TORAH

Leviticus 3

וַיִּקְרָא
Hoofdstukken (27)
123456789101112131415161718192021222324252627
Getuigen
Interlineair
1
וְ/אִם זֶ֥בַח שְׁלָמִ֖ים קָרְבָּנ֑/וֹ אִ֤ם מִן הַ/בָּקָר֙ ה֣וּא מַקְרִ֔יב אִם זָכָר֙ אִם נְקֵבָ֔ה תָּמִ֥ים יַקְרִיבֶ֖/נּוּ לִ/פְנֵ֥י יְהוָֽה
STATEN

En indien zijn offerande een dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren, voor het aangezicht des HEEREN.

2
וְ/סָמַ֤ךְ יָד/וֹ֙ עַל רֹ֣אשׁ קָרְבָּנ֔/וֹ וּ/שְׁחָט֕/וֹ פֶּ֖תַח אֹ֣הֶל מוֹעֵ֑ד וְ/זָרְק֡וּ בְּנֵי֩ אַהֲרֹ֨ן הַ/כֹּהֲנִ֧ים אֶת הַ/דָּ֛ם עַל הַ/מִּזְבֵּ֖חַ סָבִֽיב
STATEN

En hij zal zijn hand op het hoofd zijner offerande leggen, en zal ze slachten voor de deur van de tent der samenkomst; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed rondom op het altaar sprengen.

3
וְ/הִקְרִיב֙ מִ/זֶּ֣בַח הַ/שְּׁלָמִ֔ים אִשֶּׁ֖ה לַ/יהוָ֑ה אֶת הַ/חֵ֨לֶב֙ הַֽ/מְכַסֶּ֣ה אֶת הַ/קֶּ֔רֶב וְ/אֵת֙ כָּל הַ/חֵ֔לֶב אֲשֶׁ֖ר עַל הַ/קֶּֽרֶב
STATEN

Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer den HEERE offeren; het vet, dat het ingewand bedekt, en al het vet, hetwelk aan het ingewand is.

4
וְ/אֵת֙ שְׁתֵּ֣י הַ/כְּלָיֹ֔ת וְ/אֶת הַ/חֵ֨לֶב֙ אֲשֶׁ֣ר עֲלֵ/הֶ֔ן אֲשֶׁ֖ר עַל הַ/כְּסָלִ֑ים וְ/אֶת הַ/יֹּתֶ֨רֶת֙ עַל הַ/כָּבֵ֔ד עַל הַ/כְּלָי֖וֹת יְסִירֶֽ/נָּה
STATEN

Dan zal hij beide de nieren, en het vet, hetwelk daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.

5
וְ/הִקְטִ֨ירוּ אֹת֤/וֹ בְנֵֽי אַהֲרֹן֙ הַ/מִּזְבֵּ֔חָ/ה עַל הָ֣/עֹלָ֔ה אֲשֶׁ֥ר עַל הָ/עֵצִ֖ים אֲשֶׁ֣ר עַל הָ/אֵ֑שׁ אִשֵּׁ֛ה רֵ֥יחַ נִיחֹ֖חַ לַֽ/יהוָֽה
STATEN

En de zonen van Aäron zullen dat aansteken op het altaar, op het brandoffer, hetwelk op het hout zal zijn, dat op het vuur is; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.

6
וְ/אִם מִן הַ/צֹּ֧אן קָרְבָּנ֛/וֹ לְ/זֶ֥בַח שְׁלָמִ֖ים לַ/יהוָ֑ה זָכָר֙ א֣וֹ נְקֵבָ֔ה תָּמִ֖ים יַקְרִיבֶֽ/נּוּ
STATEN

En indien zijn offerande van klein vee is, den HEERE tot een dankoffer, hetzij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren.

7
אִם כֶּ֥שֶׂב הֽוּא מַקְרִ֖יב אֶת קָרְבָּנ֑/וֹ וְ/הִקְרִ֥יב אֹת֖/וֹ לִ/פְנֵ֥י יְהוָֽה
STATEN

Indien hij een lam tot zijn offerande offert, zo zal hij het offeren voor het aangezicht des HEEREN.

8
וְ/סָמַ֤ךְ אֶת יָד/וֹ֙ עַל רֹ֣אשׁ קָרְבָּנ֔/וֹ וְ/שָׁחַ֣ט אֹת֔/וֹ לִ/פְנֵ֖י אֹ֣הֶל מוֹעֵ֑ד וְ֠/זָרְקוּ בְּנֵ֨י אַהֲרֹ֧ן אֶת דָּמ֛/וֹ עַל הַ/מִּזְבֵּ֖חַ סָבִֽיב
STATEN

En hij zal zijn hand op het hoofd zijner offerande leggen, en hij zal die slachten voor de tent der samenkomst; en de zonen van Aäron zullen het bloed daarvan sprengen op het altaar rondom.

9
וְ/הִקְרִ֨יב מִ/זֶּ֣בַח הַ/שְּׁלָמִים֮ אִשֶּׁ֣ה לַ/יהוָה֒ חֶלְבּ/וֹ֙ הָ/אַלְיָ֣ה תְמִימָ֔ה לְ/עֻמַּ֥ת הֶ/עָצֶ֖ה יְסִירֶ֑/נָּה וְ/אֶת הַ/חֵ֨לֶב֙ הַֽ/מְכַסֶּ֣ה אֶת הַ/קֶּ֔רֶב וְ/אֵת֙ כָּל הַ/חֵ֔לֶב אֲשֶׁ֖ר עַל הַ/קֶּֽרֶב
STATEN

Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer den HEERE offeren; zijn vet, den gehelen staart, dien hij dicht aan de ruggegraat zal afnemen, en het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;

10
וְ/אֵת֙ שְׁתֵּ֣י הַ/כְּלָיֹ֔ת וְ/אֶת הַ/חֵ֨לֶב֙ אֲשֶׁ֣ר עֲלֵ/הֶ֔ן אֲשֶׁ֖ר עַל הַ/כְּסָלִ֑ים וְ/אֶת הַ/יֹּתֶ֨רֶת֙ עַל הַ/כָּבֵ֔ד עַל הַ/כְּלָיֹ֖ת יְסִירֶֽ/נָּה
STATEN

Ook beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever met de nieren, zal hij afnemen.

11
וְ/הִקְטִיר֥/וֹ הַ/כֹּהֵ֖ן הַ/מִּזְבֵּ֑חָ/ה לֶ֥חֶם אִשֶּׁ֖ה לַ/יהוָֽה
STATEN

En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een spijs des vuuroffers den HEERE.

12
וְ/אִ֥ם עֵ֖ז קָרְבָּנ֑/וֹ וְ/הִקְרִיב֖/וֹ לִ/פְנֵ֥י יְהוָֽה
STATEN

Indien nu zijn offerande een geit is, zo zal hij die offeren voor het aangezicht des HEEREN.

13
וְ/סָמַ֤ךְ אֶת יָד/וֹ֙ עַל רֹאשׁ֔/וֹ וְ/שָׁחַ֣ט אֹת֔/וֹ לִ/פְנֵ֖י אֹ֣הֶל מוֹעֵ֑ד וְ֠/זָרְקוּ בְּנֵ֨י אַהֲרֹ֧ן אֶת דָּמ֛/וֹ עַל הַ/מִּזְבֵּ֖חַ סָבִֽיב
STATEN

En hij zal zijn hand op haar hoofd leggen, en hij zal haar slachten voor de tent der samenkomst; en de zonen van Aäron zullen haar bloed op het altaar sprengen rondom.

14
וְ/הִקְרִ֤יב מִמֶּ֨/נּוּ֙ קָרְבָּנ֔/וֹ אִשֶּׁ֖ה לַֽ/יהוָ֑ה אֶת הַ/חֵ֨לֶב֙ הַֽ/מְכַסֶּ֣ה אֶת הַ/קֶּ֔רֶב וְ/אֵת֙ כָּל הַ/חֵ֔לֶב אֲשֶׁ֖ר עַל הַ/קֶּֽרֶב
STATEN

Dan zal hij daarvan zijn offerande offeren, een vuuroffer den HEERE; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;

15
וְ/אֵת֙ שְׁתֵּ֣י הַ/כְּלָיֹ֔ת וְ/אֶת הַ/חֵ֨לֶב֙ אֲשֶׁ֣ר עֲלֵ/הֶ֔ן אֲשֶׁ֖ר עַל הַ/כְּסָלִ֑ים וְ/אֶת הַ/יֹּתֶ֨רֶת֙ עַל הַ/כָּבֵ֔ד עַל הַ/כְּלָיֹ֖ת יְסִירֶֽ/נָּה
STATEN

Mitsgaders de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.

16
וְ/הִקְטִירָ֥/ם הַ/כֹּהֵ֖ן הַ/מִּזְבֵּ֑חָ/ה לֶ֤חֶם אִשֶּׁה֙ לְ/רֵ֣יחַ נִיחֹ֔חַ כָּל חֵ֖לֶב לַ/יהוָֽה
STATEN

En de priester zal die aansteken op het altaar; het is een spijs des vuuroffers, tot een liefelijken reuk; alle vet zal des HEEREN zijn.

17
חֻקַּ֤ת עוֹלָם֙ לְ/דֹרֹ֣תֵי/כֶ֔ם בְּ/כֹ֖ל מֽוֹשְׁבֹתֵי/כֶ֑ם כָּל חֵ֥לֶב וְ/כָל דָּ֖ם לֹ֥א תֹאכֵֽלוּ
STATEN

Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult gij eten.