Ga naar inhoud
KETUVIM

2 Kronieken 10

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֵּ֥לֶךְ רְחַבְעָ֖ם שְׁכֶ֑מָ/ה כִּ֥י שְׁכֶ֛ם בָּ֥אוּ כָל יִשְׂרָאֵ֖ל לְ/הַמְלִ֥יךְ אֹתֽ/וֹ־׃
STATEN

En Rehábeam toog naar Sichem; want het ganse Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.

2
וַ/יְהִ֞י כִּ/שְׁמֹ֨עַ יָרָבְעָ֤ם בֶּן נְבָט֙ וְ/ה֣וּא בְ/מִצְרַ֔יִם אֲשֶׁ֣ר בָּרַ֔ח מִ/פְּנֵ֖י שְׁלֹמֹ֣ה הַ/מֶּ֑לֶךְ וַ/יָּ֥שָׁב יָרָבְעָ֖ם מִ/מִּצְרָֽיִם־׃
STATEN

Het geschiedde nu, als Jeróbeam, de zoon van Nebat, dat hoorde (dezelve nu was in Egypte, alwaar hij van het aangezicht van den koning Sálomo gevloden was), dat Jeróbeam uit Egypte wederkeerde;

3
וַֽ/יִּשְׁלְחוּ֙ וַ/יִּקְרְאוּ ל֔/וֹ וַ/יָּבֹ֥א יָרָבְעָ֖ם וְ/כָל יִשְׂרָאֵ֑ל וַֽ/יְדַבְּר֔וּ אֶל רְחַבְעָ֖ם לֵ/אמֹֽר־־־׃
STATEN

Want zij zonden henen, en lieten hem roepen; zo kwam Jeróbeam met het ganse Israël, en zij spraken tot Rehábeam, zeggende:

4
אָבִ֖י/ךָ הִקְשָׁ֣ה אֶת עֻלֵּ֑/נוּ וְ/עַתָּ֡ה הָקֵל֩ מֵ/עֲבֹדַ֨ת אָבִ֜י/ךָ הַ/קָּשָׁ֗ה וּ/מֵ/עֻלּ֧/וֹ הַ/כָּבֵ֛ד אֲשֶׁר נָתַ֥ן עָלֵ֖י/נוּ וְ/נַֽעַבְדֶֽ/ךָּ־־׃
STATEN

Uw vader heeft ons juk hard gemaakt, nu dan, maak gij uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.

5
וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵ/הֶ֗ם ע֛וֹד שְׁלֹ֥שֶׁת יָמִ֖ים וְ/שׁ֣וּבוּ אֵלָ֑/י וַ/יֵּ֖לֶךְ הָ/עָֽם׃ס
STATEN

En hij zeide tot hen: Komt over drie dagen weder tot mij. En het volk ging heen.

6
וַ/יִּוָּעַ֞ץ הַ/מֶּ֣לֶךְ רְחַבְעָ֗ם אֶת הַ/זְּקֵנִים֙ אֲשֶׁר הָי֣וּ עֹֽמְדִ֗ים לִ/פְנֵי֙ שְׁלֹמֹ֣ה אָבִ֔י/ו בִּֽ/הְיֹת֥/וֹ חַ֖י לֵ/אמֹ֑ר אֵ֚יךְ אַתֶּ֣ם נֽוֹעָצִ֔ים לְ/הָשִׁ֥יב לָֽ/עָם הַ/זֶּ֖ה דָּבָֽר־־־׃
STATEN

En de koning Rehábeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Sálomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?

7
וַ/יְדַבְּר֨וּ אֵלָ֜י/ו לֵ/אמֹ֗ר אִם תִּֽהְיֶ֨ה לְ/ט֜וֹב לְ/הָ/עָ֤ם הַ/זֶּה֙ וּ/רְצִיתָ֔/ם וְ/דִבַּרְתָּ֥ אֲלֵ/הֶ֖ם דְּבָרִ֣ים טוֹבִ֑ים וְ/הָי֥וּ לְ/ךָ֛ עֲבָדִ֖ים כָּל הַ/יָּמִֽים־־׃
STATEN

En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij dit volk goedertieren en jegens hen goedwillig wezen zult, en tot hen goede woorden spreken, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.

8
וַֽ/יַּעֲזֹ֛ב אֶת עֲצַ֥ת הַ/זְּקֵנִ֖ים אֲשֶׁ֣ר יְעָצֻ֑/הוּ וַ/יִּוָּעַ֗ץ אֶת הַ/יְלָדִים֙ אֲשֶׁ֣ר גָּדְל֣וּ אִתּ֔/וֹ הָ/עֹמְדִ֖ים לְ/פָנָֽי/ו־־׃
STATEN

Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.

9
וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵ/הֶ֗ם מָ֚ה אַתֶּ֣ם נֽוֹעָצִ֔ים וְ/נָשִׁ֥יב דָּבָ֖ר אֶת הָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֑ה אֲשֶׁ֨ר דִּבְּר֤וּ אֵלַ/י֙ לֵ/אמֹ֔ר הָקֵל֙ מִן הָ/עֹ֔ל אֲשֶׁר נָתַ֥ן אָבִ֖י/ךָ עָלֵֽי/נוּ־־־׃
STATEN

En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter?

10
וַ/יְדַבְּר֣וּ אִתּ֗/וֹ הַ/יְלָדִים֙ אֲשֶׁ֨ר גָּדְל֣וּ אִתּ/וֹ֮ לֵ/אמֹר֒ כֹּֽה תֹאמַ֡ר לָ/עָם֩ אֲשֶׁר דִּבְּר֨וּ אֵלֶ֜י/ךָ לֵ/אמֹ֗ר אָבִ֨י/ךָ֙ הִכְבִּ֣יד אֶת עֻלֵּ֔/נוּ וְ/אַתָּ֖ה הָקֵ֣ל מֵ/עָלֵ֑י/נוּ כֹּ֚ה תֹּאמַ֣ר אֲלֵ/הֶ֔ם קָֽטָנִּ֥/י עָבָ֖ה מִ/מָּתְנֵ֥י אָבִֽ/י־־־׃
STATEN

En de jongelingen die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, dat tot u gesproken heeft, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.

11
וְ/עַתָּ֗ה אָבִ/י֙ הֶעְמִ֤יס עֲלֵי/כֶם֙ עֹ֣ל כָּבֵ֔ד וַ/אֲנִ֖י אֹסִ֣יף עַֽל עֻלְּ/כֶ֑ם אָבִ֗/י יִסַּ֤ר אֶתְ/כֶם֙ בַּ/שּׁוֹטִ֔ים וַ/אֲנִ֖י בָּֽ/עֲקְרַבִּֽים־׃ס
STATEN

Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.

12
וַ/יָּבֹ֨א יָרָבְעָ֧ם וְ/כָל הָ/עָ֛ם אֶל רְחַבְעָ֖ם בַּ/יּ֣וֹם הַ/שְּׁלִשִׁ֑י כַּ/אֲשֶׁ֨ר דִּבֶּ֤ר הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ לֵ/אמֹ֔ר שׁ֥וּבוּ אֵלַ֖/י בַּ/יּ֥וֹם הַ/שְּׁלִשִֽׁי־־׃
STATEN

Zo kwam Jeróbeam en al het volk tot Rehábeam, op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Kronieken 10

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Kronieken 10 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →