Ga naar inhoud
KETUVIM

2 Kronieken 26

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּקְח֞וּ כָּל עַ֤ם יְהוּדָה֙ אֶת עֻזִּיָּ֔הוּ וְ/ה֕וּא בֶּן שֵׁ֥שׁ עֶשְׂרֵ֖ה שָׁנָ֑ה וַ/יַּמְלִ֣יכוּ אֹת֔/וֹ תַּ֖חַת אָבִ֥י/ו אֲמַצְיָֽהוּ־־־׃
STATEN

Toen nam het ganse volk van Juda Uzzia (die nu zestien jaren oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amázia.

2
ה֚וּא בָּנָ֣ה אֶת אֵיל֔וֹת וַ/יְשִׁיבֶ֖/הָ לִֽ/יהוּדָ֑ה אַחֲרֵ֥י שְׁכַֽב הַ/מֶּ֖לֶךְ עִם אֲבֹתָֽי/ו־־־׃פ
STATEN

Dezelve bouwde Eloth, en bracht ze weder aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was.

3
בֶּן שֵׁ֨שׁ עֶשְׂרֵ֤ה שָׁנָה֙ עֻזִּיָּ֣הוּ בְ/מָלְכ֔/וֹ וַ/חֲמִשִּׁ֤ים וּ/שְׁתַּ֨יִם֙ שָׁנָ֔ה מָלַ֖ךְ בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם וְ/שֵׁ֣ם אִמּ֔/וֹ יכיליה מִן יְרוּשָׁלִָֽם־־׃ יְכָלְיָ֖ה
STATEN

Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jechólia, van Jeruzalem.

4
וַ/יַּ֥עַשׂ הַ/יָּשָׁ֖ר בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָ֑ה כְּ/כֹ֥ל אֲשֶׁר עָשָׂ֖ה אֲמַצְיָ֥הוּ אָבִֽי/ו־׃
STATEN

En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader Amázia gedaan had.

5
וַ/יְהִי֙ לִ/דְרֹ֣שׁ אֱלֹהִ֔ים בִּ/ימֵ֣י זְכַרְיָ֔הוּ הַ/מֵּבִ֖ין בִּ/רְאֹ֣ת הָ/אֱלֹהִ֑ים וּ/בִ/ימֵי֙ דָּרְשׁ֣/וֹ אֶת יְהוָ֔ה הִצְלִיח֖/וֹ הָ/אֱלֹהִֽים־׃ס
STATEN

Want hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Zacharía, die verstandig was in de gezichten Gods; in de dagen nu, dat hij den HEERE zocht, maakte hem God voorspoedig.

6
וַ/יֵּצֵא֙ וַ/יִּלָּ֣חֶם בַּ/פְּלִשְׁתִּ֔ים וַ/יִּפְרֹ֞ץ אֶת ח֣וֹמַת גַּ֗ת וְ/אֵת֙ חוֹמַ֣ת יַבְנֵ֔ה וְ/אֵ֖ת חוֹמַ֣ת אַשְׁדּ֑וֹד וַ/יִּבְנֶ֣ה עָרִ֔ים בְּ/אַשְׁדּ֖וֹד וּ/בַ/פְּלִשְׁתִּֽים־׃
STATEN

Want hij toog uit, en krijgde tegen de Filistijnen, en brak den muur van Gath, en den muur van Jabne, en den muur van Asdod; daartoe bouwde hij steden in Asdod, en onder de Filistijnen.

7
וַ/יַּעְזְרֵ֨/הוּ הָֽ/אֱלֹהִ֜ים עַל פְּלִשְׁתִּ֧ים וְ/עַל ה/ערביים הַ/יֹּשְׁבִ֥ים בְּ/גוּר בָּ֖עַל וְ/הַ/מְּעוּנִֽים־־־׃ הָֽ/עַרְבִ֛ים
STATEN

En God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren, die te Gur-Baäl woonden, en tegen de Meünieten.

8
וַ/יִּתְּנ֧וּ הָֽ/עַמּוֹנִ֛ים מִנְחָ֖ה לְ/עֻזִּיָּ֑הוּ וַ/יֵּ֤לֶךְ שְׁמ/וֹ֙ עַד לְ/ב֣וֹא מִצְרַ֔יִם כִּ֥י הֶחֱזִ֖יק עַד לְ/מָֽעְלָ/ה־־׃
STATEN

En de Ammonieten gaven Uzzia geschenken; en zijn naam ging tot den ingang van Egypte, want hij sterkte zich ten hoogste.

9
וַ/יִּ֨בֶן עֻזִּיָּ֤הוּ מִגְדָּלִים֙ בִּ/יר֣וּשָׁלִַ֔ם עַל שַׁ֧עַר הַ/פִּנָּ֛ה וְ/עַל שַׁ֥עַר הַ/גַּ֖יְא וְ/עַל הַ/מִּקְצ֑וֹעַ וַֽ/יְחַזְּקֵֽ/ם־־־׃
STATEN

Daartoe bouwde Uzzia torens te Jeruzalem, aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort, en aan de hoeken; en hij sterkte ze.

10
וַ/יִּ֨בֶן מִגְדָּלִ֜ים בַּ/מִּדְבָּ֗ר וַ/יַּחְצֹב֙ בֹּר֣וֹת רַבִּ֔ים כִּ֤י מִקְנֶה רַּב֙ הָ֣יָה ל֔/וֹ וּ/בַ/שְּׁפֵלָ֖ה וּ/בַ/מִּישׁ֑וֹר אִכָּרִ֣ים וְ/כֹֽרְמִ֗ים בֶּ/הָרִים֙ וּ/בַ/כַּרְמֶ֔ל כִּֽי אֹהֵ֥ב אֲדָמָ֖ה הָיָֽה־־׃ס
STATEN

Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hieuw vele putten uit, overmits hij veel vee had, beide in de laagten en in de effene velden; akkerlieden en wijngaardeniers op de bergen en op de vruchtbare velden; want hij was een liefhebber van den landbouw.

11
וַ/יְהִ֣י לְ/עֻזִּיָּ֡הוּ חַיִל֩ עֹשֵׂ֨ה מִלְחָמָ֜ה יוֹצְאֵ֧י צָבָ֣א לִ/גְד֗וּד בְּ/מִסְפַּר֙ פְּקֻדָּתָ֔/ם בְּ/יַד֙ יעואל הַ/סּוֹפֵ֔ר וּ/מַעֲשֵׂיָ֖הוּ הַ/שּׁוֹטֵ֑ר עַ֚ל יַד חֲנַנְיָ֔הוּ מִ/שָּׂרֵ֖י הַ/מֶּֽלֶךְ יְעִיאֵ֣ל־׃
STATEN

Verder had Uzzia een heirkracht van geoefenden ten oorlog, uittrekkende ten heire bij benden, naar het getal hunner monstering, door de hand van Jeíël, den schrijver, en Mahaséja, den ambtman; onder de hand van Hanánja, een van de vorsten des konings.

12
כֹּ֠ל מִסְפַּ֞ר רָאשֵׁ֤י הָ/אָבוֹת֙ לְ/גִבּ֣וֹרֵי חָ֔יִל אַלְפַּ֖יִם וְ/שֵׁ֥שׁ מֵאֽוֹת׃
STATEN

Het gehele getal van de hoofden der vaderen, der strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Kronieken 26

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Kronieken 26 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →