Ga naar inhoud
KETUVIM

2 Kronieken 9

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וּ/מַֽלְכַּת שְׁבָ֗א שָֽׁמְעָה֮ אֶת שֵׁ֣מַע שְׁלֹמֹה֒ וַ/תָּב֣וֹא לְ/נַסּוֹת֩ אֶת שְׁלֹמֹ֨ה בְ/חִיד֜וֹת בִּ/ירֽוּשָׁלִַ֗ם בְּ/חַ֣יִל כָּבֵ֣ד מְאֹ֡ד וּ֠/גְמַלִּים נֹשְׂאִ֨ים בְּשָׂמִ֧ים וְ/זָהָ֛ב לָ/רֹ֖ב וְ/אֶ֣בֶן יְקָרָ֑ה וַ/תָּבוֹא֙ אֶל שְׁלֹמֹ֔ה וַ/תְּדַבֵּ֣ר עִמּ֔/וֹ אֵ֛ת כָּל אֲשֶׁ֥ר הָיָ֖ה עִם לְבָבָֽ/הּ־־־־־־׃
STATEN

En toen de koningin van Scheba het gerucht van Sálomo hoorde, kwam zij, om Sálomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, en kemelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Sálomo, en sprak met hem al wat in haar hart was.

2
וַ/יַּגֶּד לָ֥/הּ שְׁלֹמֹ֖ה אֶת כָּל דְּבָרֶ֑י/הָ וְ/לֹֽא נֶעְלַ֤ם דָּבָר֙ מִ/שְּׁלֹמֹ֔ה אֲשֶׁ֧ר לֹ֦א הִגִּ֖יד לָֽ/הּ־־־־׃
STATEN

En Sálomo verklaarde haar al haar woorden; en geen ding was er verborgen voor Sálomo, dat hij haar niet verklaarde.

3
וַ/תֵּ֨רֶא֙ מַֽלְכַּת שְׁבָ֔א אֵ֖ת חָכְמַ֣ת שְׁלֹמֹ֑ה וְ/הַ/בַּ֖יִת אֲשֶׁ֥ר בָּנָֽה־׃
STATEN

Als nu de koningin van Scheba zag de wijsheid van Sálomo, en het huis, dat hij gebouwd had,

4
וּ/מַאֲכַ֣ל שֻׁלְחָנ֡/וֹ וּ/מוֹשַׁ֣ב עֲבָדָי/ו֩ וּ/מַעֲמַ֨ד מְשָׁרְתָ֜י/ו וּ/מַלְבּֽוּשֵׁי/הֶ֗ם וּ/מַשְׁקָי/ו֙ וּ/מַלְבּ֣וּשֵׁי/הֶ֔ם וַ/עֲלִיָּת֔/וֹ אֲשֶׁ֥ר יַעֲלֶ֖ה בֵּ֣ית יְהוָ֑ה וְ/לֹא הָ֥יָה ע֛וֹד בָּ֖/הּ רֽוּחַ־׃
STATEN

En de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en het staan zijner dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en hun kledingen, en zijn opgang, waardoor hij opging in het huis des HEEREN, zo was in haar geen geest meer.

5
וַ/תֹּ֨אמֶר֙ אֶל הַ/מֶּ֔לֶךְ אֱמֶת֙ הַ/דָּבָ֔ר אֲשֶׁ֥ר שָׁמַ֖עְתִּי בְּ/אַרְצִ֑/י עַל דְּבָרֶ֖י/ךָ וְ/עַל חָכְמָתֶֽ/ךָ־־־׃
STATEN

En zij zeide tot den koning: Het is een waarachtig woord geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid.

6
וְ/לֹֽא הֶאֱמַ֣נְתִּי לְ/דִבְרֵי/הֶ֗ם עַ֤ד אֲשֶׁר בָּ֨אתִי֙ וַ/תִּרְאֶ֣ינָה עֵינַ֔/י וְ/הִנֵּה֙ לֹ֣א הֻגַּד לִ֔/י חֲצִ֖י מַרְבִּ֣ית חָכְמָתֶ֑/ךָ יָסַ֕פְתָּ עַל הַ/שְּׁמוּעָ֖ה אֲשֶׁ֥ר שָׁמָֽעְתִּי־־־־׃
STATEN

En ik heb hun woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft van de grootheid uwer wijsheid is mij niet aangezegd; gij hebt overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb.

7
אַשְׁרֵ֣י אֲנָשֶׁ֔י/ךָ וְ/אַשְׁרֵ֖י עֲבָדֶ֣י/ךָ אֵ֑לֶּה הָ/עֹמְדִ֤ים לְ/פָנֶ֨י/ךָ֙ תָּמִ֔יד וְ/שֹׁמְעִ֖ים אֶת חָכְמָתֶֽ/ךָ־׃
STATEN

Welgelukzalig zijn uw mannen, en welgelukzalig deze uw knechten, die geduriglijk voor uw aangezicht staan, en uw wijsheid horen.

8
יְהִ֨י יְהוָ֤ה אֱלֹהֶ֨י/ךָ֙ בָּר֔וּךְ אֲשֶׁ֣ר חָפֵ֣ץ בְּ/ךָ֗ לְ/תִתְּ/ךָ֤ עַל כִּסְא/וֹ֙ לְ/מֶ֔לֶךְ לַ/יהוָ֖ה אֱלֹהֶ֑י/ךָ בְּ/אַהֲבַ֨ת אֱלֹהֶ֤י/ךָ אֶת יִשְׂרָאֵל֙ לְ/הַעֲמִיד֣/וֹ לְ/עוֹלָ֔ם וַ/יִּתֶּנְ/ךָ֤ עֲלֵי/הֶם֙ לְ/מֶ֔לֶךְ לַ/עֲשׂ֖וֹת מִשְׁפָּ֥ט וּ/צְדָקָֽה׀־־׃
STATEN

Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u gehad heeft, om u op Zijn troon, den HEERE, uw God, tot een koning te zetten; overmits uw God Israël bemint, om hetzelve tot in eeuwigheid op te richten, zo heeft Hij u tot een koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.

9
וַ/תִּתֵּ֨ן לַ/מֶּ֜לֶךְ מֵאָ֥ה וְ/עֶשְׂרִ֣ים כִּכַּ֣ר זָהָ֗ב וּ/בְשָׂמִ֛ים לָ/רֹ֥ב מְאֹ֖ד וְ/אֶ֣בֶן יְקָרָ֑ה וְ/לֹ֤א הָיָה֙ כַּ/בֹּ֣שֶׂם הַ/ה֔וּא אֲשֶׁר נָתְנָ֥ה מַֽלְכַּת שְׁבָ֖א לַ/מֶּ֥לֶךְ שְׁלֹמֹֽה׀־־׃
STATEN

En zij gaf den koning honderd en twintig talenten gouds, en specerijen in grote menigte, en kostelijk gesteente; en er was gelijk deze specerij, die de koningin van Scheba den koning Sálomo gaf, geen geweest.

10
וְ/גַם עַבְדֵ֤י חירם וְ/עַבְדֵ֣י שְׁלֹמֹ֔ה אֲשֶׁר הֵבִ֥יאוּ זָהָ֖ב מֵ/אוֹפִ֑יר הֵבִ֛יאוּ עֲצֵ֥י אַלְגּוּמִּ֖ים וְ/אֶ֥בֶן יְקָרָֽה־־׃ חוּרָם֙
STATEN

Verder ook Hurams knechten, en Sálomo's knechten, die goud brachten uit Ofir, brachten algummimhout en edelgesteente.

11
וַ/יַּ֣עַשׂ הַ֠/מֶּלֶךְ אֶת עֲצֵ֨י הָֽ/אַלְגּוּמִּ֜ים מְסִלּ֤וֹת לְ/בֵית יְהוָה֙ וּ/לְ/בֵ֣ית הַ/מֶּ֔לֶךְ וְ/כִנֹּר֥וֹת וּ/נְבָלִ֖ים לַ/שָּׁרִ֑ים וְ/לֹא נִרְא֥וּ כָ/הֵ֛ם לְ/פָנִ֖ים בְּ/אֶ֥רֶץ יְהוּדָֽה־־־׃
STATEN

En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis des HEEREN en tot het huis des konings, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers; desgelijks ook was te voren in het land van Juda niet gezien geweest.

12
וְ/הַ/מֶּ֨לֶךְ שְׁלֹמֹ֜ה נָתַ֣ן לְ/מַֽלְכַּת שְׁבָ֗א אֶת כָּל חֶפְצָ/הּ֙ אֲשֶׁ֣ר שָׁאָ֔לָה מִ/לְּ/בַ֖ד אֲשֶׁר הֵבִ֣יאָה אֶל הַ/מֶּ֑לֶךְ וַֽ/תַּהֲפֹ֛ךְ וַ/תֵּ֥לֶךְ לְ/אַרְצָ֖/הּ הִ֥יא וַ/עֲבָדֶֽי/הָ־־־־־׃פ
STATEN

En de koning Sálomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde, behalve hetgeen zij tot den koning gebracht had; zo keerde zij, en toog naar haar land, zij en haar knechten.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Kronieken 9

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Kronieken 9 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →