Ga naar inhoud
KETUVIM

2 Kronieken 21

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּשְׁכַּ֤ב יְהֽוֹשָׁפָט֙ עִם אֲבֹתָ֔י/ו וַ/יִּקָּבֵ֥ר עִם אֲבֹתָ֖י/ו בְּ/עִ֣יר דָּוִ֑יד וַ/יִּמְלֹ֛ךְ יְהוֹרָ֥ם בְּנ֖/וֹ תַּחְתָּֽי/ו־־׃
STATEN

Daarna ontsliep Jósafat met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.

2
וְ/לֽ/וֹ אַחִ֞ים בְּנֵ֣י יְהוֹשָׁפָ֗ט עֲזַרְיָ֤ה וִֽ/יחִיאֵל֙ וּ/זְכַרְיָ֣הוּ וַ/עֲזַרְיָ֔הוּ וּ/מִיכָאֵ֖ל וּ/שְׁפַטְיָ֑הוּ כָּל אֵ֕לֶּה בְּנֵ֥י יְהוֹשָׁפָ֖ט מֶ֥לֶךְ יִשְׂרָאֵֽל־־־׃
STATEN

En hij had broederen, Jósafats zonen, Azárja, en Jehíël, en Zechárja, en Azarjáhu, en Michaël, en Sefátja; deze allen waren zonen van Jósafat, den koning van Israël.

3
וַ/יִּתֵּ֣ן לָ/הֶ֣ם אֲ֠בִי/הֶם מַתָּנ֨וֹת רַבּ֜וֹת לְ/כֶ֤סֶף וּ/לְ/זָהָב֙ וּ/לְ/מִגְדָּנ֔וֹת עִם עָרֵ֥י מְצֻר֖וֹת בִּֽ/יהוּדָ֑ה וְ/אֶת הַ/מַּמְלָכָ֛ה נָתַ֥ן לִֽ/יהוֹרָ֖ם כִּי ה֥וּא הַ/בְּכֽוֹר׀־־־׃פ
STATEN

En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was.

4
וַ/יָּ֨קָם יְהוֹרָ֜ם עַל מַמְלֶ֤כַת אָבִי/ו֙ וַ/יִּתְחַזַּ֔ק וַ/יַּהֲרֹ֥ג אֶת כָּל אֶחָ֖י/ו בֶּ/חָ֑רֶב וְ/גַ֖ם מִ/שָּׂרֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל־־־׃
STATEN

Als Joram tot het koninkrijk zijns vaders opgekomen was, en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broederen met het zwaard, mitsgaders ook enige van de vorsten van Israël.

5
בֶּן שְׁלֹשִׁ֥ים וּ/שְׁתַּ֛יִם שָׁנָ֖ה יְהוֹרָ֣ם בְּ/מָלְכ֑/וֹ וּ/שְׁמוֹנֶ֣ה שָׁנִ֔ים מָלַ֖ךְ בִּ/ירוּשָׁלִָֽם־׃
STATEN

Twee en dertig jaar was Joram oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.

6
וַ/יֵּ֜לֶךְ בְּ/דֶ֣רֶךְ מַלְכֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל כַּ/אֲשֶׁ֤ר עָשׂוּ֙ בֵּ֣ית אַחְאָ֔ב כִּ֚י בַּת אַחְאָ֔ב הָ֥יְתָה לּ֖/וֹ אִשָּׁ֑ה וַ/יַּ֥עַשׂ הָ/רַ֖ע בְּ/עֵינֵ֥י יְהוָֽה׀־׃
STATEN

En hij wandelde in den weg der koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want hij had de dochter van Achab tot een vrouw; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.

7
וְ/לֹא אָבָ֣ה יְהוָ֗ה לְ/הַשְׁחִית֙ אֶת בֵּ֣ית דָּוִ֔יד לְמַ֣עַן הַ/בְּרִ֔ית אֲשֶׁ֥ר כָּרַ֖ת לְ/דָוִ֑יד וְ/כַ/אֲשֶׁ֣ר אָמַ֗ר לָ/תֵ֨ת ל֥/וֹ נִ֛יר וּ/לְ/בָנָ֖י/ו כָּל הַ/יָּמִֽים־־־׃
STATEN

Doch de HEERE wilde het huis Davids niet verderven, om des verbonds wil, dat Hij met David gemaakt had; en gelijk als Hij gezegd had, hem en zijn zonen te allen dage een lamp te zullen geven.

8
בְּ/יָמָי/ו֙ פָּשַׁ֣ע אֱד֔וֹם מִ/תַּ֖חַת יַד יְהוּדָ֑ה וַ/יַּמְלִ֥יכוּ עֲלֵי/הֶ֖ם מֶֽלֶךְ־׃
STATEN

In zijn dagen vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, en zij maakten over zich een koning.

9
וַ/יַּֽעֲבֹ֤ר יְהוֹרָם֙ עִם שָׂרָ֔י/ו וְ/כָל הָ/רֶ֖כֶב עִמּ֑/וֹ וַ/יְהִי֙ קָ֣ם לַ֔יְלָה וַ/יַּ֗ךְ אֶת אֱדוֹם֙ הַ/סּוֹבֵ֣ב אֵלָ֔י/ו וְ/אֵ֖ת שָׂרֵ֥י הָ/רָֽכֶב־־־׃
STATEN

Daarom toog Joram voort met zijn oversten, en al de wagenen met hem; en hij maakte zich des nachts op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, en de oversten der wagenen.

10
וַ/יִּפְשַׁ֨ע אֱד֜וֹם מִ/תַּ֣חַת יַד יְהוּדָ֗ה עַ֚ד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֔ה אָ֣ז תִּפְשַׁ֥ע לִבְנָ֛ה בָּ/עֵ֥ת הַ/הִ֖יא מִ/תַּ֣חַת יָד֑/וֹ כִּ֣י עָזַ֔ב אֶת יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֥י אֲבֹתָֽי/ו־־׃
STATEN

Evenwel vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, tot op dezen dag; toen ter zelfder tijd viel Libna af, van onder zijn gebied, want hij had den HEERE, den God zijner vaderen, verlaten.

11
גַּם ה֥וּא עָשָֽׂה בָמ֖וֹת בְּ/הָרֵ֣י יְהוּדָ֑ה וַ/יֶּ֨זֶן֙ אֶת יֹשְׁבֵ֣י יְרוּשָׁלִַ֔ם וַ/יַּדַּ֖ח אֶת יְהוּדָֽה־־־־׃פ
STATEN

Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda; en hij deed de inwoners van Jeruzalem hoereren, ja, hij dreef Juda daartoe.

12
וַ/יָּבֹ֤א אֵלָי/ו֙ מִכְתָּ֔ב מֵֽ/אֵלִיָּ֥הוּ הַ/נָּבִ֖יא לֵ/אמֹ֑ר כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה אֱלֹהֵי֙ דָּוִ֣יד אָבִ֔י/ךָ תַּ֗חַת אֲשֶׁ֤ר לֹֽא הָלַ֨כְתָּ֙ בְּ/דַרְכֵי֙ יְהוֹשָׁפָ֣ט אָבִ֔י/ךָ וּ/בְ/דַרְכֵ֖י אָסָ֥א מֶֽלֶךְ יְהוּדָֽה׀־־׃
STATEN

Zo kwam een schrift tot hem van den profeet Elía, zeggende: Alzo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Omdat gij in de wegen van uw vader Jósafat, en in de wegen van Asa, den koning van Juda, niet gewandeld hebt;

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Kronieken 21

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Kronieken 21 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →