KETUVIM

2 Kronieken 12

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֗י כְּ/הָכִ֞ין מַלְכ֤וּת רְחַבְעָם֙ וּ/כְ/חֶזְקָת֔/וֹ עָזַ֖ב אֶת תּוֹרַ֣ת יְהוָ֑ה וְ/כָל יִשְׂרָאֵ֖ל עִמּֽ/וֹ
STATEN

Het geschiedde nu, als Rehábeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet des HEEREN verliet, en gans Israël met hem.

2
וַ/יְהִ֞י בַּ/שָּׁנָ֤ה הַֽ/חֲמִישִׁית֙ לַ/מֶּ֣לֶךְ רְחַבְעָ֔ם עָלָ֛ה שִׁישַׁ֥ק מֶֽלֶךְ מִצְרַ֖יִם עַל יְרוּשָׁלִָ֑ם כִּ֥י מָעֲל֖וּ בַּ/יהוָֽה
STATEN

Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van den koning Rehábeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen den HEERE),

3
בְּ/אֶ֤לֶף וּ/מָאתַ֨יִם֙ רֶ֔כֶב וּ/בְ/שִׁשִּׁ֥ים אֶ֖לֶף פָּרָשִׁ֑ים וְ/אֵ֣ין מִסְפָּ֗ר לָ/עָ֞ם אֲשֶׁר בָּ֤אוּ עִמּ/וֹ֙ מִ/מִּצְרַ֔יִם לוּבִ֥ים סֻכִּיִּ֖ים וְ/כוּשִֽׁים
STATEN

Met duizend en tweehonderd wagenen, en met zestig duizend ruiteren; en des volks was geen getal, dat met hem kwam uit Egypte, Libiërs, Suchieten en Moren;

4
וַ/יִּלְכֹּ֛ד אֶת עָרֵ֥י הַ/מְּצֻר֖וֹת אֲשֶׁ֣ר לִֽ/יהוּדָ֑ה וַ/יָּבֹ֖א עַד יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

En hij nam de vaste steden in, die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe.

5
וּֽ/שְׁמַֽעְיָ֤ה הַ/נָּבִיא֙ בָּ֣א אֶל רְחַבְעָ֔ם וְ/שָׂרֵ֣י יְהוּדָ֔ה אֲשֶׁר נֶאֶסְפ֥וּ אֶל יְרוּשָׁלִַ֖ם מִ/פְּנֵ֣י שִׁישָׁ֑ק וַ/יֹּ֨אמֶר לָ/הֶ֜ם כֹּה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה אַתֶּם֙ עֲזַבְתֶּ֣ם אֹתִ֔/י וְ/אַף אֲנִ֛י עָזַ֥בְתִּי אֶתְ/כֶ֖ם בְּ/יַד שִׁישָֽׁק
STATEN

Toen kwam Semája, de profeet, tot Rehábeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak, en hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak.

6
וַ/יִּכָּנְע֥וּ שָׂרֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל וְ/הַ/מֶּ֑לֶךְ וַ/יֹּאמְר֖וּ צַדִּ֥יק יְהוָֽה
STATEN

Toen verootmoedigden zich de oversten van Israël en de koning, en zij zeiden: De HEERE is rechtvaardig.

7
וּ/בִ/רְא֤וֹת יְהוָה֙ כִּ֣י נִכְנָ֔עוּ הָיָה֩ דְבַר יְהוָ֨ה אֶל שְׁמַֽעְיָ֧ה לֵ/אמֹ֛ר נִכְנְע֖וּ לֹ֣א אַשְׁחִיתֵ֑/ם וְ/נָתַתִּ֨י לָ/הֶ֤ם כִּ/מְעַט֙ לִ/פְלֵיטָ֔ה וְ/לֹא תִתַּ֧ךְ חֲמָתִ֛/י בִּ/ירוּשָׁלִַ֖ם בְּ/יַד שִׁישָֽׁק
STATEN

Als nu de HEERE zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des HEEREN tot Semája, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun in kort ontkoming geven, dat Mijn grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden.

8
כִּ֥י יִהְיוּ ל֖/וֹ לַ/עֲבָדִ֑ים וְ/יֵדְעוּ֙ עֲב֣וֹדָתִ֔/י וַ/עֲבוֹדַ֖ת מַמְלְכ֥וֹת הָ/אֲרָצֽוֹת
STATEN

Doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen Mijn dienst, en den dienst van de koninkrijken der landen.

9
וַ/יַּ֨עַל שִׁישַׁ֥ק מֶֽלֶךְ מִצְרַיִם֮ עַל יְרוּשָׁלִַם֒ וַ/יִּקַּ֞ח אֶת אֹצְר֣וֹת בֵּית יְהוָ֗ה וְ/אֶת אֹֽצְרוֹת֙ בֵּ֣ית הַ/מֶּ֔לֶךְ אֶת הַ/כֹּ֖ל לָקָ֑ח וַ/יִּקַּח֙ אֶת מָגִנֵּ֣י הַ/זָּהָ֔ב אֲשֶׁ֥ר עָשָׂ֖ה שְׁלֹמֹֽה
STATEN

Zo toog Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem; en hij nam de schatten van het huis des HEEREN en de schatten van het huis des konings weg; hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Sálomo gemaakt had.

10
וַ/יַּ֨עַשׂ הַ/מֶּ֤לֶךְ רְחַבְעָם֙ תַּחְתֵּי/הֶ֔ם מָגִנֵּ֖י נְחֹ֑שֶׁת וְ/הִפְקִ֗יד עַל יַד֙ שָׂרֵ֣י הָ/רָצִ֔ים הַ/שֹּׁ֣מְרִ֔ים פֶּ֖תַח בֵּ֥ית הַ/מֶּֽלֶךְ
STATEN

En de koning Rehábeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten, die de deur van het huis des konings bewaarden.

11
וַ/יְהִ֛י מִ/דֵּי ב֥וֹא הַ/מֶּ֖לֶךְ בֵּ֣ית יְהוָ֑ה בָּ֤אוּ הָ/רָצִים֙ וּ/נְשָׂא֔וּ/ם וֶ/הֱשִׁב֖וּ/ם אֶל תָּ֥א הָ/רָצִֽים
STATEN

En het geschiedde, zo wanneer de koning in het huis des HEEREN ging, dat de trawanten kwamen, en die droegen, en die wederbrachten in der trawanten wachtkamer.

12
וּ/בְ/הִכָּֽנְע֗/וֹ שָׁ֤ב מִמֶּ֨/נּוּ֙ אַף יְהוָ֔ה וְ/לֹ֥א לְ/הַשְׁחִ֖ית לְ/כָלָ֑ה וְ/גַם֙ בִּֽ/יהוּדָ֔ה הָיָ֖ה דְּבָרִ֥ים טוֹבִֽים
STATEN

En als hij zich verootmoedigde, keerde de toorn des HEEREN van hem af, opdat Hij hem niet ten uiterste toe verdierf; ook waren in Juda nog goede dingen.

13
וַ/יִּתְחַזֵּ֞ק הַ/מֶּ֧לֶךְ רְחַבְעָ֛ם בִּ/ירוּשָׁלִַ֖ם וַ/יִּמְלֹ֑ךְ כִּ֣י בֶן אַרְבָּעִ֣ים וְ/אַחַ֣ת שָׁנָה֩ רְחַבְעָ֨ם בְּ/מָלְכ֜/וֹ וּֽ/שֲׁבַ֨ע עֶשְׂרֵ֥ה שָׁנָ֣ה מָלַ֣ךְ בִּֽ/ירוּשָׁלִַ֗ם הָ֠/עִיר אֲשֶׁר בָּחַ֨ר יְהוָ֜ה לָ/שׂ֨וּם אֶת שְׁמ֥/וֹ שָׁם֙ מִ/כֹּל֙ שִׁבְטֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/שֵׁ֣ם אִמּ֔/וֹ נַעֲמָ֖ה הָֽ/עַמֹּנִֽית
STATEN

Zo versterkte zich de koning Rehábeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehábeam was een en veertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die de HEERE uit alle stammen van Israël verkoren had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Náäma, een Ammonietische.

14
וַ/יַּ֖עַשׂ הָ/רָ֑ע כִּ֣י לֹ֤א הֵכִין֙ לִבּ֔/וֹ לִ/דְר֖וֹשׁ אֶת יְהוָֽה
STATEN

En hij deed dat kwaad was, dewijl hij zijn hart niet richtte, om den HEERE te zoeken.

15
וְ/דִבְרֵ֣י רְחַבְעָ֗ם הָ/רִאשֹׁנִים֙ וְ/הָ/אֲ֣חַרוֹנִ֔ים הֲ/לֹא הֵ֨ם כְּתוּבִ֜ים בְּ/דִבְרֵ֨י שְׁמַֽעְיָ֧ה הַ/נָּבִ֛יא וְ/עִדּ֥וֹ הַ/חֹזֶ֖ה לְ/הִתְיַחֵ֑שׂ וּ/מִלְחֲמ֧וֹת רְחַבְעָ֛ם וְ/יָרָבְעָ֖ם כָּל הַ/יָּמִֽים
STATEN

De geschiedenissen nu van Rehábeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semája, den profeet, en Iddo, den ziener, verhalende de geslachtsregisteren; daartoe de krijgen van Rehábeam en Jeróbeam in al hun dagen?

16
וַ/יִּשְׁכַּ֤ב רְחַבְעָם֙ עִם אֲבֹתָ֔י/ו וַ/יִּקָּבֵ֖ר בְּ/עִ֣יר דָּוִ֑יד וַ/יִּמְלֹ֛ךְ אֲבִיָּ֥ה בְנ֖/וֹ תַּחְתָּֽי/ו
STATEN

En Rehábeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids; en zijn zoon Abía werd koning in zijn plaats.