon der zalfolie zijns Gods is op hem; Ik ben de HEERE!
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 20 ← → navigeer Hoofdstuk 22 →