Ga naar inhoud
TORAH

Leviticus 1

וַיִּקְרָא
Hoofdstukken (27)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּקְרָ֖א אֶל מֹשֶׁ֑ה וַ/יְדַבֵּ֤ר יְהוָה֙ אֵלָ֔י/ו מֵ/אֹ֥הֶל מוֹעֵ֖ד לֵ/אמֹֽר־׃
STATEN

En de HEERE riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst, zeggende:

2
דַּבֵּ֞ר אֶל בְּנֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ וְ/אָמַרְתָּ֣ אֲלֵ/הֶ֔ם אָדָ֗ם כִּֽי יַקְרִ֥יב מִ/כֶּ֛ם קָרְבָּ֖ן לַֽ/יהוָ֑ה מִן הַ/בְּהֵמָ֗ה מִן הַ/בָּקָר֙ וּ/מִן הַ/צֹּ֔אן תַּקְרִ֖יבוּ אֶת קָרְבַּנְ/כֶֽם־־־־־־׃
STATEN

Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.

3
אִם עֹלָ֤ה קָרְבָּנ/וֹ֙ מִן הַ/בָּקָ֔ר זָכָ֥ר תָּמִ֖ים יַקְרִיבֶ֑/נּוּ אֶל פֶּ֝תַח אֹ֤הֶל מוֹעֵד֙ יַקְרִ֣יב אֹת֔/וֹ לִ/רְצֹנ֖/וֹ לִ/פְנֵ֥י יְהוָֽה־־־׃
STATEN

Indien zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN.

4
וְ/סָמַ֣ךְ יָד֔/וֹ עַ֖ל רֹ֣אשׁ הָ/עֹלָ֑ה וְ/נִרְצָ֥ה ל֖/וֹ לְ/כַפֵּ֥ר עָלָֽי/ו׃
STATEN

En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.

5
וְ/שָׁחַ֛ט אֶת בֶּ֥ן הַ/בָּקָ֖ר לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֑ה וְ֠/הִקְרִיבוּ בְּנֵ֨י אַהֲרֹ֤ן הַֽ/כֹּֽהֲנִים֙ אֶת הַ/דָּ֔ם וְ/זָרְק֨וּ אֶת הַ/דָּ֤ם עַל הַ/מִּזְבֵּ֨חַ֙ סָבִ֔יב אֲשֶׁר פֶּ֖תַח אֹ֥הֶל מוֹעֵֽד־־־־־׃
STATEN

Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is.

6
וְ/הִפְשִׁ֖יט אֶת הָ/עֹלָ֑ה וְ/נִתַּ֥ח אֹתָ֖/הּ לִ/נְתָחֶֽי/הָ־׃
STATEN

Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.

7
וְ֠/נָתְנוּ בְּנֵ֨י אַהֲרֹ֧ן הַ/כֹּהֵ֛ן אֵ֖שׁ עַל הַ/מִּזְבֵּ֑חַ וְ/עָרְכ֥וּ עֵצִ֖ים עַל הָ/אֵֽשׁ־־׃
STATEN

En de zonen van Aäron, den priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.

8
וְ/עָרְכ֗וּ בְּנֵ֤י אַהֲרֹן֙ הַ/כֹּ֣הֲנִ֔ים אֵ֚ת הַ/נְּתָחִ֔ים אֶת הָ/רֹ֖אשׁ וְ/אֶת הַ/פָּ֑דֶר עַל הָ/עֵצִים֙ אֲשֶׁ֣ר עַל הָ/אֵ֔שׁ אֲשֶׁ֖ר עַל הַ/מִּזְבֵּֽחַ־־־־־׃
STATEN

Ook zullen de zonen van Aäron, de priesters, de stukken, het hoofd en het smeer, schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.

9
וְ/קִרְבּ֥/וֹ וּ/כְרָעָ֖י/ו יִרְחַ֣ץ בַּ/מָּ֑יִם וְ/הִקְטִ֨יר הַ/כֹּהֵ֤ן אֶת הַ/כֹּל֙ הַ/מִּזְבֵּ֔חָ/ה עֹלָ֛ה אִשֵּׁ֥ה רֵֽיחַ נִיח֖וֹחַ לַֽ/יהוָֽה־־׃ס
STATEN

Doch zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.

10
וְ/אִם מִן הַ/צֹּ֨אן קָרְבָּנ֧/וֹ מִן הַ/כְּשָׂבִ֛ים א֥וֹ מִן הָ/עִזִּ֖ים לְ/עֹלָ֑ה זָכָ֥ר תָּמִ֖ים יַקְרִיבֶֽ/נּוּ־־־־׃
STATEN

En indien zijn offerande is van klein vee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren.

11
וְ/שָׁחַ֨ט אֹת֜/וֹ עַ֣ל יֶ֧רֶךְ הַ/מִּזְבֵּ֛חַ צָפֹ֖נָ/ה לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֑ה וְ/זָרְק֡וּ בְּנֵי֩ אַהֲרֹ֨ן הַ/כֹּהֲנִ֧ים אֶת דָּמ֛/וֹ עַל הַ/מִּזְבֵּ֖חַ סָבִֽיב־־׃
STATEN

En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.

12
וְ/נִתַּ֤ח אֹת/וֹ֙ לִ/נְתָחָ֔י/ו וְ/אֶת רֹאשׁ֖/וֹ וְ/אֶת פִּדְר֑/וֹ וְ/עָרַ֤ךְ הַ/כֹּהֵן֙ אֹתָ֔/ם עַל הָֽ/עֵצִים֙ אֲשֶׁ֣ר עַל הָ/אֵ֔שׁ אֲשֶׁ֖ר עַל הַ/מִּזְבֵּֽחַ־־־־־׃
STATEN

Daarna zal hij het in zijn stukken delen, mitsgaders zijn hoofd en zijn smeer; en de priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.

Op De Naamdragers

Blogs over Leviticus 1

Nog geen artikelen die specifiek naar Leviticus 1 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →