Ga naar inhoud
KETUVIM

2 Kronieken 25

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בֶּן עֶשְׂרִ֨ים וְ/חָמֵ֤שׁ שָׁנָה֙ מָלַ֣ךְ אֲמַצְיָ֔הוּ וְ/עֶשְׂרִ֣ים וָ/תֵ֨שַׁע֙ שָׁנָ֔ה מָלַ֖ךְ בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם וְ/שֵׁ֣ם אִמּ֔/וֹ יְהוֹעַדָּ֖ן מִ/ירוּשָׁלָֽיִם־׃
STATEN

Amázia, vijf en twintig jaren oud zijnde, werd koning, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jóaddan, van Jeruzalem.

2
וַ/יַּ֥עַשׂ הַ/יָּשָׁ֖ר בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָ֑ה רַ֕ק לֹ֖א בְּ/לֵבָ֥ב שָׁלֵֽם׃
STATEN

En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, doch niet met een volkomen hart.

3
וַ/יְהִ֕י כַּ/אֲשֶׁ֛ר חָזְקָ֥ה הַ/מַּמְלָכָ֖ה עָלָ֑י/ו וַֽ/יַּהֲרֹג֙ אֶת עֲבָדָ֔י/ו הַ/מַּכִּ֖ים אֶת הַ/מֶּ֥לֶךְ אָבִֽי/ו־־׃
STATEN

Het geschiedde nu, als het koninkrijk aan hem gesterkt was, dat hij zijn knechten, die den koning, zijn vader, geslagen hadden, doodde.

4
וְ/אֶת בְּנֵי/הֶ֖ם לֹ֣א הֵמִ֑ית כִּ֣י כַ/כָּת֣וּב בַּ/תּוֹרָ֡ה בְּ/סֵ֣פֶר מֹשֶׁה֩ אֲשֶׁר צִוָּ֨ה יְהוָ֜ה לֵ/אמֹ֗ר לֹא יָמ֨וּתוּ אָב֤וֹת עַל בָּנִים֙ וּ/בָנִים֙ לֹא יָמ֣וּתוּ עַל אָב֔וֹת כִּ֛י אִ֥ישׁ בְּ/חֶטְא֖/וֹ יָמֽוּתוּ־־־־־־׃פ
STATEN

Doch hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, in het boek van Mozes, geschreven is, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven.

5
וַ/יִּקְבֹּ֤ץ אֲמַצְיָ֨הוּ֙ אֶת יְהוּדָ֔ה וַ/יַּֽעֲמִידֵ֣/ם לְ/בֵית אָב֗וֹת לְ/שָׂרֵ֤י הָ/אֲלָפִים֙ וּ/לְ/שָׂרֵ֣י הַ/מֵּא֔וֹת לְ/כָל יְהוּדָ֖ה וּ/בִנְיָמִ֑ן וַֽ/יִּפְקְדֵ֗/ם לְ/מִ/בֶּ֨ן עֶשְׂרִ֤ים שָׁנָה֙ וָ/מַ֔עְלָ/ה וַ/יִּמְצָאֵ֗/ם שְׁלֹשׁ מֵא֨וֹת אֶ֤לֶף בָּחוּר֙ יוֹצֵ֣א צָבָ֔א אֹחֵ֖ז רֹ֥מַח וְ/צִנָּֽה־־־־׃
STATEN

En Amázia vergaderde Juda, en stelde hen, naar de huizen der vaderen, tot oversten van duizenden en tot oversten van honderden, door gans Juda en Benjamin; en hij monsterde hen, van twintig jaren oud en daarboven, en vond hen driehonderd duizend uitgelezenen, uittrekkende ten heire, handelende spies en rondas.

6
וַ/יִּשְׂכֹּ֣ר מִ/יִּשְׂרָאֵ֗ל מֵ֥אָה אֶ֛לֶף גִּבּ֥וֹר חָ֖יִל בְּ/מֵאָ֥ה כִכַּר כָּֽסֶף־׃
STATEN

Daartoe huurde hij uit Israël honderd duizend kloeke helden, voor honderd talenten zilvers.

7
וְ/אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִ֗ים בָּ֤א אֵלָי/ו֙ לֵ/אמֹ֔ר הַ/מֶּ֕לֶךְ אַל יָבֹ֥א עִמְּ/ךָ֖ צְבָ֣א יִשְׂרָאֵ֑ל כִּ֣י אֵ֤ין יְהוָה֙ עִם יִשְׂרָאֵ֔ל כֹּ֖ל בְּנֵ֥י אֶפְרָֽיִם־־׃
STATEN

Maar er kwam een man Gods tot hem, zeggende: O, koning! laat het heir van Israël met u niet gaan; want de HEERE is niet met Israël, met alle kinderen van Efraïm.

8
כִּ֚י אִם בֹּ֣א אַתָּ֔ה עֲשֵׂ֖ה חֲזַ֣ק לַ/מִּלְחָמָ֑ה יַכְשִֽׁילְ/ךָ֤ הָֽ/אֱלֹהִים֙ לִ/פְנֵ֣י אוֹיֵ֔ב כִּ֥י יֶשׁ כֹּ֛חַ בֵּ/אלֹהִ֖ים לַ/עְז֥וֹר וּ/לְ/הַכְשִֽׁיל־־׃
STATEN

Maar zo gij gaat, doe het, wees sterk ten strijde; God zal u doen vallen voor den vijand; want in God is kracht, om te helpen en om te doen vallen.

9
וַ/יֹּ֤אמֶר אֲמַצְיָ֨הוּ֙ לְ/אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִ֔ים וּ/מַֽה לַּ/עֲשׂוֹת֙ לִ/מְאַ֣ת הַ/כִּכָּ֔ר אֲשֶׁ֥ר נָתַ֖תִּי לִ/גְד֣וּד יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יֹּ֨אמֶר֙ אִ֣ישׁ הָֽ/אֱלֹהִ֔ים יֵ֚שׁ לַֽ/יהוָ֔ה לָ֥/תֶת לְ/ךָ֖ הַרְבֵּ֥ה מִ/זֶּֽה־׃
STATEN

En Amázia zeide tot den man Gods: Maar wat zal men doen met de honderd talenten, die ik aan de benden van Israël gegeven heb? En de man Gods zeide: De HEERE heeft meer dan dit, om u te geven.

10
וַ/יַּבְדִּילֵ֣/ם אֲמַצְיָ֗הוּ לְ/הַ/גְּדוּד֙ אֲשֶׁר בָּ֤א אֵלָי/ו֙ מֵֽ/אֶפְרַ֔יִם לָ/לֶ֖כֶת לִ/מְקוֹמָ֑/ם וַ/יִּ֨חַר אַפָּ֤/ם מְאֹד֙ בִּֽ/יהוּדָ֔ה וַ/יָּשׁ֥וּבוּ לִ/מְקוֹמָ֖/ם בָּ/חֳרִי אָֽף־־׃פ
STATEN

Toen scheidde Amázia die af, te weten de benden, die uit Efraïm tot hem gekomen waren, dat zij naar hun plaats gingen; daarom ontstak hun toorn zeer tegen Juda, en zij keerden weder tot hun plaats in hittigheid des toorns.

11
וַ/אֲמַצְיָ֨הוּ֙ הִתְחַזַּ֔ק וַ/יִּנְהַג֙ אֶת עַמּ֔/וֹ וַ/יֵּ֖לֶךְ גֵּ֣יא הַמֶּ֑לַח וַ/יַּ֥ךְ אֶת בְּנֵי שֵׂעִ֖יר עֲשֶׂ֥רֶת אֲלָפִֽים־־־׃
STATEN

Amázia nu sterkte zich, en leidde zijn volk uit, en toog in het Zoutdal, en sloeg van de kinderen van Seïr tien duizend.

12
וַ/עֲשֶׂ֨רֶת אֲלָפִ֜ים חַיִּ֗ים שָׁבוּ֙ בְּנֵ֣י יְהוּדָ֔ה וַ/יְבִיא֖וּ/ם לְ/רֹ֣אשׁ הַ/סָּ֑לַע וַ/יַּשְׁלִיכ֛וּ/ם מֵֽ/רֹאשׁ הַ/סֶּ֖לַע וְ/כֻלָּ֥/ם נִבְקָֽעוּ־׃ס
STATEN

Daartoe vingen de kinderen van Juda tien duizend levend, en brachten ze op de hoogte der steenrots, en stieten hen van de spits der steenrots af, dat zij allen barstten.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Kronieken 25

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Kronieken 25 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →