KETUVIM

2 Kronieken 31

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וּ/כְ/כַלּ֣וֹת כָּל זֹ֗את יָצְא֨וּ כָּל יִשְׂרָאֵ֥ל הַֽ/נִּמְצְאִים֮ לְ/עָרֵ֣י יְהוּדָה֒ וַ/יְשַׁבְּר֣וּ הַ/מַּצֵּב֣וֹת וַ/יְגַדְּע֣וּ הָ/אֲשֵׁרִ֡ים וַ/יְנַתְּצ֣וּ אֶת הַ֠/בָּמוֹת וְ/אֶת הַֽ/מִּזְבְּחֹ֞ת מִ/כָּל יְהוּדָ֧ה וּ/בִנְיָמִ֛ן וּ/בְ/אֶפְרַ֥יִם וּ/מְנַשֶּׁ֖ה עַד לְ/כַלֵּ֑ה וַ/יָּשׁ֜וּבוּ כָּל בְּנֵ֧י יִשְׂרָאֵ֛ל אִ֥ישׁ לַ/אֲחֻזָּת֖/וֹ לְ/עָרֵי/הֶֽם
STATEN

Als zij nu dit alles voleind hadden, togen alle Israëlieten, die er gevonden werden, uit, tot de steden van Juda, en braken de opgerichte beelden, en hieuwen de bossen af, en wierpen de hoogten en de altaren af, uit gans Juda en Benjamin, ook in Efraïm en Manasse, totdat zij alles te niet gemaakt hadden; daarna keerden al de kinderen Israëls weder, een ieder tot zijn bezitting in hun steden.

2
וַ/יַּעֲמֵ֣ד יְחִזְקִיָּ֡הוּ אֶת מַחְלְק֣וֹת הַ/כֹּהֲנִ֣ים וְ֠/הַ/לְוִיִּם עַֽל מַחְלְקוֹתָ֞/ם אִ֣ישׁ כְּ/פִ֣י עֲבֹדָת֗/וֹ לַ/כֹּהֲנִים֙ וְ/לַ/לְוִיִּ֔ם לְ/עֹלָ֖ה וְ/לִ/שְׁלָמִ֑ים לְ/שָׁרֵת֙ וּ/לְ/הֹד֣וֹת וּ/לְ/הַלֵּ֔ל בְּ/שַׁעֲרֵ֖י מַחֲנ֥וֹת יְהוָֽה
STATEN

En Hizkía bestelde de verdelingen der priesteren en der Levieten, naar hun verdelingen, een ieder naar zijn dienst, de priesteren en de Levieten tot het brandoffer en tot de dankofferen, om te dienen, en om te loven, en om te prijzen in de poort van de legers des HEEREN;

3
וּ/מְנָת֩ הַ/מֶּ֨לֶךְ מִן רְכוּשׁ֜/וֹ לָ/עֹל֗וֹת לְ/עֹלוֹת֙ הַ/בֹּ֣קֶר וְ/הָ/עֶ֔רֶב וְ/הָ֣/עֹל֔וֹת לַ/שַּׁבָּת֖וֹת וְ/לֶ/חֳדָשִׁ֣ים וְ/לַ/מֹּעֲדִ֑ים כַּ/כָּת֖וּב בְּ/תוֹרַ֥ת יְהוָֽה
STATEN

Ook het deel des konings van zijn have tot de brandofferen, tot de brandofferen des morgens en des avonds, en de brandofferen der sabbatten, en der nieuwe maanden, en der gezette hoogtijden; gelijk geschreven is in de wet des HEEREN.

4
וַ/יֹּ֤אמֶר לָ/עָם֙ לְ/יוֹשְׁבֵ֣י יְרוּשָׁלִַ֔ם לָ/תֵ֕ת מְנָ֥ת הַ/כֹּהֲנִ֖ים וְ/הַ/לְוִיִּ֑ם לְמַ֥עַן יֶחֶזְק֖וּ בְּ/תוֹרַ֥ת יְהוָֽה
STATEN

En hij zeide tot het volk, tot de inwoners van Jeruzalem, dat zij het deel der priesteren en Levieten geven zouden, opdat zij versterkt mochten worden in de wet des HEEREN.

5
וְ/כִ/פְרֹ֣ץ הַ/דָּבָ֗ר הִרְבּ֤וּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵל֙ רֵאשִׁ֣ית דָּגָ֗ן תִּיר֤וֹשׁ וְ/יִצְהָר֙ וּ/דְבַ֔שׁ וְ/כֹ֖ל תְּבוּאַ֣ת שָׂדֶ֑ה וּ/מַעְשַׂ֥ר הַ/כֹּ֛ל לָ/רֹ֖ב הֵבִֽיאוּ
STATEN

Toen nu dat woord uitbrak, brachten de kinderen Israëls vele eerstelingen van koren, most, en olie, en honig, en van al de inkomst des velds; ook brachten zij de tienden van alles in met menigte.

6
וּ/בְנֵ֧י יִשְׂרָאֵ֣ל וִֽ/יהוּדָ֗ה הַ/יּֽוֹשְׁבִים֮ בְּ/עָרֵ֣י יְהוּדָה֒ גַּם הֵ֗ם מַעְשַׂ֤ר בָּקָר֙ וָ/צֹ֔אן וּ/מַעְשַׂ֣ר קָֽדָשִׁ֔ים הַ/מְקֻדָּשִׁ֖ים לַ/יהוָ֣ה אֱלֹהֵי/הֶ֑ם הֵבִ֕יאוּ וַֽ/יִּתְּנ֖וּ עֲרֵמ֥וֹת עֲרֵמֽוֹת
STATEN

En de kinderen van Israël en Juda, die in de steden van Juda woonden, brachten ook tienden der runderen en der schapen, en tienden der heilige dingen, die den HEERE, hun God, geheiligd waren, en maakten vele hopen.

7
בַּ/חֹ֨דֶשׁ֙ הַ/שְּׁלִשִׁ֔י הֵחֵ֥לּוּ הָ/עֲרֵמ֖וֹת לְ/יִסּ֑וֹד וּ/בַ/חֹ֥דֶשׁ הַ/שְּׁבִיעִ֖י כִּלּֽוּ
STATEN

In de derde maand begonnen zij den grond van die hopen te leggen, en in de zevende maand voleindden zij.

8
וַ/יָּבֹ֨אוּ֙ יְחִזְקִיָּ֣הוּ וְ/הַ/שָּׂרִ֔ים וַ/יִּרְא֖וּ אֶת הָ/עֲרֵמ֑וֹת וַֽ/יְבָרֲכוּ֙ אֶת יְהוָ֔ה וְ/אֵ֖ת עַמּ֥/וֹ יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Toen nu Jehizkía en de vorsten kwamen en die hopen zagen, zegenden zij den HEERE en Zijn volk Israël.

9
וַ/יִּדְרֹ֣שׁ יְחִזְקִיָּ֗הוּ עַל הַ/כֹּֽהֲנִ֛ים וְ/הַ/לְוִיִּ֖ם עַל הָ/עֲרֵמֽוֹת
STATEN

En Jehizkía ondervraagde de priesteren en de Levieten aangaande die hopen.

10
וַ/יֹּ֣אמֶר אֵלָ֗י/ו עֲזַרְיָ֧הוּ הַ/כֹּהֵ֛ן הָ/רֹ֖אשׁ לְ/בֵ֣ית צָד֑וֹק וַ֠/יֹּאמֶר מֵ/הָחֵ֨ל הַ/תְּרוּמָ֜ה לָ/בִ֣יא בֵית יְהוָ֗ה אָכ֨וֹל וְ/שָׂב֤וֹעַ וְ/הוֹתֵר֙ עַד לָ/ר֔וֹב כִּ֤י יְהוָה֙ בֵּרַ֣ךְ אֶת עַמּ֔/וֹ וְ/הַ/נּוֹתָ֖ר אֶת הֶ/הָמ֥וֹן הַ/זֶּֽה
STATEN

En Azária, de hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak tot hem en zeide: Van dat men deze heffing begonnen heeft tot het huis des HEEREN te brengen, is er te eten geweest en verzadigd te worden, ja, over te houden tot overvloed toe; want de HEERE heeft Zijn volk gezegend, zodat deze veelheid overgebleven is.

11
וַ/יֹּ֣אמֶר יְחִזְקִיָּ֗הוּ לְ/הָכִ֧ין לְשָׁכ֛וֹת בְּ/בֵ֥ית יְהוָ֖ה וַ/יָּכִֽינוּ
STATEN

Toen zeide Jehizkía, dat men kameren aan het huis des HEEREN bereiden zou; en zij bereidden ze.

12
וַ/יָּבִ֨יאוּ אֶת הַ/תְּרוּמָ֧ה וְ/הַֽ/מַּעֲשֵׂ֛ר וְ/הַ/קֳּדָשִׁ֖ים בֶּ/אֱמוּנָ֑ה וַ/עֲלֵי/הֶ֤ם נָגִיד֙ כונניהו הַ/לֵּוִ֔י וְ/שִׁמְעִ֥י אָחִ֖י/הוּ מִשְׁנֶֽה כָּֽנַנְיָ֣הוּ
STATEN

Daarin brachten zij die heffing, en de tienden, en de geheiligde dingen, in getrouwigheid; en daarover was Chonánja, de Leviet, overste, en Simeï, zijn broeder, de tweede.

13
וִֽ/יחִיאֵ֡ל וַ֠/עֲזַזְיָהוּ וְ/נַ֨חַת וַ/עֲשָׂהאֵ֜ל וִֽ/ירִימ֤וֹת וְ/יוֹזָבָד֙ וֶ/אֱלִיאֵ֣ל וְ/יִסְמַכְיָ֔הוּ וּ/מַ֖חַת וּ/בְנָיָ֑הוּ פְּקִידִ֗ים מִ/יַּ֤ד כונניהו וְ/שִׁמְעִ֣י אָחִ֔י/ו בְּ/מִפְקַד֙ יְחִזְקִיָּ֣הוּ הַ/מֶּ֔לֶךְ וַ/עֲזַרְיָ֖הוּ נְגִ֥יד בֵּית הָ/אֱלֹהִֽים כָּֽנַנְיָ֨הוּ֙
STATEN

Maar Jehíël, en Azázja, en Nahath, en Asahel, en Jerimôth, en Józabad, en Eliël, en Jismachja, en Mahath, en Benája, waren opzieners, onder de hand van Chonánja en Simeï, zijn broeder; door het bevel van den koning Jehizkía en van Azária, den overste van het huis Gods.

14
וְ/קוֹרֵ֨א בֶן יִמְנָ֤ה הַ/לֵּוִי֙ הַ/שּׁוֹעֵ֣ר לַ/מִּזְרָ֔חָ/ה עַ֖ל נִדְב֣וֹת הָ/אֱלֹהִ֑ים לָ/תֵת֙ תְּרוּמַ֣ת יְהוָ֔ה וְ/קָדְשֵׁ֖י הַ/קֳּדָשִֽׁים
STATEN

En Koré, de zoon van Jimna, de Leviet, de poortier tegen het oosten, was over de vrijwillige gaven Gods, om het hefoffer des HEEREN en het allerheiligste uit te delen.

15
וְ/עַל יָד֡/וֹ עֵ֣דֶן וּ֠/מִנְיָמִן וְ/יֵשׁ֨וּעַ וּֽ/שְׁמַֽעְיָ֜הוּ אֲמַרְיָ֧הוּ וּ/שְׁכַנְיָ֛הוּ בְּ/עָרֵ֥י הַ/כֹּהֲנִ֖ים בֶּ/אֱמוּנָ֑ה לָ/תֵ֤ת לַ/אֲחֵי/הֶם֙ בְּ/מַחְלְק֔וֹת כַּ/גָּד֖וֹל כַּ/קָּטָֽן
STATEN

En aan zijn hand waren Eden, en Minjamin, en Jésua, en Semája, Amárja en Sechánja, in de steden der priesteren, met getrouwigheid, om aan hun broederen in de verdelingen, zowel aan de kleinen als de groten, uit te delen:

16
מִ/לְּ/בַ֞ד הִתְיַחְשָׂ֣/ם לִ/זְכָרִ֗ים מִ/בֶּ֨ן שָׁל֤וֹשׁ שָׁנִים֙ וּ/לְ/מַ֔עְלָ/ה לְ/כָל הַ/בָּ֥א לְ/בֵית יְהוָ֖ה לִ/דְבַר י֣וֹם בְּ/יוֹמ֑/וֹ לַ/עֲב֣וֹדָתָ֔/ם בְּ/מִשְׁמְרוֹתָ֖/ם כְּ/מַחְלְקוֹתֵי/הֶֽם
STATEN

(Benevens die gesteld waren in het geslachtsregister der manspersonen, drie jaren oud en daarboven) allen, die in het huis des HEEREN gingen, tot het dagelijkse werk op elken dag, voor hun dienst, in hun wachten, naar hun verdelingen.

17
וְ/אֵ֨ת הִתְיַחֵ֤שׂ הַ/כֹּהֲנִים֙ לְ/בֵ֣ית אֲבוֹתֵי/הֶ֔ם וְ/הַ֨/לְוִיִּ֔ם מִ/בֶּ֛ן עֶשְׂרִ֥ים שָׁנָ֖ה וּ/לְ/מָ֑עְלָ/ה בְּ/מִשְׁמְרוֹתֵי/הֶ֖ם בְּ/מַחְלְקוֹתֵי/הֶֽם
STATEN

En met die gesteld waren in het geslachtsregister der priesteren, naar het huis hunner vaderen, ook de Levieten van twintig jaren oud en daarboven, in hun wachten, naar hun verdelingen;

18
וּ/לְ/הִתְיַחֵ֗שׂ בְּ/כָל טַפָּ֧/ם נְשֵׁי/הֶ֛ם וּ/בְנֵי/הֶ֥ם וּ/בְנוֹתֵי/הֶ֖ם לְ/כָל קָהָ֑ל כִּ֥י בֶ/אֱמוּנָתָ֖/ם יִתְקַדְּשׁוּ קֹֽדֶשׁ
STATEN

Ook tot de geslachtsrekening met al hun kinderkens, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochteren, door de ganse gemeente; want zij hadden zich in hun ambt in heiligheid geheiligd.

19
וְ/לִ/בְנֵי֩ אַהֲרֹ֨ן הַ/כֹּהֲנִ֜ים בִּ/שְׂדֵ֨י מִגְרַ֤שׁ עָרֵי/הֶם֙ בְּ/כָל עִ֣יר וָ/עִ֔יר אֲנָשִׁ֕ים אֲשֶׁ֥ר נִקְּב֖וּ בְּ/שֵׁמ֑וֹת לָ/תֵ֣ת מָנ֗וֹת לְ/כָל זָכָר֙ בַּ/כֹּ֣הֲנִ֔ים וּ/לְ/כָל הִתְיַחֵ֖שׂ בַּ/לְוִיִּֽם
STATEN

Ook waren onder de kinderen van Aäron, de priesteren, op de velden der voorsteden hunner steden, in elke stad, mannen, die met namen uitgedrukt waren, om aan alle manspersonen onder de priesteren, en aan allen, die in het geslachtsregister onder de Levieten gesteld waren, delen te geven.

20
וַ/יַּ֧עַשׂ כָּ/זֹ֛את יְחִזְקִיָּ֖הוּ בְּ/כָל יְהוּדָ֑ה וַ/יַּ֨עַשׂ הַ/טּ֤וֹב וְ/הַ/יָּשָׁר֙ וְ/הָ֣/אֱמֶ֔ת לִ/פְנֵ֖י יְהוָ֥ה אֱלֹהָֽי/ו
STATEN

En alzo deed Jehizkía in geheel Juda; en hij deed dat goed, en recht, en waarachtig was, voor het aangezicht des HEEREN, zijns Gods.

21
וּ/בְ/כָֽל מַעֲשֶׂ֞ה אֲשֶׁר הֵחֵ֣ל בַּ/עֲבוֹדַ֣ת בֵּית הָ/אֱלֹהִ֗ים וּ/בַ/תּוֹרָה֙ וּ/בַ/מִּצְוָ֔ה לִ/דְרֹ֖שׁ לֵֽ/אלֹהָ֑י/ו בְּ/כָל לְבָב֥/וֹ עָשָׂ֖ה וְ/הִצְלִֽיחַ
STATEN

En in alle werk, dat hij begon in den dienst van het huis Gods, en in de wet en in het gebod, om zijn God te zoeken, deed hij met zijn ganse hart, en had voorspoed.