Ga naar inhoud
TORAH

Leviticus 9

וַיִּקְרָא
Hoofdstukken (27)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִי֙ בַּ/יּ֣וֹם הַ/שְּׁמִינִ֔י קָרָ֣א מֹשֶׁ֔ה לְ/אַהֲרֹ֖ן וּ/לְ/בָנָ֑י/ו וּ/לְ/זִקְנֵ֖י יִשְׂרָאֵֽל׃
STATEN

En het geschiedde op den achtsten dag, dat Mozes riep Aäron en zijn zonen, en de oudsten van Israël;

2
וַ/יֹּ֣אמֶר אֶֽל אַהֲרֹ֗ן קַח לְ֠/ךָ עֵ֣גֶל בֶּן בָּקָ֧ר לְ/חַטָּ֛את וְ/אַ֥יִל לְ/עֹלָ֖ה תְּמִימִ֑ם וְ/הַקְרֵ֖ב לִ/פְנֵ֥י יְהוָֽה־־־׃
STATEN

En hij zeide tot Aäron: Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, die volkomen zijn; en breng ze voor het aangezicht des HEEREN.

3
וְ/אֶל בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל תְּדַבֵּ֣ר לֵ/אמֹ֑ר קְח֤וּ שְׂעִיר עִזִּים֙ לְ/חַטָּ֔את וְ/עֵ֨גֶל וָ/כֶ֧בֶשׂ בְּנֵי שָׁנָ֛ה תְּמִימִ֖ם לְ/עֹלָֽה־־־׃
STATEN

Daarna spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Neemt een geitenbok ten zondoffer, en een kalf, en een lam, eenjarig, volkomen, ten brandoffer;

4
וְ/שׁ֨וֹר וָ/אַ֜יִל לִ/שְׁלָמִ֗ים לִ/זְבֹּ֨חַ֙ לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֔ה וּ/מִנְחָ֖ה בְּלוּלָ֣ה בַ/שָּׁ֑מֶן כִּ֣י הַ/יּ֔וֹם יְהוָ֖ה נִרְאָ֥ה אֲלֵי/כֶֽם׃
STATEN

Ook een os en ram ten dankoffer, om voor het aangezicht des HEEREN te offeren; en spijsoffer met olie gemengd; want heden zal de HEERE u verschijnen.

5
וַ/יִּקְח֗וּ אֵ֚ת אֲשֶׁ֣ר צִוָּ֣ה מֹשֶׁ֔ה אֶל פְּנֵ֖י אֹ֣הֶל מוֹעֵ֑ד וַֽ/יִּקְרְבוּ֙ כָּל הָ֣/עֵדָ֔ה וַ/יַּֽעַמְד֖וּ לִ/פְנֵ֥י יְהוָֽה־־׃
STATEN

Toen namen zij hetgeen Mozes geboden had, brengende dat tot voor aan de tent der samenkomst; en de gehele vergadering naderde, en stond voor het aangezicht des HEEREN.

6
וַ/יֹּ֣אמֶר מֹשֶׁ֔ה זֶ֧ה הַ/דָּבָ֛ר אֲשֶׁר צִוָּ֥ה יְהוָ֖ה תַּעֲשׂ֑וּ וְ/יֵרָ֥א אֲלֵי/כֶ֖ם כְּב֥וֹד יְהוָֽה־׃
STATEN

En Mozes zeide: Deze zaak, die de HEERE geboden heeft, zult gij doen; en de heerlijkheid des HEEREN zal u verschijnen.

7
וַ/יֹּ֨אמֶר מֹשֶׁ֜ה אֶֽל אַהֲרֹ֗ן קְרַ֤ב אֶל הַ/מִּזְבֵּ֨חַ֙ וַ/עֲשֵׂ֞ה אֶת חַטָּֽאתְ/ךָ֙ וְ/אֶת עֹ֣לָתֶ֔/ךָ וְ/כַפֵּ֥ר בַּֽעַדְ/ךָ֖ וּ/בְעַ֣ד הָ/עָ֑ם וַ/עֲשֵׂ֞ה אֶת קָרְבַּ֤ן הָ/עָם֙ וְ/כַפֵּ֣ר בַּֽעֲדָ֔/ם כַּ/אֲשֶׁ֖ר צִוָּ֥ה יְהוָֽה־־־־־׃
STATEN

En Mozes zeide tot Aäron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer, en uw brandoffer toe; en doe verzoening voor u en voor het volk; maak daarna de offerande des volks toe, en doe de verzoening voor hen, gelijk als de HEERE geboden heeft.

8
וַ/יִּקְרַ֥ב אַהֲרֹ֖ן אֶל הַ/מִּזְבֵּ֑חַ וַ/יִּשְׁחַ֛ט אֶת עֵ֥גֶל הַ/חַטָּ֖את אֲשֶׁר לֽ/וֹ־־־׃
STATEN

Toen naderde Aäron tot het altaar, en slachtte het kalf des zondoffers, dat voor hem was.

9
וַ֠/יַּקְרִבוּ בְּנֵ֨י אַהֲרֹ֣ן אֶת הַ/דָּם֮ אֵלָי/ו֒ וַ/יִּטְבֹּ֤ל אֶצְבָּע/וֹ֙ בַּ/דָּ֔ם וַ/יִּתֵּ֖ן עַל קַרְנ֣וֹת הַ/מִּזְבֵּ֑חַ וְ/אֶת הַ/דָּ֣ם יָצַ֔ק אֶל יְס֖וֹד הַ/מִּזְבֵּֽחַ־־־־׃
STATEN

En de zonen van Aäron brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijn vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen des altaars; daarna goot hij het bloed uit aan den bodem des altaars.

10
וְ/אֶת הַ/חֵ֨לֶב וְ/אֶת הַ/כְּלָיֹ֜ת וְ/אֶת הַ/יֹּתֶ֤רֶת מִן הַ/כָּבֵד֙ מִן הַ֣/חַטָּ֔את הִקְטִ֖יר הַ/מִּזְבֵּ֑חָ/ה כַּ/אֲשֶׁ֛ר צִוָּ֥ה יְהוָ֖ה אֶת מֹשֶֽׁה־־־־־־׃
STATEN

Maar het vet, en de nieren, en het net van de lever van het zondoffer heeft hij op het altaar aangestoken, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

11
וְ/אֶת הַ/בָּשָׂ֖ר וְ/אֶת הָ/ע֑וֹר שָׂרַ֣ף בָּ/אֵ֔שׁ מִ/ח֖וּץ לַֽ/מַּחֲנֶֽה־־׃
STATEN

Doch het vlees, en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger.

12
וַ/יִּשְׁחַ֖ט אֶת הָ/עֹלָ֑ה וַ֠/יַּמְצִאוּ בְּנֵ֨י אַהֲרֹ֤ן אֵלָי/ו֙ אֶת הַ/דָּ֔ם וַ/יִּזְרְקֵ֥/הוּ עַל הַ/מִּזְבֵּ֖חַ סָבִֽיב־־־׃
STATEN

Daarna slachtte hij het brandoffer; en de zonen van Aäron leverden aan hem het bloed; en hij sprengde dat rondom op het altaar.

Op De Naamdragers

Blogs over Leviticus 9

Nog geen artikelen die specifiek naar Leviticus 9 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →