KETUVIM

2 Kronieken 3

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יָּ֣חֶל שְׁלֹמֹ֗ה לִ/בְנ֤וֹת אֶת בֵּית יְהוָה֙ בִּ/יר֣וּשָׁלִַ֔ם בְּ/הַר֙ הַ/מּ֣וֹרִיָּ֔ה אֲשֶׁ֥ר נִרְאָ֖ה לְ/דָוִ֣יד אָבִ֑י/הוּ אֲשֶׁ֤ר הֵכִין֙ בִּ/מְק֣וֹם דָּוִ֔יד בְּ/גֹ֖רֶן אָרְנָ֥ן הַ/יְבוּסִֽי
STATEN

En Sálomo begon het huis des HEEREN te bouwen te Jeruzalem, op den berg Moría, die zijn vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet.

2
וַ֠/יָּחֶל לִ/בְנ֞וֹת בַּ/חֹ֤דֶשׁ הַ/שֵּׁנִי֙ בַּ/שֵּׁנִ֔י בִּ/שְׁנַ֥ת אַרְבַּ֖ע לְ/מַלְכוּתֽ/וֹ
STATEN

Hij begon nu te bouwen in de tweede maand, op den tweeden dag, in het vierde jaar van zijn koninkrijk.

3
וְ/אֵ֨לֶּה֙ הוּסַ֣ד שְׁלֹמֹ֔ה לִ/בְנ֖וֹת אֶת בֵּ֣ית הָ/אֱלֹהִ֑ים הָ/אֹ֡רֶךְ אַמּ֞וֹת בַּ/מִּדָּ֤ה הָ/רִֽאשׁוֹנָה֙ אַמּ֣וֹת שִׁשִּׁ֔ים וְ/רֹ֖חַב אַמּ֥וֹת עֶשְׂרִֽים
STATEN

En deze zijn de grondleggingen van Sálomo, om het huis Gods te bouwen: de lengte in ellen, naar de eerste mate, was zestig ellen, en de breedte twintig ellen.

4
וְ/הָ/אוּלָ֡ם אֲשֶׁר֩ עַל פְּנֵ֨י הָ/אֹ֜רֶךְ עַל פְּנֵ֤י רֹֽחַב הַ/בַּ֨יִת֙ אַמּ֣וֹת עֶשְׂרִ֔ים וְ/הַ/גֹּ֖בַהּ מֵאָ֣ה וְ/עֶשְׂרִ֑ים וַ/יְצַפֵּ֥/הוּ מִ/פְּנִ֖ימָה זָהָ֥ב טָהֽוֹר
STATEN

En het voorhuis, hetwelk vooraan was, was in de lengte, naar de breedte van het huis, twintig ellen, en de hoogte honderd en twintig; hetwelk hij van binnen overtrok met louter goud.

5
וְ/אֵ֣ת הַ/בַּ֣יִת הַ/גָּד֗וֹל חִפָּה֙ עֵ֣ץ בְּרוֹשִׁ֔ים וַ/יְחַפֵּ֖/הוּ זָהָ֣ב ט֑וֹב וַ/יַּ֧עַל עָלָ֛י/ו תִּמֹרִ֖ים וְ/שַׁרְשְׁרֽוֹת
STATEN

Het grote huis nu overdekte hij met dennenhout; daarna overtoog hij dat met goed goud; en hij maakte daarop palmen en ketenwerk.

6
וַ/יְצַ֧ף אֶת הַ/בַּ֛יִת אֶ֥בֶן יְקָרָ֖ה לְ/תִפְאָ֑רֶת וְ/הַ/זָּהָ֖ב זְהַ֥ב פַּרְוָֽיִם
STATEN

Hij overtoog ook het huis met kostelijke stenen tot versiering; het goud nu was goud van Parváïm.

7
וַ/יְחַ֨ף אֶת הַ/בַּ֜יִת הַ/קֹּר֧וֹת הַ/סִּפִּ֛ים וְ/קִֽירוֹתָ֥י/ו וְ/דַלְתוֹתָ֖י/ו זָהָ֑ב וּ/פִתַּ֥ח כְּרוּבִ֖ים עַל הַ/קִּירֽוֹת
STATEN

Daartoe overdekte hij aan het huis de balken, de posten en de wanden daarvan, en de deuren daarvan met goud; en hij graveerde cherubs aan de wanden.

8
וַ/יַּ֨עַשׂ֙ אֶת בֵּֽית קֹ֣דֶשׁ הַ/קֳּדָשִׁ֔ים אָרְכּ֞/וֹ עַל פְּנֵ֤י רֹֽחַב הַ/בַּ֨יִת֙ אַמּ֣וֹת עֶשְׂרִ֔ים וְ/רָחְבּ֖/וֹ אַמּ֣וֹת עֶשְׂרִ֑ים וַ/יְחַפֵּ֨/הוּ֙ זָהָ֣ב ט֔וֹב לְ/כִכָּרִ֖ים שֵׁ֥שׁ מֵאֽוֹת
STATEN

Verder maakte hij het huis van het heilige der heiligen, welks lengte, naar de breedte van het huis, was twintig ellen, en de breedte daarvan twintig ellen; en hij overtoog dat met goed goud, tot zeshonderd talenten.

9
וּ/מִשְׁקָ֛ל לְ/מִסְמְר֥וֹת לִ/שְׁקָלִ֖ים חֲמִשִּׁ֣ים זָהָ֑ב וְ/הָ/עֲלִיּ֖וֹת חִפָּ֥ה זָהָֽב
STATEN

En het gewicht der nagelen was tot vijftig sikkelen gouds; en hij overtoog de opperzalen met goud.

10
וַ/יַּ֜עַשׂ בְּ/בֵֽית קֹ֤דֶשׁ הַ/קֳּדָשִׁים֙ כְּרוּבִ֣ים שְׁנַ֔יִם מַעֲשֵׂ֖ה צַעֲצֻעִ֑ים וַ/יְצַפּ֥וּ אֹתָ֖/ם זָהָֽב
STATEN

Ook maakte hij, in het huis van het heilige der heiligen, twee cherubim van uittrekkend werk, en hij overtoog die met goud.

11
וְ/כַנְפֵי֙ הַ/כְּרוּבִ֔ים אָרְכָּ֖/ם אַמּ֣וֹת עֶשְׂרִ֑ים כְּנַ֨ף הָ/אֶחָ֜ד לְ/אַמּ֣וֹת חָמֵ֗שׁ מַגַּ֨עַת֙ לְ/קִ֣יר הַ/בַּ֔יִת וְ/הַ/כָּנָ֤ף הָ/אַחֶ֨רֶת֙ אַמּ֣וֹת חָמֵ֔שׁ מַגִּ֕יעַ לִ/כְנַ֖ף הַ/כְּר֥וּב הָ/אַחֵֽר
STATEN

Aangaande de vleugelen der cherubim, hun lengte was twintig ellen; des enen vleugel was van vijf ellen, rakende aan den wand van het huis, en de andere vleugel van vijf ellen, rakende aan den vleugel des anderen cherubs.

12
וּ/כְנַ֨ף הַ/כְּר֤וּב הָ/אֶחָד֙ אַמּ֣וֹת חָמֵ֔שׁ מַגִּ֖יעַ לְ/קִ֣יר הַ/בָּ֑יִת וְ/הַ/כָּנָ֤ף הָ/אַחֶ֨רֶת֙ אַמּ֣וֹת חָמֵ֔שׁ דְּבֵקָ֕ה לִ/כְנַ֖ף הַ/כְּר֥וּב הָ/אַחֵֽר
STATEN

Insgelijks was de vleugel des anderen cherubs van vijf ellen, rakende aan den wand van het huis; en de andere vleugel was van vijf ellen, klevende aan den vleugel des anderen cherubs.

13
כַּנְפֵי֙ הַ/כְּרוּבִ֣ים הָ/אֵ֔לֶּה פֹּֽרְשִׂ֖ים אַמּ֣וֹת עֶשְׂרִ֑ים וְ/הֵ֛ם עֹמְדִ֥ים עַל רַגְלֵי/הֶ֖ם וּ/פְנֵי/הֶ֥ם לַ/בָּֽיִת
STATEN

De vleugelen dezer cherubim spreidden zich uit twintig ellen; en zij stonden op hun voeten, en hun aangezichten waren huiswaarts.

14
וַ/יַּ֨עַשׂ֙ אֶת הַ/פָּרֹ֔כֶת תְּכֵ֥לֶת וְ/אַרְגָּמָ֖ן וְ/כַרְמִ֣יל וּ/ב֑וּץ וַ/יַּ֥עַל עָלָ֖י/ו כְּרוּבִֽים
STATEN

Hij maakte ook den voorhang van hemelsblauw, en purper, en karmozijn, en fijn linnen; en hij maakte cherubs daarop.

15
וַ/יַּ֜עַשׂ לִ/פְנֵ֤י הַ/בַּ֨יִת֙ עַמּוּדִ֣ים שְׁנַ֔יִם אַמּ֕וֹת שְׁלֹשִׁ֥ים וְ/חָמֵ֖שׁ אֹ֑רֶךְ וְ/הַ/צֶּ֥פֶת אֲשֶׁר עַל רֹאשׁ֖/וֹ אַמּ֥וֹת חָמֵֽשׁ
STATEN

Nog maakte hij voor het huis twee pilaren, van vijf en dertig ellen in lengte; en het kapiteel, dat op derzelver hoofd was, was van vijf ellen.

16
וַ/יַּ֤עַשׂ שַׁרְשְׁרוֹת֙ בַּ/דְּבִ֔יר וַ/יִּתֵּ֖ן עַל רֹ֣אשׁ הָ/עַמֻּדִ֑ים וַ/יַּ֤עַשׂ רִמּוֹנִים֙ מֵאָ֔ה וַ/יִּתֵּ֖ן בַּֽ/שַּׁרְשְׁרֽוֹת
STATEN

Ook maakte hij ketenen, als in de aanspraakplaats, en hij zette ze op de hoofden der pilaren; daartoe maakte hij honderd granaatappelen, en zette ze tussen de ketenen.

17
וַ/יָּ֤קֶם אֶת הָֽ/עַמּוּדִים֙ עַל פְּנֵ֣י הַ/הֵיכָ֔ל אֶחָ֥ד מִ/יָּמִ֖ין וְ/אֶחָ֣ד מֵֽ/הַ/שְּׂמֹ֑אול וַ/יִּקְרָ֤א שֵׁם ה/ימיני יָכִ֔ין וְ/שֵׁ֥ם הַ/שְּׂמָאלִ֖י בֹּֽעַז הַ/יְמָנִי֙
STATEN

En hij richtte de pilaren op voor aan den tempel, een ter rechterhand, en een ter linkerhand; en hij noemde den naam van den rechter Jachin, en den naam van den linker Boaz.