Ga naar inhoud
KETUVIM

2 Kronieken 33

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בֶּן שְׁתֵּ֥ים עֶשְׂרֵ֛ה שָׁנָ֖ה מְנַשֶּׁ֣ה בְ/מָלְכ֑/וֹ וַ/חֲמִשִּׁ֤ים וְ/חָמֵשׁ֙ שָׁנָ֔ה מָלַ֖ךְ בִּ/ירוּשָׁלִָֽם־׃
STATEN

Manasse was twaalf jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem.

2
וַ/יַּ֥עַשׂ הָ/רַ֖ע בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָ֑ה כְּ/תֽוֹעֲבוֹת֙ הַ/גּוֹיִ֔ם אֲשֶׁר֙ הוֹרִ֣ישׁ יְהוָ֔ה מִ/פְּנֵ֖י בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל׃
STATEN

En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had.

3
וַ/יָּ֗שָׁב וַ/יִּ֨בֶן֙ אֶת הַ/בָּמ֔וֹת אֲשֶׁ֥ר נִתַּ֖ץ יְחִזְקִיָּ֣הוּ אָבִ֑י/ו וַ/יָּ֨קֶם מִזְבְּח֤וֹת לַ/בְּעָלִים֙ וַ/יַּ֣עַשׂ אֲשֵׁר֔וֹת וַ/יִּשְׁתַּ֨חוּ֙ לְ/כָל צְבָ֣א הַ/שָּׁמַ֔יִם וַֽ/יַּעֲבֹ֖ד אֹתָֽ/ם־־׃
STATEN

Want hij bouwde de hoogten weder op, die zijn vader Jehizkía afgebroken had, en richtte den Baäls altaren op, en maakte bossen, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze;

4
וּ/בָנָ֥ה מִזְבְּח֖וֹת בְּ/בֵ֣ית יְהוָ֑ה אֲשֶׁר֙ אָמַ֣ר יְהוָ֔ה בִּ/ירוּשָׁלִַ֥ם יִֽהְיֶה שְּׁמִ֖/י לְ/עוֹלָֽם־׃
STATEN

En bouwde altaren in het huis des HEEREN, van hetwelk de HEERE gezegd had: Te Jeruzalem zal Mijn Naam zijn tot in eeuwigheid.

5
וַ/יִּ֥בֶן מִזְבְּח֖וֹת לְ/כָל צְבָ֣א הַ/שָּׁמָ֑יִם בִּ/שְׁתֵּ֖י חַצְר֥וֹת בֵּית יְהוָֽה־־׃
STATEN

Daartoe bouwde hij altaren voor al het heir des hemels, in beide de voorhoven van het huis des HEEREN.

6
וְ/הוּא֩ הֶעֱבִ֨יר אֶת בָּנָ֤י/ו בָּ/אֵשׁ֙ בְּ/גֵ֣י בֶן הִנֹּ֔ם וְ/עוֹנֵ֤ן וְ/נִחֵשׁ֙ וְֽ/כִשֵּׁ֔ף וְ/עָ֥שָׂה א֖וֹב וְ/יִדְּעוֹנִ֑י הִרְבָּ֗ה לַ/עֲשׂ֥וֹת הָ/רַ֛ע בְּ/עֵינֵ֥י יְהוָ֖ה לְ/הַכְעִיסֽ/וֹ־־׃
STATEN

En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal des zoons van Hinnom, en pleegde guichelarij, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.

7
וַ/יָּ֕שֶׂם אֶת פֶּ֥סֶל הַ/סֶּ֖מֶל אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֑ה בְּ/בֵ֣ית הָ/אֱלֹהִ֗ים אֲשֶׁ֨ר אָמַ֤ר אֱלֹהִים֙ אֶל דָּוִיד֙ וְ/אֶל שְׁלֹמֹ֣ה בְנ֔/וֹ בַּ/בַּ֨יִת הַ/זֶּ֜ה וּ/בִֽ/ירוּשָׁלִַ֗ם אֲשֶׁ֤ר בָּחַ֨רְתִּי֙ מִ/כֹּל֙ שִׁבְטֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אָשִׂ֥ים אֶת שְׁמִ֖/י לְ/עֵילֽוֹם־־־־׃
STATEN

Hij stelde ook de gelijkenis van een gesneden beeld, die hij gemaakt had, in het huis Gods, van hetwelk God gezegd had tot David en tot zijn zoon Sálomo: In dit huis, en te Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël verkoren heb, zal Ik Mijn Naam zetten tot in eeuwigheid.

8
וְ/לֹ֣א אוֹסִ֗יף לְ/הָסִיר֙ אֶת רֶ֣גֶל יִשְׂרָאֵ֔ל מֵ/עַל֙ הָֽ/אֲדָמָ֔ה אֲשֶׁ֥ר הֶֽעֱמַ֖דְתִּי לַ/אֲבֹֽתֵי/כֶ֑ם רַ֣ק אִם יִשְׁמְר֣וּ לַ/עֲשׂ֗וֹת אֵ֚ת כָּל אֲשֶׁ֣ר צִוִּיתִ֔י/ם לְ/כָל הַ/תּוֹרָ֛ה וְ/הַֽ/חֻקִּ֥ים וְ/הַ/מִּשְׁפָּטִ֖ים בְּ/יַד מֹשֶֽׁה־׀־־־־׃
STATEN

En Ik zal den voet van Israël niet meer doen wijken van het land, dat Ik uw vaderen besteld heb; alleenlijk zo zij waarnemen te doen, al hetgeen Ik hun geboden heb, naar de ganse wet, en inzettingen, en rechten, door de hand van Mozes.

9
וַ/יֶּ֣תַע מְנַשֶּׁ֔ה אֶת יְהוּדָ֖ה וְ/יֹשְׁבֵ֣י יְרוּשָׁלִָ֑ם לַ/עֲשׂ֣וֹת רָ֔ע מִן הַ֨/גּוֹיִ֔ם אֲשֶׁר֙ הִשְׁמִ֣יד יְהוָ֔ה מִ/פְּנֵ֖י בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל־־׃פ
STATEN

Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdelgd had.

10
וַ/יְדַבֵּ֧ר יְהוָ֛ה אֶל מְנַשֶּׁ֥ה וְ/אֶל עַמּ֖/וֹ וְ/לֹ֥א הִקְשִֽׁיבוּ־־׃
STATEN

De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op.

11
וַ/יָּבֵ֨א יְהוָ֜ה עֲלֵי/הֶ֗ם אֶת שָׂרֵ֤י הַ/צָּבָא֙ אֲשֶׁר֙ לְ/מֶ֣לֶךְ אַשּׁ֔וּר וַ/יִּלְכְּד֥וּ אֶת מְנַשֶּׁ֖ה בַּ/חֹחִ֑ים וַ/יַּֽאַסְרֻ֨/הוּ֙ בַּֽ/נְחֻשְׁתַּ֔יִם וַ/יּוֹלִיכֻ֖/הוּ בָּבֶֽלָ/ה־־׃
STATEN

Daarom bracht de HEERE over hen de krijgsoversten, die de koning van Assyrië had, dewelke Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.

12
וּ/כְ/הָצֵ֣ר ל֔/וֹ חִלָּ֕ה אֶת פְּנֵ֖י יְהוָ֣ה אֱלֹהָ֑י/ו וַ/יִּכָּנַ֣ע מְאֹ֔ד מִ/לִּ/פְנֵ֖י אֱלֹהֵ֥י אֲבֹתָֽי/ו־׃
STATEN

En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des HEEREN, zijns Gods, ernstelijk aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van den God zijner vaderen,

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Kronieken 33

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Kronieken 33 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →