KETUVIM

2 Kronieken 17

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יִּמְלֹ֛ךְ יְהוֹשָׁפָ֥ט בְּנ֖/וֹ תַּחְתָּ֑י/ו וַ/יִּתְחַזֵּ֖ק עַל יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

En zijn zoon Jósafat werd koning in zijn plaats, en hij sterkte zich tegen Israël.

2
וַ/יִּ֨תֶּן חַ֔יִל בְּ/כָל עָרֵ֥י יְהוּדָ֖ה הַ/בְּצֻר֑וֹת וַ/יִּתֵּ֤ן נְצִיבִים֙ בְּ/אֶ֣רֶץ יְהוּדָ֔ה וּ/בְ/עָרֵ֣י אֶפְרַ֔יִם אֲשֶׁ֥ר לָכַ֖ד אָסָ֥א אָבִֽי/ו
STATEN

En hij legde krijgsvolk in alle vaste steden van Juda, en legde bezettingen in het land van Juda, en in de steden van Efraïm, die zijn vader Asa ingenomen had.

3
וַ/יְהִ֥י יְהוָ֖ה עִם יְהוֹשָׁפָ֑ט כִּ֣י הָלַ֗ךְ בְּ/דַרְכֵ֞י דָּוִ֤יד אָבִי/ו֙ הָ/רִ֣אשֹׁנִ֔ים וְ/לֹ֥א דָרַ֖שׁ לַ/בְּעָלִֽים
STATEN

En de HEERE was met Jósafat; want hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids, en zocht de Baäls niet.

4
כִּ֠י לֵֽ/אלֹהֵ֤י אָבִי/ו֙ דָּרָ֔שׁ וּ/בְ/מִצְוֺתָ֖י/ו הָלָ֑ךְ וְ/לֹ֖א כְּ/מַעֲשֵׂ֥ה יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Maar hij zocht den God zijns vaders, en wandelde in Zijn geboden, en niet naar het doen van Israël.

5
וַ/יָּ֨כֶן יְהוָ֤ה אֶת הַ/מַּמְלָכָה֙ בְּ/יָד֔/וֹ וַ/יִּתְּנ֧וּ כָל יְהוּדָ֛ה מִנְחָ֖ה לִ/יהוֹשָׁפָ֑ט וַֽ/יְהִי ל֥/וֹ עֹֽשֶׁר וְ/כָב֖וֹד לָ/רֹֽב
STATEN

En de HEERE bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en gans Juda gaf Jósafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte.

6
וַ/יִּגְבַּ֥הּ לִבּ֖/וֹ בְּ/דַרְכֵ֣י יְהוָ֑ה וְ/ע֗וֹד הֵסִ֛יר אֶת הַ/בָּמ֥וֹת וְ/אֶת הָ/אֲשֵׁרִ֖ים מִ/יהוּדָֽה
STATEN

En zijn hart verhief zich in de wegen des HEEREN; en hij nam verder de hoogten en de bossen uit Juda weg.

7
וּ/בִ/שְׁנַ֨ת שָׁל֜וֹשׁ לְ/מָלְכ֗/וֹ שָׁלַ֤ח לְ/שָׂרָי/ו֙ לְ/בֶן חַ֨יִל֙ וּ/לְ/עֹבַדְיָ֣ה וְ/לִ/זְכַרְיָ֔ה וְ/לִ/נְתַנְאֵ֖ל וּ/לְ/מִיכָיָ֑הוּ לְ/לַמֵּ֖ד בְּ/עָרֵ֥י יְהוּדָֽה
STATEN

In het derde jaar nu zijner regering zond hij tot zijn vorsten, tot Ben-chaïl, en tot Obadja, en tot Zechárja, en tot Natháneël, en tot Michája, opdat men zou leren in de steden van Juda.

8
וְ/עִמָּ/הֶ֣ם הַ/לְוִיִּ֗ם שְֽׁמַֽעְיָ֡הוּ וּ/נְתַנְיָ֡הוּ וּ/זְבַדְיָ֡הוּ וַ/עֲשָׂהאֵ֡ל ו/שמרימות וִֽ/יהוֹנָתָן֩ וַ/אֲדֹ֨נִיָּ֧הוּ וְ/טֽוֹבִיָּ֛הוּ וְ/ט֥וֹב אֲדוֹנִיָּ֖ה הַ/לְוִיִּ֑ם וְ/עִמָּ/הֶ֛ם אֱלִישָׁמָ֥ע וִֽ/יהוֹרָ֖ם הַ/כֹּהֲנִֽים וּ/שְׁמִֽירָמ֡וֹת
STATEN

En met hen de Levieten, Semája en Nethánja, en Zebádja, en Asaël, en Semiramôth, en Jónathan, en Adonia, en Tobia, en Tôb-Adonia, de Levieten, en met hen de priesters Elisáma en Joram.

9
וַֽ/יְלַמְּדוּ֙ בִּֽ/יהוּדָ֔ה וְ/עִ֨מָּ/הֶ֔ם סֵ֖פֶר תּוֹרַ֣ת יְהוָ֑ה וַ/יָּסֹ֨בּוּ֙ בְּ/כָל עָרֵ֣י יְהוּדָ֔ה וַֽ/יְלַמְּד֖וּ בָּ/עָֽם
STATEN

En zij leerden in Juda, en het wetboek des HEEREN was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk.

10
וַ/יְהִ֣י פַּ֣חַד יְהוָ֗ה עַ֚ל כָּל מַמְלְכ֣וֹת הָֽ/אֲרָצ֔וֹת אֲשֶׁ֖ר סְבִיב֣וֹת יְהוּדָ֑ה וְ/לֹ֥א נִלְחֲמ֖וּ עִם יְהוֹשָׁפָֽט
STATEN

En een verschrikking des HEEREN werd over alle koninkrijken der landen, die rondom Juda waren, dat zij niet krijgden tegen Jósafat.

11
וּ/מִן פְּלִשְׁתִּ֗ים מְבִיאִ֧ים לִֽ/יהוֹשָׁפָ֛ט מִנְחָ֖ה וְ/כֶ֣סֶף מַשָּׂ֑א גַּ֣ם הָֽ/עַרְבִיאִ֗ים מְבִיאִ֥ים ל/וֹ֙ צֹ֕אן אֵילִ֔ים שִׁבְעַ֤ת אֲלָפִים֙ וּ/שְׁבַ֣ע מֵא֔וֹת וּ/תְיָשִׁ֕ים שִׁבְעַ֥ת אֲלָפִ֖ים וּ/שְׁבַ֥ע מֵאֽוֹת
STATEN

En van de Filistijnen brachten zij Jósafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, en zeven duizend en zevenhonderd bokken.

12
וַ/יְהִ֧י יְהוֹשָׁפָ֛ט הֹלֵ֥ךְ וְ/גָדֵ֖ל עַד לְ/מָ֑עְלָ/ה וַ/יִּ֧בֶן בִּֽ/יהוּדָ֛ה בִּירָנִיּ֖וֹת וְ/עָרֵ֥י מִסְכְּנֽוֹת
STATEN

Alzo nam Jósafat toe, en werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in Juda burchten en schatsteden.

13
וּ/מְלָאכָ֥ה רַבָּ֛ה הָ֥יָה ל֖/וֹ בְּ/עָרֵ֣י יְהוּדָ֑ה וְ/אַנְשֵׁ֧י מִלְחָמָ֛ה גִּבּ֥וֹרֵי חַ֖יִל בִּ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

En hij had veel werks in de steden van Juda, en krijgslieden, kloeke helden in Jeruzalem.

14
וְ/אֵ֥לֶּה פְקֻדָּתָ֖/ם לְ/בֵ֣ית אֲבוֹתֵי/הֶ֑ם לִֽ/יהוּדָה֙ שָׂרֵ֣י אֲלָפִ֔ים עַדְנָ֣ה הַ/שָּׂ֔ר וְ/עִמּ/וֹ֙ גִּבּ֣וֹרֵי חַ֔יִל שְׁלֹ֥שׁ מֵא֖וֹת אָֽלֶף
STATEN

Dit nu is hun telling, naar de huizen hunner vaderen. In Juda waren oversten der duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderd duizend kloeke helden.

15
וְ/עַל יָד֖/וֹ יְהוֹחָנָ֣ן הַ/שָּׂ֑ר וְ/עִמּ֕/וֹ מָאתַ֥יִם וּ/שְׁמוֹנִ֖ים אָֽלֶף
STATEN

Naast hem nu was de overste Jóhanan; en met hem waren tweehonderd en tachtig duizend;

16
וְ/עַל יָד/וֹ֙ עֲמַסְיָ֣ה בֶן זִכְרִ֔י הַ/מִּתְנַדֵּ֖ב לַ/יהוָ֑ה וְ/עִמּ֛/וֹ מָאתַ֥יִם אֶ֖לֶף גִּבּ֥וֹר חָֽיִל
STATEN

En naast hem was Amásia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig den HEERE overgegeven had; en met hem waren tweehonderd duizend kloeke helden.

17
וּ/מִ֨ן בִּנְיָמִ֔ן גִּבּ֥וֹר חַ֖יִל אֶלְיָדָ֑ע וְ/עִמּ֛/וֹ נֹֽשְׁקֵי קֶ֥שֶׁת וּ/מָגֵ֖ן מָאתַ֥יִם אָֽלֶף
STATEN

En uit Benjamin was Eljáda, een kloek held; en met hem tweehonderd duizend, die met boog en schild gewapend waren.

18
וְ/עַל יָד֖/וֹ יְהוֹזָבָ֑ד וְ/עִמּ֛/וֹ מֵאָֽה וּ/שְׁמוֹנִ֥ים אֶ֖לֶף חֲלוּצֵ֥י צָבָֽא
STATEN

En naast hem was Józabad; en met hem waren honderd en tachtig duizend, ten krijge toegerust.

19
אֵ֖לֶּה הַ/מְשָׁרְתִ֣ים אֶת הַ/מֶּ֑לֶךְ מִ/לְּ/בַ֞ד אֲשֶׁר נָתַ֥ן הַ/מֶּ֛לֶךְ בְּ/עָרֵ֥י הַ/מִּבְצָ֖ר בְּ/כָל יְהוּדָֽה
STATEN

Dezen waren in den dienst des konings; behalve degenen, die de koning in de vaste steden door gans Juda gezet had.