KETUVIM

2 Kronieken 19

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וַ֠/יָּשָׁב יְהוֹשָׁפָ֨ט מֶֽלֶךְ יְהוּדָ֧ה אֶל בֵּית֛/וֹ בְּ/שָׁל֖וֹם לִֽ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

En Jósafat, de koning van Juda, keerde met vrede weder naar zijn huis te Jeruzalem.

2
וַ/יֵּצֵ֣א אֶל פָּנָ֗י/ו יֵה֣וּא בֶן חֲנָ֘נִי֮ הַ/חֹזֶה֒ וַ/יֹּ֨אמֶר֙ אֶל הַ/מֶּ֣לֶךְ יְהוֹשָׁפָ֔ט הֲ/לָ/רָשָׁ֣ע לַ/עְזֹ֔ר וּ/לְ/שֹׂנְאֵ֥י יְהוָ֖ה תֶּאֱהָ֑ב וּ/בָ/זֹאת֙ עָלֶ֣י/ךָ קֶּ֔צֶף מִ/לִּ/פְנֵ֖י יְהוָֽה
STATEN

En Jehu, de zoon van Hanáni, de ziener, ging uit, hem tegen, en zeide tot den koning Jósafat: Zoudt gij den goddeloze helpen, en die den HEERE haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht des HEEREN grote toornigheid.

3
אֲבָ֕ל דְּבָרִ֥ים טוֹבִ֖ים נִמְצְא֣וּ עִמָּ֑/ךְ כִּֽי בִעַ֤רְתָּ הָ/אֲשֵׁרוֹת֙ מִן הָ/אָ֔רֶץ וַ/הֲכִינ֥וֹתָ לְבָבְ/ךָ֖ לִ/דְרֹ֥שׁ הָֽ/אֱלֹהִֽים
STATEN

Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; want gij hebt de bossen uit het land weggedaan, en uw hart gericht om God te zoeken.

4
וַ/יֵּ֥שֶׁב יְהוֹשָׁפָ֖ט בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם וַ/יָּ֜שָׁב וַ/יֵּצֵ֣א בָ/עָ֗ם מִ/בְּאֵ֥ר שֶׁ֨בַע֙ עַד הַ֣ר אֶפְרַ֔יִם וַ/יְשִׁיבֵ֕/ם אֶל יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֥י אֲבוֹתֵי/הֶֽם
STATEN

Jósafat nu woonde te Jeruzalem; en hij toog wederom uit door het volk, van Ber-séba af tot het gebergte van Efraïm toe, en deed hen wederkeren tot den HEERE, hunner vaderen God.

5
וַ/יַּעֲמֵ֨ד שֹֽׁפְטִ֜ים בָּ/אָ֗רֶץ בְּ/כָל עָרֵ֧י יְהוּדָ֛ה הַ/בְּצֻר֖וֹת לְ/עִ֥יר וָ/עִֽיר
STATEN

En hij stelde richters in het land, in alle vaste steden van Juda, van stad tot stad.

6
וַ/יֹּ֣אמֶר אֶל הַ/שֹּֽׁפְטִ֗ים רְאוּ֙ מָֽה אַתֶּ֣ם עֹשִׂ֔ים כִּ֣י לֹ֧א לְ/אָדָ֛ם תִּשְׁפְּט֖וּ כִּ֣י לַ/יהוָ֑ה וְ/עִמָּ/כֶ֖ם בִּ/דְבַ֥ר מִשְׁפָּֽט
STATEN

En hij zeide tot de richters: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mens, maar den HEERE; en Hij is bij u in de zaak van het gericht.

7
וְ/עַתָּ֕ה יְהִ֥י פַֽחַד יְהוָ֖ה עֲלֵי/כֶ֑ם שִׁמְר֣וּ וַ/עֲשׂ֔וּ כִּֽי אֵ֞ין עִם יְהוָ֣ה אֱלֹהֵ֗י/נוּ עַוְלָ֛ה וּ/מַשֹּׂ֥א פָנִ֖ים וּ/מִקַּח שֹֽׁחַד
STATEN

Nu dan, de verschrikking des HEEREN zij op ulieden; neemt waar, en doet het; want bij den HEERE, onzen God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken.

8
וְ/גַ֣ם בִּ֠/ירוּשָׁלִַם הֶעֱמִ֨יד יְהוֹשָׁפָ֜ט מִן הַ/לְוִיִּ֣ם וְ/הַ/כֹּהֲנִ֗ים וּ/מֵ/רָאשֵׁ֤י הָ/אָבוֹת֙ לְ/יִשְׂרָאֵ֔ל לְ/מִשְׁפַּ֥ט יְהוָ֖ה וְ/לָ/רִ֑יב וַ/יָּשֻׁ֖בוּ יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

Daartoe stelde Jósafat ook te Jeruzalem enige van de Levieten, en van de priesteren, en van de hoofden der vaderen van Israël, over het gericht des HEEREN, en over rechtsgeschillen, als zij weder te Jeruzalem gekomen waren.

9
וַ/יְצַ֥ו עֲלֵי/הֶ֖ם לֵ/אמֹ֑ר כֹּ֤ה תַעֲשׂוּ/ן֙ בְּ/יִרְאַ֣ת יְהוָ֔ה בֶּ/אֱמוּנָ֖ה וּ/בְ/לֵבָ֥ב שָׁלֵֽם
STATEN

En hij gebood hun, zeggende: Doet alzo in de vreze des HEEREN, met getrouwheid en met een volkomen hart.

10
וְ/כָל רִיב֩ אֲשֶׁר יָב֨וֹא עֲלֵי/כֶ֜ם מֵ/אֲחֵי/כֶ֣ם הַ/יֹּשְׁבִ֣ים בְּ/עָרֵי/הֶ֗ם בֵּֽין דָּ֣ם לְ/דָם֮ בֵּין תּוֹרָ֣ה לְ/מִצְוָה֮ לְ/חֻקִּ֣ים וּ/לְ/מִשְׁפָּטִים֒ וְ/הִזְהַרְתֶּ֣ם אֹתָ֔/ם וְ/לֹ֤א יֶאְשְׁמוּ֙ לַ/יהוָ֔ה וְ/הָֽיָה קֶ֥צֶף עֲלֵי/כֶ֖ם וְ/עַל אֲחֵי/כֶ֑ם כֹּ֥ה תַעֲשׂ֖וּ/ן וְ/לֹ֥א תֶאְשָֽׁמוּ
STATEN

En in alle geschil, hetwelk van uw broederen, die in hun steden wonen, tot u zal komen, tussen bloed en bloed, tussen wet en gebod, en inzettingen en rechten, zo vermaant hen, dat zij niet schuldig worden aan den HEERE, en een grote toornigheid over u en over uw broederen zij; doet alzo, en gij zult niet schuldig worden.

11
וְ/הִנֵּ֡ה אֲמַרְיָ֣הוּ כֹהֵן֩ הָ/רֹ֨אשׁ עֲלֵי/כֶ֜ם לְ/כֹ֣ל דְּבַר יְהוָ֗ה וּ/זְבַדְיָ֨הוּ בֶן יִשְׁמָעֵ֜אל הַ/נָּגִ֤יד לְ/בֵית יְהוּדָה֙ לְ/כֹ֣ל דְּבַר הַ/מֶּ֔לֶךְ וְ/שֹׁטְרִ֥ים הַ/לְוִיִּ֖ם לִ/פְנֵי/כֶ֑ם חִזְק֣וּ וַ/עֲשׂ֔וּ וִ/יהִ֥י יְהוָ֖ה עִם הַ/טּֽוֹב
STATEN

En ziet, Amárja, de hoofdpriester, is over u in alle zaak des HEEREN; en Zebádja, de zoon van Ismaël, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak des konings; ook zijn de ambtlieden, de Levieten, voor uw aangezicht; weest sterk en doet het, en de HEERE zal met den goede zijn.