Het Woord · 2 Kronieken 14 KETUVIM
2 Kronieken 14 דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TAHOT i STATEN i KJV i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i JPS1917 i
וַ/יַּ֤עַשׂ אָסָא֙ הַ/טּ֣וֹב וְ/הַ/יָּשָׁ֔ר בְּ/עֵינֵ֖י יְהוָ֥ה אֱלֹהָֽי/ו׃
STATEN
Zo ontsliep Abía met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids, en zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land tien jaren stil.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יָּ֛סַר אֶת מִזְבְּח֥וֹת הַ/נֵּכָ֖ר וְ/הַ/בָּמ֑וֹת וַ/יְשַׁבֵּר֙ אֶת הַ/מַּצֵּב֔וֹת וַ/יְגַדַּ֖ע אֶת הָ/אֲשֵׁרִֽים־־־׃
STATEN
En Asa deed dat goed en dat recht was in de ogen des HEEREN, zijns Gods.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ לִֽ/יהוּדָ֔ה לִ/דְר֕וֹשׁ אֶת יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֣י אֲבוֹתֵי/הֶ֑ם וְ/לַ/עֲשׂ֖וֹת הַ/תּוֹרָ֥ה וְ/הַ/מִּצְוָֽה־׃
STATEN
Want hij nam de altaren der vreemden, en de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en hieuw de bossen af.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יָּ֨סַר֙ מִ/כָּל עָרֵ֣י יְהוּדָ֔ה אֶת הַ/בָּמ֖וֹת וְ/אֶת הַֽ/חַמָּנִ֑ים וַ/תִּשְׁקֹ֥ט הַ/מַּמְלָכָ֖ה לְ/פָנָֽי/ו־־־׃
STATEN
En hij zeide tot Juda, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, zoeken, en dat zij de wet en het gebod doen zouden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יִּ֛בֶן עָרֵ֥י מְצוּרָ֖ה בִּ/יהוּדָ֑ה כִּֽי שָׁקְטָ֣ה הָ/אָ֗רֶץ וְ/אֵין עִמּ֤/וֹ מִלְחָמָה֙ בַּ/שָּׁנִ֣ים הָ/אֵ֔לֶּה כִּֽי הֵנִ֥יחַ יְהוָ֖ה לֽ/וֹ־־־׃
STATEN
Hij nam ook weg uit alle steden van Juda de hoogten en de zonnebeelden; en het koninkrijk was voor hem stil.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֹּ֨אמֶר לִֽ/יהוּדָ֜ה נִבְנֶ֣ה אֶת הֶ/עָרִ֣ים הָ/אֵ֗לֶּה וְ/נָסֵ֨ב חוֹמָ֣ה וּ/מִגְדָּלִים֮ דְּלָתַ֣יִם וּ/בְרִיחִים֒ עוֹדֶ֨/נּוּ הָ/אָ֜רֶץ לְ/פָנֵ֗י/נוּ כִּ֤י דָרַ֨שְׁנוּ֙ אֶת יְהוָ֣ה אֱלֹהֵ֔י/נוּ דָּרַ֕שְׁנוּ וַ/יָּ֥נַֽח לָ֖/נוּ מִ/סָּבִ֑יב וַ/יִּבְנ֖וּ וַ/יַּצְלִֽיחוּ׀־־׃פ
STATEN
Daartoe bouwde hij vaste steden in Juda; want het land was stil, en er was geen oorlog in die jaren tegen hem, dewijl de HEERE hem rust gaf.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יְהִ֣י לְ/אָסָ֗א חַיִל֮ נֹשֵׂ֣א צִנָּ֣ה וָ/רֹמַח֒ מִֽ/יהוּדָה֙ שְׁלֹ֣שׁ מֵא֣וֹת אֶ֔לֶף וּ/מִ/בִּנְיָמִ֗ן נֹשְׂאֵ֤י מָגֵן֙ וְ/דֹ֣רְכֵי קֶ֔שֶׁת מָאתַ֥יִם וּ/שְׁמוֹנִ֖ים אָ֑לֶף כָּל אֵ֖לֶּה גִּבּ֥וֹרֵי חָֽיִלס־׃
STATEN
Want hij zeide tot Juda: Laat ons deze steden bouwen, en muren daarom trekken, en torens, deuren en grendelen, terwijl het land nog is voor ons aangezicht; want wij hebben den HEERE, onzen God, gezocht, wij hebben Hem gezocht, en Hij heeft ons rondom henen rust gegeven. Zo bouwden zij en hadden voorspoed.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֵּצֵ֨א אֲלֵי/הֶ֜ם זֶ֣רַח הַ/כּוּשִׁ֗י בְּ/חַ֨יִל֙ אֶ֣לֶף אֲלָפִ֔ים וּ/מַרְכָּב֖וֹת שְׁלֹ֣שׁ מֵא֑וֹת וַ/יָּבֹ֖א עַד מָרֵשָֽׁה־׃
STATEN
Asa nu had een heir van driehonderd duizend uit Juda, rondas en spies dragende, en tweehonderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en den boog spannende; al dezen waren kloeke helden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֵּצֵ֥א אָסָ֖א לְ/פָנָ֑י/ו וַ/יַּֽעַרְכוּ֙ מִלְחָמָ֔ה בְּ/גֵ֥יא צְפַ֖תָה לְ/מָרֵשָֽׁה׃
STATEN
En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit, met een heir van duizend maal duizend, en driehonderd wagenen; en hij kwam tot Marésa toe.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יִּקְרָ֨א אָסָ֜א אֶל יְהוָ֣ה אֱלֹהָי/ו֮ וַ/יֹּאמַר֒ יְהוָ֗ה אֵֽין עִמְּ/ךָ֤ לַ/עְזוֹר֙ בֵּ֥ין רַב֙ לְ/אֵ֣ין כֹּ֔חַ עָזְרֵ֜/נוּ יְהוָ֤ה אֱלֹהֵ֨י/נוּ֙ כִּֽי עָלֶ֣י/ךָ נִשְׁעַ֔נּוּ וּ/בְ/שִׁמְ/ךָ֣ בָ֔אנוּ עַל הֶ/הָמ֖וֹן הַ/זֶּ֑ה יְהוָ֤ה אֱלֹהֵ֨י/נוּ֙ אַ֔תָּה אַל יַעְצֹ֥ר עִמְּ/ךָ֖ אֱנֽוֹשׁ־־־־־׃ס
STATEN
Toen toog Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal Zefátha bij Marésa.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יִּגֹּ֤ף יְהוָה֙ אֶת הַ/כּוּשִׁ֔ים לִ/פְנֵ֥י אָסָ֖א וְ/לִ/פְנֵ֣י יְהוּדָ֑ה וַ/יָּנֻ֖סוּ הַ/כּוּשִֽׁים־׃
STATEN
En Asa riep tot den HEERE, zijn God, en zeide: HEERE, het is niets bij U, te helpen hetzij den machtige, hetzij den krachteloze; help ons, o HEERE, onze God! Want wij steunen op U, en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o HEERE! Gij zijt onze God; laat den sterfelijken mens tegen U niets vermogen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יִּרְדְּפֵ֨/ם אָסָ֜א וְ/הָ/עָ֣ם אֲשֶׁר עִמּ/וֹ֮ עַד לִ/גְרָר֒ וַ/יִּפֹּ֤ל מִ/כּוּשִׁים֙ לְ/אֵ֣ין לָ/הֶ֣ם מִֽחְיָ֔ה כִּֽי נִשְׁבְּר֥וּ לִ/פְנֵֽי יְהוָ֖ה וְ/לִ/פְנֵ֣י מַחֲנֵ֑/הוּ וַ/יִּשְׂא֥וּ שָׁלָ֖ל הַרְבֵּ֥ה מְאֹֽד־־־־׃
STATEN
En de HEERE plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vloden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 13 ← → navigeer Hoofdstuk 15 →