Ga naar inhoud
KETUVIM

2 Kronieken 23

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וּ/בַ/שָּׁנָ֨ה הַ/שְּׁבִעִ֜ית הִתְחַזַּ֣ק יְהוֹיָדָ֗ע וַ/יִּקַּ֣ח אֶת שָׂרֵ֣י הַ/מֵּא֡וֹת לַ/עֲזַרְיָ֣הוּ בֶן יְרֹחָ֡ם וּ/לְ/יִשְׁמָעֵ֣אל בֶּן יְ֠הוֹחָנָן וְ/לַֽ/עֲזַרְיָ֨הוּ בֶן עוֹבֵ֜ד וְ/אֶת מַעֲשֵׂיָ֧הוּ בֶן עֲדָיָ֛הוּ וְ/אֶת אֱלִישָׁפָ֥ט בֶּן זִכְרִ֖י עִמּ֥/וֹ בַ/בְּרִֽית־־־־־־־־׃
STATEN

Doch in het zevende jaar versterkte zich Jójada, en nam de oversten der honderden, Azárja, den zoon van Jeróham, en Ismaël, den zoon van Jóhanan, en Azárja, den zoon van Obed, en Maäséja, den zoon van Adája, en Elisáfat, den zoon van Zichri, met zich in een verbond;

2
וַ/יָּסֹ֨בּוּ֙ בִּֽ/יהוּדָ֔ה וַ/יִּקְבְּצ֤וּ אֶת הַ/לְוִיִּם֙ מִ/כָּל עָרֵ֣י יְהוּדָ֔ה וְ/רָאשֵׁ֥י הָ/אָב֖וֹת לְ/יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יָּבֹ֖אוּ אֶל יְרוּשָׁלִָֽם־־־׃
STATEN

Die togen om in Juda, en vergaderden de Levieten uit alle steden van Juda, en de hoofden der vaderen van Israël, en zij kwamen naar Jeruzalem.

3
וַ/יִּכְרֹ֨ת כָּל הַ/קָּהָ֥ל בְּרִ֛ית בְּ/בֵ֥ית הָ/אֱלֹהִ֖ים עִם הַ/מֶּ֑לֶךְ וַ/יֹּ֣אמֶר לָ/הֶ֗ם הִנֵּ֤ה בֶן הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ יִמְלֹ֔ךְ כַּ/אֲשֶׁ֛ר דִּבֶּ֥ר יְהוָ֖ה עַל בְּנֵ֥י דָוִֽיד־־־־׃
STATEN

En die ganse gemeente maakte een verbond in het huis Gods, met den koning; en hij zeide tot hen: Ziet, de zoon des konings zal koning zijn, gelijk als de HEERE van de zonen van David gesproken heeft.

4
זֶ֥ה הַ/דָּבָ֖ר אֲשֶׁ֣ר תַּעֲשׂ֑וּ הַ/שְּׁלִשִׁ֨ית מִ/כֶּ֜ם בָּאֵ֣י הַ/שַּׁבָּ֗ת לַ/כֹּֽהֲנִים֙ וְ/לַ/לְוִיִּ֔ם לְ/שֹֽׁעֲרֵ֖י הַ/סִּפִּֽים׃
STATEN

Dit is de zaak, die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, van de priesteren en van de Levieten, zullen tot poortiers der dorpelen zijn;

5
וְ/הַ/שְּׁלִשִׁית֙ בְּ/בֵ֣ית הַ/מֶּ֔לֶךְ וְ/הַ/שְּׁלִשִׁ֖ית בְּ/שַׁ֣עַר הַ/יְס֑וֹד וְ/כָל הָ/עָ֔ם בְּ/חַצְר֖וֹת בֵּ֥ית יְהוָֽה־׃
STATEN

En een derde deel zal zijn aan het huis des konings; en een derde deel aan de Fondamentpoort; en al het volk zal in de voorhoven zijn van het huis des HEEREN.

6
וְ/אַל יָב֣וֹא בֵית יְהוָ֗ה כִּ֤י אִם הַ/כֹּֽהֲנִים֙ וְ/הַ/מְשָׁרְתִ֣ים לַ/לְוִיִּ֔ם הֵ֥מָּה יָבֹ֖אוּ כִּי קֹ֣דֶשׁ הֵ֑מָּה וְ/כָל הָ/עָ֔ם יִשְׁמְר֖וּ מִשְׁמֶ֥רֶת יְהוָֽה־־־־־׃
STATEN

Maar dat niemand kome in het huis des HEEREN, dan de priesteren en de Levieten, die dienen; die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht des HEEREN waarnemen.

7
וְ/הִקִּיפוּ֩ הַ/לְוִיִּ֨ם אֶת הַ/מֶּ֜לֶךְ סָבִ֗יב אִ֚ישׁ וְ/כֵלָ֣י/ו בְּ/יָד֔/וֹ וְ/הַ/בָּ֥א אֶל הַ/בַּ֖יִת יוּמָ֑ת וִֽ/הְי֥וּ אֶת הַ/מֶּ֖לֶךְ בְּ/בֹא֥/וֹ וּ/בְ/צֵאתֽ/וֹ־־־׃
STATEN

De Levieten nu zullen de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand; en die tot het huis inkomt, zal gedood worden; doch weest gijlieden bij den koning, als hij inkomt en uitgaat.

8
וַ/יַּעֲשׂ֨וּ הַ/לְוִיִּ֜ם וְ/כָל יְהוּדָ֗ה כְּ/כֹ֣ל אֲשֶׁר צִוָּה֮ יְהוֹיָדָ֣ע הַ/כֹּהֵן֒ וַ/יִּקְחוּ֙ אִ֣ישׁ אֶת אֲנָשָׁ֔י/ו בָּאֵ֣י הַ/שַּׁבָּ֔ת עִ֖ם יוֹצְאֵ֣י הַ/שַּׁבָּ֑ת כִּ֣י לֹ֥א פָטַ֛ר יְהוֹיָדָ֥ע הַ/כֹּהֵ֖ן אֶת הַֽ/מַּחְלְקֽוֹת־־־־׃
STATEN

En de Levieten en gans Juda deden naar alles, wat de priester Jójada geboden had; en zij namen een ieder zijn mannen, die op den sabbat inkwamen, met degenen, die op den sabbat uitgingen; want de priester Jójada had aan de verdelingen geen verlof gegeven.

9
וַ/יִּתֵּן֩ יְהוֹיָדָ֨ע הַ/כֹּהֵ֜ן לְ/שָׂרֵ֣י הַ/מֵּא֗וֹת אֶת הַֽ/חֲנִיתִים֙ וְ/אֶת הַ/מָּגִנּוֹת֙ וְ/אֶת הַ/שְּׁלָטִ֔ים אֲשֶׁ֖ר לַ/מֶּ֣לֶךְ דָּוִ֑יד אֲשֶׁ֖ר בֵּ֥ית הָ/אֱלֹהִֽים־־־׃
STATEN

Verder gaf de priester Jójada aan de oversten der honderden de spiesen, en de rondassen, en de schilden, die van den koning David geweest waren, die in het huis Gods waren.

10
וַ/יַּעֲמֵ֨ד אֶת כָּל הָ/עָ֜ם וְ/אִ֣ישׁ שִׁלְח֣/וֹ בְ/יָד֗/וֹ מִ/כֶּ֨תֶף הַ/בַּ֤יִת הַ/יְמָנִית֙ עַד כֶּ֤תֶף הַ/בַּ֨יִת֙ הַ/שְּׂמָאלִ֔ית לַ/מִּזְבֵּ֖חַ וְ/לַ/בָּ֑יִת עַל הַ/מֶּ֖לֶךְ סָבִֽיב־־׀־־׃
STATEN

En hij stelde al het volk, en een ieder met zijn geweer in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar, en naar het huis, bij den koning rondom.

11
וַ/יּוֹצִ֣יאוּ אֶת בֶּן הַ/מֶּ֗לֶךְ וַ/יִּתְּנ֤וּ עָלָי/ו֙ אֶת הַ/נֵּ֨זֶר֙ וְ/אֶת הָ֣/עֵד֔וּת וַ/יַּמְלִ֖יכוּ אֹת֑/וֹ וַ/יִּמְשָׁחֻ֨/הוּ֙ יְהוֹיָדָ֣ע וּ/בָנָ֔י/ו וַ/יֹּאמְר֖וּ יְחִ֥י הַ/מֶּֽלֶךְ־־־־׃ס
STATEN

Toen brachten zij des konings zoon voor, en zetten hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en zij maakten hem koning; en Jójada en zijn zonen zalfden hem, en zeiden: De koning leve!

12
וַ/תִּשְׁמַ֣ע עֲתַלְיָ֗הוּ אֶת ק֤וֹל הָ/עָם֙ הָֽ/רָצִ֔ים וְ/הַֽ/מְהַֽלְלִ֖ים אֶת הַ/מֶּ֑לֶךְ וַ/תָּב֥וֹא אֶל הָ/עָ֖ם בֵּ֥ית יְהוָֽה־־־׃
STATEN

Toen nu Athália hoorde de stem des volks, dat toeliep en den koning roemde, kwam zij tot het volk in het huis des HEEREN.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Kronieken 23

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Kronieken 23 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →