TORAH

Leviticus 24

וַיִּקְרָא
Hoofdstukken (27)
123456789101112131415161718192021222324252627
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

2
צַ֞ו אֶת בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל וְ/יִקְח֨וּ אֵלֶ֜י/ךָ שֶׁ֣מֶן זַ֥יִת זָ֛ךְ כָּתִ֖ית לַ/מָּא֑וֹר לְ/הַעֲלֹ֥ת נֵ֖ר תָּמִֽיד
STATEN

Gebied den kinderen Israëls, dat zij tot u brengen zuivere gestoten olijfolie, voor den luchter, om de lampen gedurig aan te steken.

3
מִ/חוּץ֩ לְ/פָרֹ֨כֶת הָ/עֵדֻ֜ת בְּ/אֹ֣הֶל מוֹעֵ֗ד יַעֲרֹךְ֩ אֹת֨/וֹ אַהֲרֹ֜ן מֵ/עֶ֧רֶב עַד בֹּ֛קֶר לִ/פְנֵ֥י יְהוָ֖ה תָּמִ֑יד חֻקַּ֥ת עוֹלָ֖ם לְ/דֹרֹֽתֵי/כֶֽם
STATEN

Aäron zal die voor het aangezicht des HEEREN gedurig toerichten, van den avond tot den morgen, buiten den voorhang van de getuigenis, in de tent der samenkomst; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten.

4
עַ֚ל הַ/מְּנֹרָ֣ה הַ/טְּהֹרָ֔ה יַעֲרֹ֖ךְ אֶת הַ/נֵּר֑וֹת לִ/פְנֵ֥י יְהוָ֖ה תָּמִֽיד
STATEN

Hij zal op den louteren kandelaar die lampen voor het aangezicht des HEEREN gedurig toerichten.

5
וְ/לָקַחְתָּ֣ סֹ֔לֶת וְ/אָפִיתָ֣ אֹתָ֔/הּ שְׁתֵּ֥ים עֶשְׂרֵ֖ה חַלּ֑וֹת שְׁנֵי֙ עֶשְׂרֹנִ֔ים יִהְיֶ֖ה הַֽ/חַלָּ֥ה הָ/אֶחָֽת
STATEN

Gij zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn.

6
וְ/שַׂמְתָּ֥ אוֹתָ֛/ם שְׁתַּ֥יִם מַֽעֲרָכ֖וֹת שֵׁ֣שׁ הַֽ/מַּעֲרָ֑כֶת עַ֛ל הַ/שֻּׁלְחָ֥ן הַ/טָּהֹ֖ר לִ/פְנֵ֥י יְהוָֽה
STATEN

En gij zult ze in twee rijen leggen, zes in een rij, op de reine tafel, voor het aangezicht des HEEREN.

7
וְ/נָתַתָּ֥ עַל הַֽ/מַּעֲרֶ֖כֶת לְבֹנָ֣ה זַכָּ֑ה וְ/הָיְתָ֤ה לַ/לֶּ֨חֶם֙ לְ/אַזְכָּרָ֔ה אִשֶּׁ֖ה לַֽ/יהוָֽה
STATEN

En op elke rij zult gij zuiveren wierook leggen, welke het brood ten gedenkoffer zal zijn; het is een vuuroffer den HEERE.

8
בְּ/י֨וֹם הַ/שַּׁבָּ֜ת בְּ/י֣וֹם הַ/שַּׁבָּ֗ת יַֽעַרְכֶ֛/נּוּ לִ/פְנֵ֥י יְהוָ֖ה תָּמִ֑יד מֵ/אֵ֥ת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל בְּרִ֥ית עוֹלָֽם
STATEN

Op elken sabbatdag gedurig zal men dat voor het aangezicht des HEEREN toerichten, vanwege de kinderen Israëls, tot een eeuwig verbond.

9
וְ/הָֽיְתָה֙ לְ/אַהֲרֹ֣ן וּ/לְ/בָנָ֔י/ו וַ/אֲכָלֻ֖/הוּ בְּ/מָק֣וֹם קָדֹ֑שׁ כִּ֡י קֹדֶשׁ֩ קָֽדָשִׁ֨ים ה֥וּא ל֛/וֹ מֵ/אִשֵּׁ֥י יְהוָ֖ה חָק עוֹלָֽם
STATEN

En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid der heiligheden uit de vuurofferen des HEEREN, een eeuwige inzetting.

10
וַ/יֵּצֵא֙ בֶּן אִשָּׁ֣ה יִשְׂרְאֵלִ֔ית וְ/הוּא֙ בֶּן אִ֣ישׁ מִצְרִ֔י בְּ/ת֖וֹךְ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יִּנָּצוּ֙ בַּֽ/מַּחֲנֶ֔ה בֶּ֚ן הַ/יִּשְׂרְאֵלִ֔ית וְ/אִ֖ישׁ הַ/יִּשְׂרְאֵלִֽי
STATEN

En er ging de zoon ener Israëlietische vrouw uit, die, in het midden der kinderen Israëls, de zoon van een Egyptische man was; en de zoon van deze Israëlietische en een Israëlietisch man twistten in het leger.

11
וַ֠/יִּקֹּב בֶּן הָֽ/אִשָּׁ֨ה הַ/יִּשְׂרְאֵלִ֤ית אֶת הַ/שֵּׁם֙ וַ/יְקַלֵּ֔ל וַ/יָּבִ֥יאוּ אֹת֖/וֹ אֶל מֹשֶׁ֑ה וְ/שֵׁ֥ם אִמּ֛/וֹ שְׁלֹמִ֥ית בַּת דִּבְרִ֖י לְ/מַטֵּה דָֽן
STATEN

Toen lasterde de zoon der Israëlietische vrouw uitdrukkelijk den NAAM, en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes; de naam nu zijner moeder was Selomîth, de dochter van Dibri, van den stam Dan.

12
וַ/יַּנִּיחֻ֖/הוּ בַּ/מִּשְׁמָ֑ר לִ/פְרֹ֥שׁ לָ/הֶ֖ם עַל פִּ֥י יְהוָֽה
STATEN

En zij leidden hem in de gevangenis, opdat hem, naar den mond des HEEREN, verklaring geschieden zou.

13
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

14
הוֹצֵ֣א אֶת הַֽ/מְקַלֵּ֗ל אֶל מִ/חוּץ֙ לַֽ/מַּחֲנֶ֔ה וְ/סָמְכ֧וּ כָֽל הַ/שֹּׁמְעִ֛ים אֶת יְדֵי/הֶ֖ם עַל רֹאשׁ֑/וֹ וְ/רָגְמ֥וּ אֹת֖/וֹ כָּל הָ/עֵדָֽה
STATEN

Breng den vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de gehele vergadering stenigen.

15
וְ/אֶל בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל תְּדַבֵּ֣ר לֵ/אמֹ֑ר אִ֥ישׁ אִ֛ישׁ כִּֽי יְקַלֵּ֥ל אֱלֹהָ֖י/ו וְ/נָשָׂ֥א חֶטְאֽ/וֹ
STATEN

En tot de kinderen Israëls zult gij spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijn God gevloekt zal hebben, zo zal hij zijn zonde dragen.

16
וְ/נֹקֵ֤ב שֵׁם יְהוָה֙ מ֣וֹת יוּמָ֔ת רָג֥וֹם יִרְגְּמוּ ב֖/וֹ כָּל הָ/עֵדָ֑ה כַּ/גֵּר֙ כָּֽ/אֶזְרָ֔ח בְּ/נָקְב/וֹ שֵׁ֖ם יוּמָֽת
STATEN

En wie den Naam des HEEREN gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de ganse vergadering zal hem zekerlijk stenigen; alzo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij den NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden.

17
וְ/אִ֕ישׁ כִּ֥י יַכֶּ֖ה כָּל נֶ֣פֶשׁ אָדָ֑ם מ֖וֹת יוּמָֽת
STATEN

En als iemand enige ziel des mensen zal verslagen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden.

18
וּ/מַכֵּ֥ה נֶֽפֶשׁ בְּהֵמָ֖ה יְשַׁלְּמֶ֑/נָּה נֶ֖פֶשׁ תַּ֥חַת נָֽפֶשׁ
STATEN

Maar wie de ziel van enig vee zal verslagen hebben, hij zal het wedergeven, ziel voor ziel.

19
וְ/אִ֕ישׁ כִּֽי יִתֵּ֥ן מ֖וּם בַּ/עֲמִית֑/וֹ כַּ/אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֔ה כֵּ֖ן יֵעָ֥שֶׂה לּֽ/וֹ
STATEN

Als ook iemand aan zijn naaste een gebrek zal aangebracht hebben; gelijk als hij gedaan heeft, zo zal ook aan hem gedaan worden:

20
שֶׁ֚בֶר תַּ֣חַת שֶׁ֔בֶר עַ֚יִן תַּ֣חַת עַ֔יִן שֵׁ֖ן תַּ֣חַת שֵׁ֑ן כַּ/אֲשֶׁ֨ר יִתֵּ֥ן מוּם֙ בָּֽ/אָדָ֔ם כֵּ֖ן יִנָּ֥תֶן בּֽ/וֹ
STATEN

Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden.

21
וּ/מַכֵּ֥ה בְהֵמָ֖ה יְשַׁלְּמֶ֑/נָּה וּ/מַכֵּ֥ה אָדָ֖ם יוּמָֽת
STATEN

Wie dan enig vee verslaat, die zal het wedergeven; maar wie een mens verslaat, die zal gedood worden.

22
מִשְׁפַּ֤ט אֶחָד֙ יִהְיֶ֣ה לָ/כֶ֔ם כַּ/גֵּ֥ר כָּ/אֶזְרָ֖ח יִהְיֶ֑ה כִּ֛י אֲנִ֥י יְהוָ֖ה אֱלֹהֵי/כֶֽם
STATEN

Enerlei recht zult gij hebben; zo zal de vreemdeling zijn, als de inboorling; want Ik ben de HEERE, uw God!

23
וַ/יְדַבֵּ֣ר מֹשֶׁה֮ אֶל בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵל֒ וַ/יּוֹצִ֣יאוּ אֶת הַֽ/מְקַלֵּ֗ל אֶל מִ/חוּץ֙ לַֽ/מַּחֲנֶ֔ה וַ/יִּרְגְּמ֥וּ אֹת֖/וֹ אָ֑בֶן וּ/בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֣ל עָשׂ֔וּ כַּֽ/אֲשֶׁ֛ר צִוָּ֥ה יְהוָ֖ה אֶת מֹשֶֽׁה
STATEN

En Mozes zeide tot de kinderen Israëls, dat zij den vloeker tot buiten het leger uitbrengen, en hem met stenen stenigen zouden. En de kinderen Israëls deden, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.