Ga naar inhoud
KETUVIM

2 Kronieken 11

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יָּבֹ֣א רְחַבְעָם֮ יְרוּשָׁלִַם֒ וַ/יַּקְהֵל֩ אֶת בֵּ֨ית יְהוּדָ֜ה וּ/בִנְיָמִ֗ן מֵאָ֨ה וּ/שְׁמוֹנִ֥ים אֶ֛לֶף בָּח֖וּר עֹשֵׂ֣ה מִלְחָמָ֑ה לְ/הִלָּחֵם֙ עִם יִשְׂרָאֵ֔ל לְ/הָשִׁ֥יב אֶת הַ/מַּמְלָכָ֖ה לִ/רְחַבְעָֽם־־־׃פ
STATEN

Toen nu Rehábeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het huis van Juda en Benjamin, eenhonderd en tachtig duizend, uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehábeam bracht.

2
וַ/יְהִי֙ דְּבַר יְהוָ֔ה אֶל שְׁמַֽעְיָ֥הוּ אִישׁ הָ/אֱלֹהִ֖ים לֵ/אמֹֽר־־־׃
STATEN

Doch het woord des HEEREN geschiedde tot Semája, den man Gods, zeggende:

3
אֱמֹ֕ר אֶל רְחַבְעָ֥ם בֶּן שְׁלֹמֹ֖ה מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֑ה וְ/אֶל֙ כָּל יִשְׂרָאֵ֔ל בִּ/יהוּדָ֥ה וּ/בִנְיָמִ֖ן לֵ/אמֹֽר־־־׃
STATEN

Zeg tot Rehábeam, den zoon van Sálomo, den koning van Juda, en tot het ganse Israël in Juda en Benjamin, zeggende:

4
כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֡ה לֹא תַעֲלוּ֩ וְ/לֹא תִלָּ֨חֲמ֜וּ עִם אֲחֵי/כֶ֗ם שׁ֚וּבוּ אִ֣ישׁ לְ/בֵית֔/וֹ כִּ֧י מֵֽ/אִתִּ֛/י נִהְיָ֖ה הַ/דָּבָ֣ר הַ/זֶּ֑ה וַֽ/יִּשְׁמְעוּ֙ אֶת דִּבְרֵ֣י יְהוָ֔ה וַ/יָּשֻׁ֖בוּ מִ/לֶּ֥כֶת אֶל יָרָבְעָֽם־־־־־׃פ
STATEN

Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden de woorden des HEEREN, en zij keerden weder van tegen Jeróbeam te trekken.

5
וַ/יֵּ֥שֶׁב רְחַבְעָ֖ם בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם וַ/יִּ֧בֶן עָרִ֛ים לְ/מָצ֖וֹר בִּ/יהוּדָֽה׃
STATEN

Rehábeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vastigheden in Juda.

6
וַ/יִּ֧בֶן אֶת בֵּֽית לֶ֛חֶם וְ/אֶת עֵיטָ֖ם וְ/אֶת תְּקֽוֹעַ־־־־׃
STATEN

Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thekóa,

7
וְ/אֶת בֵּֽית צ֥וּר וְ/אֶת שׂוֹכ֖וֹ וְ/אֶת עֲדֻלָּֽם־־־־׃
STATEN

En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,

8
וְ/אֶת גַּ֥ת וְ/אֶת מָרֵשָׁ֖ה וְ/אֶת זִֽיף־־־׃
STATEN

En Gath, en Marésa, en Zif,

9
וְ/אֶת אֲדוֹרַ֥יִם וְ/אֶת לָכִ֖ישׁ וְ/אֶת עֲזֵקָֽה־־־׃
STATEN

En Adoráïm, en Lachis, en Azéka,

10
וְ/אֶת צָרְעָה֙ וְ/אֶת אַיָּל֔וֹן וְ/אֶת חֶבְר֔וֹן אֲשֶׁ֥ר בִּ/יהוּדָ֖ה וּ/בְ/בִנְיָמִ֑ן עָרֵ֖י מְצֻרֽוֹת־־־׃
STATEN

En Zóra, en Ajálon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.

11
וַ/יְחַזֵּ֖ק אֶת הַ/מְּצֻר֑וֹת וַ/יִּתֵּ֤ן בָּ/הֶם֙ נְגִידִ֔ים וְ/אֹצְר֥וֹת מַאֲכָ֖ל וְ/שֶׁ֥מֶן וָ/יָֽיִן־׃
STATEN

En hij sterkte deze vastigheden, en legde oversten daarin, en schatten van spijs, en olie, en wijn;

12
וּ/בְ/כָל עִ֤יר וָ/עִיר֙ צִנּ֣וֹת וּ/רְמָחִ֔ים וַֽ/יְחַזְּקֵ֖/ם לְ/הַרְבֵּ֣ה מְאֹ֑ד וַ/יְהִי ל֖/וֹ יְהוּדָ֥ה וּ/בִנְיָמִֽן־־׃ס
STATEN

En in elke stad rondassen en spiesen, en sterkte ze gans zeer; zo was Juda, en Benjamin zijne.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Kronieken 11

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Kronieken 11 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →