Ga naar inhoud
KETUVIM

2 Kronieken 32

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
אַחֲרֵ֨י הַ/דְּבָרִ֤ים וְ/הָ/אֱמֶת֙ הָ/אֵ֔לֶּה בָּ֖א סַנְחֵרִ֣יב מֶֽלֶךְ אַשּׁ֑וּר וַ/יָּבֹ֣א בִֽ/יהוּדָ֗ה וַ/יִּ֨חַן֙ עַל הֶ/עָרִ֣ים הַ/בְּצֻר֔וֹת וַ/יֹּ֖אמֶר לְ/בִקְעָ֥/ם אֵלָֽי/ו־־׃
STATEN

Na deze geschiedenissen en derzelver bevestiging, kwam Sanherib, de koning van Assyrië, en toog in Juda, en legerde zich tegen de vaste steden, en dacht ze tot zich af te scheuren.

2
וַ/יַּרְא֙ יְחִזְקִיָּ֔הוּ כִּי בָ֖א סַנְחֵרִ֑יב וּ/פָנָ֕י/ו לַ/מִּלְחָמָ֖ה עַל יְרוּשָׁלִָֽם־־׃
STATEN

Jehizkía nu ziende, dat Sanherib kwam, en zijn aangezicht was tot den krijg tegen Jeruzalem;

3
וַ/יִּוָּעַ֗ץ עִם שָׂרָי/ו֙ וְ/גִבֹּרָ֔י/ו לִ/סְתּוֹם֙ אֶת מֵימֵ֣י הָ/עֲיָנ֔וֹת אֲשֶׁ֖ר מִ/ח֣וּץ לָ/עִ֑יר וַֽ/יַּעְזְרֽוּ/הוּ־־׃
STATEN

Zo hield hij raad met zijn vorsten en zijn helden, om de fonteinwateren te stoppen, die buiten de stad waren; en zij hielpen hem.

4
וַ/יִּקָּבְצ֣וּ עַם רָ֔ב וַֽ/יִּסְתְּמוּ֙ אֶת כָּל הַ/מַּעְיָנ֔וֹת וְ/אֶת הַ/נַּ֛חַל הַ/שּׁוֹטֵ֥ף בְּ/תוֹךְ הָ/אָ֖רֶץ לֵ/אמֹ֑ר לָ֤/מָּה יָב֨וֹאוּ֙ מַלְכֵ֣י אַשּׁ֔וּר וּ/מָצְא֖וּ מַ֥יִם רַבִּֽים־־־־־׃
STATEN

Want veel volks werd vergaderd, dat al de fonteinen stopte, mitsgaders de beek, die door het midden des lands henenvloeide, zeggende: Waarom zouden de koningen van Assyrië komen, en veel waters vinden?

5
וַ/יִּתְחַזַּ֡ק וַ/יִּבֶן֩ אֶת כָּל הַ/חוֹמָ֨ה הַ/פְּרוּצָ֜ה וַ/יַּ֣עַל עַל הַ/מִּגְדָּל֗וֹת וְ/לַ/ח֨וּצָ/ה֙ הַ/חוֹמָ֣ה אַחֶ֔רֶת וַ/יְחַזֵּ֥ק אֶת הַ/מִּלּ֖וֹא עִ֣יר דָּוִ֑יד וַ/יַּ֥עַשׂ שֶׁ֛לַח לָ/רֹ֖ב וּ/מָגִנִּֽים־־־־׃
STATEN

Zo versterkte hij zich, en bouwde den gehelen muur op, die gebroken was, dien hij optrok tot aan de torens, met een anderen muur daarbuiten, en hij versterkte Millo in de stad Davids; en hij maakte geweer en schilden in menigte.

6
וַ/יִּתֵּ֛ן שָׂרֵ֥י מִלְחָמ֖וֹת עַל הָ/עָ֑ם וַ/יִּקְבְּצֵ֣/ם אֵלָ֗י/ו אֶל רְחוֹב֙ שַׁ֣עַר הָ/עִ֔יר וַ/יְדַבֵּ֥ר עַל לְבָבָ֖/ם לֵ/אמֹֽר־־־׃
STATEN

En hij stelde krijgsoversten over het volk, en hij vergaderde hen tot zich in de straat der stadspoort, en sprak naar hun hart, zeggende:

7
חִזְק֣וּ וְ/אִמְצ֔וּ אַל תִּֽירְא֣וּ וְ/אַל תֵּחַ֗תּוּ מִ/פְּנֵי֙ מֶ֣לֶךְ אַשּׁ֔וּר וּ/מִ/לִּ/פְנֵ֖י כָּל הֶ/הָמ֣וֹן אֲשֶׁר עִמּ֑/וֹ כִּֽי עִמָּ֥/נוּ רַ֖ב מֵ/עִמּֽ/וֹ־־־־־׃
STATEN

Zijt sterk, en hebt een goeden moed, vreest niet, en ontzet u niet, voor het aangezicht des konings van Assyrië, noch voor het aangezicht der ganse menigte, die met hem is; want met ons is er meer, dan met hem.

8
עִמּ/וֹ֙ זְר֣וֹעַ בָּשָׂ֔ר וְ/עִמָּ֜/נוּ יְהוָ֤ה אֱלֹהֵ֨י/נוּ֙ לְ/עָזְרֵ֔/נוּ וּ/לְ/הִלָּחֵ֖ם מִלְחֲמֹתֵ֑/נוּ וַ/יִּסָּמְכ֣וּ הָ/עָ֔ם עַל דִּבְרֵ֖י יְחִזְקִיָּ֥הוּ מֶֽלֶךְ יְהוּדָֽה־־׃פ
STATEN

Met hem is een vleselijke arm, maar met ons is de HEERE, onze God, om ons te helpen, en om onze krijgen te krijgen. En het volk steunde op de woorden van Jehizkía, den koning van Juda.

9
אַ֣חַר זֶ֗ה שָׁ֠לַח סַנְחֵרִ֨יב מֶֽלֶךְ אַשּׁ֤וּר עֲבָדָי/ו֙ יְר֣וּשָׁלַ֔יְמָ/ה וְ/הוּא֙ עַל לָכִ֔ישׁ וְ/כָל מֶמְשַׁלְתּ֖/וֹ עִמּ֑/וֹ עַל יְחִזְקִיָּ֨הוּ֙ מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֔ה וְ/עַל כָּל יְהוּדָ֛ה אֲשֶׁ֥ר בִּ/ירוּשָׁלִַ֖ם לֵ/אמֹֽר־־־־־־׃
STATEN

Na dezen zond Sanherib, de koning van Assyrië, zijn knechten naar Jeruzalem, (doch hij zelf was voor Lachis, en al zijn heerschappij met hem) tot Jehizkía, den koning van Juda, en tot het ganse Juda, dat te Jeruzalem was, zeggende:

10
כֹּ֣ה אָמַ֔ר סַנְחֵרִ֖יב מֶ֣לֶךְ אַשּׁ֑וּר עַל מָה֙ אַתֶּ֣ם בֹּטְחִ֔ים וְ/יֹשְׁבִ֥ים בְּ/מָצ֖וֹר בִּ/ירוּשָׁלִָֽם־׃
STATEN

Zo zegt Sanherib, de koning van Assyrië: Waarop vertrouwt gij, dat gij te Jeruzalem blijft in de vesting?

11
הֲ/לֹ֤א יְחִזְקִיָּ֨הוּ֙ מַסִּ֣ית אֶתְ/כֶ֔ם לָ/תֵ֣ת אֶתְ/כֶ֔ם לָ/מ֛וּת בְּ/רָעָ֥ב וּ/בְ/צָמָ֖א לֵ/אמֹ֑ר יְהוָ֣ה אֱלֹהֵ֔י/נוּ יַצִּילֵ֕/נוּ מִ/כַּ֖ף מֶ֥לֶךְ אַשּֽׁוּר׃
STATEN

Ruit u Jehizkía niet op, dat hij u overgeve, om door honger en door dorst te sterven, zeggende: De HEERE, onze God, zal ons uit de hand des konings van Assyrië redden?

12
הֲ/לֹא הוּא֙ יְחִזְקִיָּ֔הוּ הֵסִ֥יר אֶת בָּמֹתָ֖י/ו וְ/אֶת מִזְבְּחֹתָ֑י/ו וַ/יֹּ֨אמֶר לִֽ/יהוּדָ֤ה וְ/לִֽ/ירוּשָׁלִַ֨ם֙ לֵ/אמֹ֔ר לִ/פְנֵ֨י מִזְבֵּ֧חַ אֶחָ֛ד תִּֽשְׁתַּחֲו֖וּ וְ/עָלָ֥י/ו תַּקְטִֽירוּ־־־׃
STATEN

Heeft niet dezelfde Jehizkía Zijn hoogten en Zijn altaren weggenomen, en tot Juda en tot Jeruzalem gesproken, zeggende: Voor het enige altaar zult gij u nederbuigen, en daarop roken?

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Kronieken 32

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Kronieken 32 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →