Ga naar inhoud
KETUVIM

2 Kronieken 2

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּסְפֹּ֨ר שְׁלֹמֹ֜ה שִׁבְעִ֥ים אֶ֨לֶף֙ אִ֣ישׁ סַבָּ֔ל וּ/שְׁמוֹנִ֥ים אֶ֛לֶף אִ֖ישׁ חֹצֵ֣ב בָּ/הָ֑ר וּ/מְנַצְּחִ֣ים עֲלֵי/הֶ֔ם שְׁלֹ֥שֶׁת אֲלָפִ֖ים וְ/שֵׁ֥שׁ מֵאֽוֹת׃פ
STATEN

Sálomo nu dacht voor den Naam des HEEREN een huis te bouwen, en een huis voor zijn koninkrijk.

2
וַ/יִּשְׁלַ֣ח שְׁלֹמֹ֔ה אֶל חוּרָ֥ם מֶֽלֶךְ צֹ֖ר לֵ/אמֹ֑ר כַּ/אֲשֶׁ֤ר עָשִׂ֨יתָ֙ עִם דָּוִ֣יד אָבִ֔/י וַ/תִּֽשְׁלַֽח ל֣/וֹ אֲרָזִ֔ים לִ/בְנֽוֹת ל֥/וֹ בַ֖יִת לָ/שֶׁ֥בֶת בּֽ/וֹ־־־־־׃
STATEN

En Sálomo telde zeventig duizend lastdragende mannen, en tachtig duizend mannen, die houwen zouden in het gebergte; mitsgaders drie duizend en zeshonderd opzieners over dezelve.

3
הִנֵּה֩ אֲנִ֨י בֽוֹנֶה בַּ֜יִת לְ/שֵׁ֣ם יְהוָ֣ה אֱלֹהָ֗/י לְ/הַקְדִּ֣ישׁ ל֡/וֹ לְ/הַקְטִ֣יר לְ/פָנָ֣י/ו קְטֹֽרֶת סַמִּים֩ וּ/מַעֲרֶ֨כֶת תָּמִ֤יד וְ/עֹלוֹת֙ לַ/בֹּ֣קֶר וְ/לָ/עֶ֔רֶב לַ/שַּׁבָּתוֹת֙ וְ/לֶ֣/חֳדָשִׁ֔ים וּֽ/לְ/מוֹעֲדֵ֖י יְהוָ֣ה אֱלֹהֵ֑י/נוּ לְ/עוֹלָ֖ם זֹ֥את עַל יִשְׂרָאֵֽל־׀־־׃
STATEN

En Sálomo zond tot Huram, den koning van Tyrus, zeggende: Gelijk als gij met mijn vader David gedaan hebt, en hebt hem cederen gezonden, om voor hem een huis te bouwen, om daarin te wonen, zo doe ook met mij.

4
וְ/הַ/בַּ֛יִת אֲשֶׁר אֲנִ֥י בוֹנֶ֖ה גָּד֑וֹל כִּֽי גָד֥וֹל אֱלֹהֵ֖י/נוּ מִ/כָּל הָ/אֱלֹהִֽים־־־׃
STATEN

Zie, ik zal een huis voor den Naam des HEEREN, mijns Gods, bouwen, om Hem te heiligen, om reukwerk der welriekende specerijen voor Zijn aangezicht aan te steken, en voor de toerichting des gedurigen broods, en voor de brandofferen des morgens en des avonds, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden des HEEREN, onzes Gods; hetwelk voor eeuwig is in Israël.

5
וּ/מִ֤י יַעֲצָר כֹּ֨חַ֙ לִ/בְנֽוֹת ל֣/וֹ בַ֔יִת כִּ֧י הַ/שָּׁמַ֛יִם וּ/שְׁמֵ֥י הַ/שָּׁמַ֖יִם לֹ֣א יְכַלְכְּלֻ֑/הוּ וּ/מִ֤י אֲנִי֙ אֲשֶׁ֣ר אֶבְנֶה לּ֣/וֹ בַ֔יִת כִּ֖י אִם לְ/הַקְטִ֥יר לְ/פָנָֽי/ו־־־־׃
STATEN

En het huis, dat ik zal bouwen, zal groot zijn; want onze God is groter dan alle goden.

6
וְ/עַתָּ֡ה שְֽׁלַֽח לִ֣/י אִישׁ חָכָ֡ם לַ/עֲשׂוֹת֩ בַּ/זָּהָ֨ב וּ/בַ/כֶּ֜סֶף וּ/בַ/נְּחֹ֣שֶׁת וּ/בַ/בַּרְזֶ֗ל וּ/בָֽ/אַרְגְּוָן֙ וְ/כַרְמִ֣יל וּ/תְכֵ֔לֶת וְ/יֹדֵ֖עַ לְ/פַתֵּ֣חַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽ/חֲכָמִ֗ים אֲשֶׁ֤ר עִמִּ/י֙ בִּֽ/יהוּדָ֣ה וּ/בִֽ/ירוּשָׁלִַ֔ם אֲשֶׁ֥ר הֵכִ֖ין דָּוִ֥יד אָבִֽ/י־־־׃
STATEN

Doch wie zou de kracht hebben, om voor Hem een huis te bouwen, dewijl de hemelen, ja, de hemel der hemelen, Hem niet bevatten zouden? En wie ben ik, dat ik voor Hem een huis zou bouwen, ten ware om reukwerk voor Zijn aangezicht aan te steken?

7
וּֽ/שְׁלַֽח לִ/י֩ עֲצֵ֨י אֲרָזִ֜ים בְּרוֹשִׁ֣ים וְ/אַלְגּוּמִּים֮ מֵֽ/הַ/לְּבָנוֹן֒ כִּ֚י אֲנִ֣י יָדַ֔עְתִּי אֲשֶׁ֤ר עֲבָדֶ֨י/ךָ֙ יֽוֹדְעִ֔ים לִ/כְר֖וֹת עֲצֵ֣י לְבָנ֑וֹן וְ/הִנֵּ֥ה עֲבָדַ֖/י עִם עֲבָדֶֽי/ךָ־־׃
STATEN

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

8
וּ/לְ/הָכִ֥ין לִ֛/י עֵצִ֖ים לָ/רֹ֑ב כִּ֥י הַ/בַּ֛יִת אֲשֶׁר אֲנִ֥י בוֹנֶ֖ה גָּד֥וֹל וְ/הַפְלֵֽא־׃
STATEN

Zend mij ook cederen, dennen, en algummimhout uit Libanon; want ik weet, dat uw knechten het hout van Libanon weten te houwen; en zie, mijn knechten zullen met uw knechten zijn.

9
וְ/הִנֵּ֣ה לַֽ/חֹטְבִ֣ים לְֽ/כֹרְתֵ֣י הָ/עֵצִ֡ים נָתַתִּי֩ חִטִּ֨ים מַכּ֜וֹת לַ/עֲבָדֶ֗י/ךָ כֹּרִים֙ עֶשְׂרִ֣ים אֶ֔לֶף וּ/שְׂעֹרִ֕ים כֹּרִ֖ים עֶשְׂרִ֣ים אָ֑לֶף וְ/יַ֗יִן בַּתִּים֙ עֶשְׂרִ֣ים אֶ֔לֶף וְ/שֶׁ֕מֶן בַּתִּ֖ים עֶשְׂרִ֥ים אָֽלֶף׀׀׀׃פ
STATEN

En dat om mij hout in menigte te bereiden; want het huis, dat ik zal bouwen, zal groot en wonderlijk zijn.

10
וַ/יֹּ֨אמֶר חוּרָ֤ם מֶֽלֶךְ צֹר֙ בִּ/כְתָ֔ב וַ/יִּשְׁלַ֖ח אֶל שְׁלֹמֹ֑ה בְּ/אַהֲבַ֤ת יְהוָה֙ אֶת עַמּ֔/וֹ נְתָנְ/ךָ֥ עֲלֵי/הֶ֖ם מֶֽלֶךְ־־־׃
STATEN

En zie, ik zal uw knechten, den houwers, die het hout houwen, twintig duizend kor uitgeslagen tarwe, en twintig duizend kor gerst geven; daartoe twintig duizend bath wijn, en twintig duizend bath olie.

11
וַ/יֹּאמֶר֮ חוּרָם֒ בָּר֤וּךְ יְהוָה֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֔ה אֶת הַ/שָּׁמַ֖יִם וְ/אֶת הָ/אָ֑רֶץ אֲשֶׁ֣ר נָתַן֩ לְ/דָוִ֨יד הַ/מֶּ֜לֶךְ בֵּ֣ן חָכָ֗ם יוֹדֵ֨עַ֙ שֵׂ֣כֶל וּ/בִינָ֔ה אֲשֶׁ֤ר יִבְנֶה בַּ֨יִת֙ לַ/יהוָ֔ה וּ/בַ֖יִת לְ/מַלְכוּתֽ/וֹ־־־׃
STATEN

Huram nu, de koning van Tyrus, antwoordde door schrift, en zond tot Sálomo: Daarom dat de HEERE Zijn volk lief heeft, heeft Hij u over hen tot koning gesteld.

12
וְ/עַתָּ֗ה שָׁלַ֧חְתִּי אִישׁ חָכָ֛ם יוֹדֵ֥עַ בִּינָ֖ה לְ/חוּרָ֥ם אָבִֽי־׃
STATEN

Verder zeide Huram: Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, dat Hij den koning David een wijzen zoon, kloek in voorzichtigheid en verstand, gegeven heeft, die een huis voor den HEERE, en een huis voor zijn koninkrijk bouwe!

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Kronieken 2

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Kronieken 2 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →