KETUVIM

2 Kronieken 30

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יִּשְׁלַ֨ח יְחִזְקִיָּ֜הוּ עַל כָּל יִשְׂרָאֵ֣ל וִֽ/יהוּדָ֗ה וְ/גַֽם אִגְּרוֹת֙ כָּתַב֙ עַל אֶפְרַ֣יִם וּ/מְנַשֶּׁ֔ה לָ/ב֥וֹא לְ/בֵית יְהוָ֖ה בִּֽ/ירוּשָׁלִָ֑ם לַ/עֲשׂ֣וֹת פֶּ֔סַח לַ/יהוָ֖ה אֱלֹהֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Daarna zond Jehizkía tot het ganse Israël en Juda, en schreef ook brieven tot Efraïm en Manasse, dat zij zouden komen tot het huis des HEEREN te Jeruzalem, om den HEERE, den God Israëls, pascha te houden.

2
וַ/יִּוָּעַ֨ץ הַ/מֶּ֧לֶךְ וְ/שָׂרָ֛י/ו וְ/כָל הַ/קָּהָ֖ל בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם לַ/עֲשׂ֥וֹת הַ/פֶּ֖סַח בַּ/חֹ֥דֶשׁ הַ/שֵּׁנִֽי
STATEN

Want de koning had raad gehouden met zijn oversten en de ganse gemeente te Jeruzalem, om het pascha te houden, in de tweede maand.

3
כִּ֣י לֹ֧א יָכְל֛וּ לַ/עֲשֹׂת֖/וֹ בָּ/עֵ֣ת הַ/הִ֑יא כִּ֤י הַ/כֹּהֲנִים֙ לֹֽא הִתְקַדְּשׁ֣וּ לְ/מַ דַּ֔י וְ/הָ/עָ֖ם לֹא נֶאֶסְפ֥וּ לִֽ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

Want zij hadden het niet kunnen houden te dierzelfder tijd, omdat de priesteren zich niet genoeg geheiligd hadden, en het volk zich niet verzameld had te Jeruzalem.

4
וַ/יִּישַׁ֥ר הַ/דָּבָ֖ר בְּ/עֵינֵ֣י הַ/מֶּ֑לֶךְ וּ/בְ/עֵינֵ֖י כָּל הַ/קָּהָֽל
STATEN

En deze zaak was recht in de ogen des konings, en in de ogen der ganse gemeente.

5
וַ/יַּֽעֲמִ֣ידוּ דָבָ֗ר לְ/הַעֲבִ֨יר ק֤וֹל בְּ/כָל יִשְׂרָאֵל֙ מִ/בְּאֵֽר שֶׁ֣בַע וְ/עַד דָּ֔ן לָ/ב֞וֹא לַ/עֲשׂ֥וֹת פֶּ֛סַח לַ/יהוָ֥ה אֱלֹהֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם כִּ֣י לֹ֥א לָ/רֹ֛ב עָשׂ֖וּ כַּ/כָּתֽוּב
STATEN

Zo stelden zij zulks, dat men een stem door gans Israël, van Ber-séba tot Dan, zou laten doorgaan, opdat zij zouden komen om het pascha den HEERE, den God Israëls, te houden in Jeruzalem; want zij hadden het in lang niet gehouden, gelijk het geschreven was.

6
וַ/יֵּלְכוּ֩ הָ/רָצִ֨ים בָּֽ/אִגְּר֜וֹת מִ/יַּ֧ד הַ/מֶּ֣לֶךְ וְ/שָׂרָ֗י/ו בְּ/כָל יִשְׂרָאֵל֙ וִֽ/יהוּדָ֔ה וּ/כְ/מִצְוַ֥ת הַ/מֶּ֖לֶךְ לֵ/אמֹ֑ר בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל שׁ֚וּבוּ אֶל יְהוָ֗ה אֱלֹהֵי֙ אַבְרָהָם֙ יִצְחָ֣ק וְ/יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/יָשֹׁב֙ אֶל הַ/פְּלֵיטָ֔ה הַ/נִּשְׁאֶ֣רֶת לָ/כֶ֔ם מִ/כַּ֖ף מַלְכֵ֥י אַשּֽׁוּר
STATEN

De lopers dan gingen henen met de brieven van de hand des konings en zijner vorsten, door gans Israël en Juda, en naar het gebod des konings, zeggende: Gij, kinderen Israëls, bekeert u tot den HEERE, den God van Abraham, Izak en Israël, zo zal Hij Zich keren tot de ontkomenen, die ulieden overgebleven zijn uit de hand der koningen van Assyrië.

7
וְ/אַל תִּֽהְי֗וּ כַּ/אֲבֽוֹתֵי/כֶם֙ וְ/כַ֣/אֲחֵי/כֶ֔ם אֲשֶׁ֣ר מָעֲל֔וּ בַּ/יהוָ֖ה אֱלֹהֵ֣י אֲבוֹתֵי/הֶ֑ם וַ/יִּתְּנֵ֣/ם לְ/שַׁמָּ֔ה כַּ/אֲשֶׁ֖ר אַתֶּ֥ם רֹאִֽים
STATEN

En zijt niet als uw vaders en als uw broeders, die tegen den HEERE, den God hunner vaderen, overtreden hebben; waarom Hij hen tot verwoesting overgegeven heeft, gelijk als gij ziet.

8
עַתָּ֕ה אַל תַּקְשׁ֥וּ עָרְפְּ/כֶ֖ם כַּ/אֲבוֹתֵי/כֶ֑ם תְּנוּ יָ֣ד לַ/יהוָ֗ה וּ/בֹ֤אוּ לְ/מִקְדָּשׁ/וֹ֙ אֲשֶׁ֣ר הִקְדִּ֣ישׁ לְ/עוֹלָ֔ם וְ/עִבְדוּ֙ אֶת יְהוָ֣ה אֱלֹהֵי/כֶ֔ם וְ/יָשֹׁ֥ב מִ/כֶּ֖ם חֲר֥וֹן אַפּֽ/וֹ
STATEN

Verhardt nu ulieder nek niet, gelijk uw vaderen; geeft den HEERE de hand, en komt tot Zijn heiligdom, hetwelk Hij geheiligd heeft tot in eeuwigheid, en dient den HEERE, uw God; zo zal de hitte Zijns toorns van u afkeren.

9
כִּ֣י בְ/שׁוּבְ/כֶ֞ם עַל יְהוָ֗ה אֲחֵי/כֶ֨ם וּ/בְנֵי/כֶ֤ם לְ/רַחֲמִים֙ לִ/פְנֵ֣י שֽׁוֹבֵי/הֶ֔ם וְ/לָ/שׁ֖וּב לָ/אָ֣רֶץ הַ/זֹּ֑את כִּֽי חַנּ֤וּן וְ/רַחוּם֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֵי/כֶ֔ם וְ/לֹא יָסִ֤יר פָּנִים֙ מִ/כֶּ֔ם אִם תָּשׁ֖וּבוּ אֵלָֽי/ו
STATEN

Want als gij u bekeert tot den HEERE, zullen uw broederen en uw kinderen barmhartigheid vinden voor het aangezicht dergenen, die hen gevangen hebben, zodat zij in dit land zullen wederkomen; want de HEERE, uw God, is genadig en barmhartig, en zal het aangezicht van u niet afwenden, zo gij u tot Hem bekeert.

10
וַ/יִּֽהְי֨וּ הָ/רָצִ֜ים עֹבְרִ֨ים מֵ/עִ֧יר לָ/עִ֛יר בְּ/אֶֽרֶץ אֶפְרַ֥יִם וּ/מְנַשֶּׁ֖ה וְ/עַד זְבֻל֑וּן וַ/יִּֽהְיוּ֙ מַשְׂחִיקִ֣ים עֲלֵי/הֶ֔ם וּ/מַלְעִגִ֖ים בָּֽ/ם
STATEN

Zo gingen de lopers door, van stad tot stad, door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe; doch zij belachten hen, en bespotten hen.

11
אַךְ אֲנָשִׁ֛ים מֵ/אָשֵׁ֥ר וּ/מְנַשֶּׁ֖ה וּ/מִ/זְּבֻל֑וּן נִֽכְנְע֔וּ וַ/יָּבֹ֖אוּ לִ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

Evenwel verootmoedigden zich sommigen van Aser, en Manasse, en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem.

12
גַּ֣ם בִּ/יהוּדָ֗ה הָֽיְתָה֙ יַ֣ד הָ/אֱלֹהִ֔ים לָ/תֵ֥ת לָ/הֶ֖ם לֵ֣ב אֶחָ֑ד לַ/עֲשׂ֞וֹת מִצְוַ֥ת הַ/מֶּ֛לֶךְ וְ/הַ/שָּׂרִ֖ים בִּ/דְבַ֥ר יְהוָֽה
STATEN

Ook was de hand Gods in Juda, hun enerlei hart gevende, dat zij het gebod des konings en der vorsten deden, naar het woord des HEEREN.

13
וַ/יֵּֽאָסְפ֤וּ יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ עַם רָ֔ב לַ/עֲשׂ֛וֹת אֶת חַ֥ג הַ/מַּצּ֖וֹת בַּ/חֹ֣דֶשׁ הַ/שֵּׁנִ֑י קָהָ֖ל לָ/רֹ֥ב מְאֹֽד
STATEN

En te Jeruzalem verzamelde zich veel volks, om het feest der ongezuurde broden te houden, in de tweede maand, een zeer grote gemeente.

14
וַ/יָּקֻ֕מוּ וַ/יָּסִ֨ירוּ֙ אֶת הַֽ/מִּזְבְּח֔וֹת אֲשֶׁ֖ר בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם וְ/אֵ֤ת כָּל הַֽ/מְקַטְּרוֹת֙ הֵסִ֔ירוּ וַ/יַּשְׁלִ֖יכוּ לְ/נַ֥חַל קִדְרֽוֹן
STATEN

En zij maakten zich op, en namen de altaren weg, die te Jeruzalem waren; daartoe namen zij alle rooktuig weg, hetwelk zij in de beek Kidron wierpen.

15
וַ/יִּשְׁחֲט֣וּ הַ/פֶּ֔סַח בְּ/אַרְבָּעָ֥ה עָשָׂ֖ר לַ/חֹ֣דֶשׁ הַ/שֵּׁנִ֑י וְ/הַ/כֹּהֲנִ֨ים וְ/הַ/לְוִיִּ֤ם נִכְלְמוּ֙ וַ/יִּֽתְקַדְּשׁ֔וּ וַ/יָּבִ֥יאוּ עֹל֖וֹת בֵּ֥ית יְהוָֽה
STATEN

Toen slachtten zij het pascha, op den veertienden der tweede maand; en de priesters en de Levieten waren beschaamd geworden, en hadden zich geheiligd, en hadden brandofferen gebracht in het huis des HEEREN.

16
וַ/יַּֽעַמְד֤וּ עַל עָמְדָ/ם֙ כְּ/מִשְׁפָּטָ֔/ם כְּ/תוֹרַ֖ת מֹשֶׁ֣ה אִישׁ הָ/אֱלֹהִ֑ים הַ/כֹּֽהֲנִים֙ זֹרְקִ֣ים אֶת הַ/דָּ֔ם מִ/יַּ֖ד הַ/לְוִיִּֽם
STATEN

En zij stonden in hun stand, naar hun wijze, naar de wet van Mozes, den man Gods; de priesters sprengden het bloed, dat nemende uit de hand der Levieten.

17
כִּי רַבַּ֥ת בַּ/קָּהָ֖ל אֲשֶׁ֣ר לֹא הִתְקַדָּ֑שׁוּ וְ/הַ/לְוִיִּ֞ם עַל שְׁחִיטַ֣ת הַ/פְּסָחִ֗ים לְ/כֹל֙ לֹ֣א טָה֔וֹר לְ/הַקְדִּ֖ישׁ לַ/יהוָֽה
STATEN

Want een menigte was in die gemeente, die zich niet geheiligd hadden; daarom waren de Levieten over de slachting der paaslammeren, voor iedereen, die niet rein was, om die den HEERE te heiligen.

18
כִּ֣י מַרְבִּ֣ית הָ/עָ֡ם רַ֠בַּת מֵֽ/אֶפְרַ֨יִם וּ/מְנַשֶּׁ֜ה יִשָּׂשכָ֤ר וּ/זְבֻלוּן֙ לֹ֣א הִטֶּהָ֔רוּ כִּֽי אָכְל֥וּ אֶת הַ/פֶּ֖סַח בְּ/לֹ֣א כַ/כָּת֑וּב כִּי֩ הִתְפַּלֵּ֨ל יְחִזְקִיָּ֤הוּ עֲלֵי/הֶם֙ לֵ/אמֹ֔ר יְהוָ֥ה הַ/טּ֖וֹב יְכַפֵּ֥ר בְּעַֽד
STATEN

Want een menigte des volks, velen van Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet gelijk geschreven is. Doch Jehizkía bad voor hen, zeggende: De HEERE, die goed is, make verzoening voor dien,

19
כָּל לְבָב֣/וֹ הֵכִ֔ין לִ/דְר֛וֹשׁ הָ/אֱלֹהִ֥ים יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֣י אֲבוֹתָ֑י/ו וְ/לֹ֖א כְּ/טָהֳרַ֥ת הַ/קֹּֽדֶשׁ
STATEN

Die zijn ganse hart gericht heeft, om God den HEERE, den God zijner vaderen, te zoeken, hoewel niet naar de reinigheid des heiligdoms.

20
וַ/יִּשְׁמַ֤ע יְהוָה֙ אֶל יְחִזְקִיָּ֔הוּ וַ/יִּרְפָּ֖א אֶת הָ/עָֽם
STATEN

En de HEERE verhoorde Jehizkía, en heelde het volk.

21
וַ/יַּעֲשׂ֣וּ בְנֵֽי יִ֠שְׂרָאֵל הַ/נִּמְצְאִ֨ים בִּ/ירוּשָׁלִַ֜ם אֶת חַ֧ג הַ/מַּצּ֛וֹת שִׁבְעַ֥ת יָמִ֖ים בְּ/שִׂמְחָ֣ה גְדוֹלָ֑ה וּֽ/מְהַלְלִ֣ים לַ֠/יהוָה י֣וֹם בְּ/י֞וֹם הַ/לְוִיִּ֧ם וְ/הַ/כֹּהֲנִ֛ים בִּ/כְלֵי עֹ֖ז לַ/יהוָֽה
STATEN

Zo hielden de kinderen Israëls, die te Jeruzalem gevonden werden, het feest der ongezuurde broden, zeven dagen, met grote blijdschap. De Levieten nu en de priesteren prezen den HEERE, dag op dag, met sterk luidende instrumenten des HEEREN.

22
וַ/יְדַבֵּ֣ר יְחִזְקִיָּ֗הוּ עַל לֵב֙ כָּל הַ/לְוִיִּ֔ם הַ/מַּשְׂכִּילִ֥ים שֵֽׂכֶל ט֖וֹב לַ/יהוָ֑ה וַ/יֹּאכְל֤וּ אֶת הַ/מּוֹעֵד֙ שִׁבְעַ֣ת הַ/יָּמִ֔ים מְזַבְּחִים֙ זִבְחֵ֣י שְׁלָמִ֔ים וּ/מִ֨תְוַדִּ֔ים לַ/יהוָ֖ה אֱלֹהֵ֥י אֲבוֹתֵי/הֶֽם
STATEN

En Jehizkía sprak naar het hart van alle Levieten, die verstand hadden in de goede kennis des HEEREN; en zij aten de offeranden des gezetten hoogtijds zeven dagen, offerende dankofferen, en lovende den HEERE, den God hunner vaderen.

23
וַ/יִּוָּֽעֲצוּ֙ כָּל הַ/קָּהָ֔ל לַ/עֲשׂ֕וֹת שִׁבְעַ֥ת יָמִ֖ים אֲחֵרִ֑ים וַ/יַּֽעֲשׂ֥וּ שִׁבְעַת יָמִ֖ים שִׂמְחָֽה
STATEN

Als nu de ganse gemeente raad gehouden had, om andere zeven dagen te houden, hielden zij nog zeven dagen met blijdschap.

24
כִּ֣י חִזְקִיָּ֣הוּ מֶֽלֶךְ יְ֠הוּדָה הֵרִ֨ים לַ/קָּהָ֜ל אֶ֣לֶף פָּרִים֮ וְ/שִׁבְעַ֣ת אֲלָפִ֣ים צֹאן֒ וְ/הַ/שָּׂרִ֞ים הֵרִ֤ימוּ לַ/קָּהָל֙ פָּרִ֣ים אֶ֔לֶף וְ/צֹ֖אן עֲשֶׂ֣רֶת אֲלָפִ֑ים וַ/יִּֽתְקַדְּשׁ֥וּ כֹהֲנִ֖ים לָ/רֹֽב
STATEN

Want Jehizkía, de koning van Juda, gaf de gemeente duizend varren en zeven duizend schapen; en de vorsten gaven de gemeente duizend varren en tien duizend schapen; de priesteren nu hadden zich in menigte geheiligd.

25
וַֽ/יִּשְׂמְח֣וּ כָּל קְהַ֣ל יְהוּדָ֗ה וְ/הַ/כֹּהֲנִים֙ וְ/הַ/לְוִיִּ֔ם וְ/כָל הַ/קָּהָ֖ל הַ/בָּאִ֣ים מִ/יִּשְׂרָאֵ֑ל וְ/הַ/גֵּרִ֗ים הַ/בָּאִים֙ מֵ/אֶ֣רֶץ יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/הַ/יּוֹשְׁבִ֖ים בִּ/יהוּדָֽה
STATEN

En de ganse gemeente van Juda verblijdde zich, mitsgaders de priesteren en de Levieten, en de gehele gemeente dergenen, die uit Israël gekomen waren; ook de vreemdelingen, die uit het land van Israël gekomen waren, en die in Juda woonden.

26
וַ/תְּהִ֥י שִׂמְחָֽה גְדוֹלָ֖ה בִּֽ/ירוּשָׁלִָ֑ם כִּ֠י מִ/ימֵ֞י שְׁלֹמֹ֤ה בֶן דָּוִיד֙ מֶ֣לֶךְ יִשְׂרָאֵ֔ל לֹ֥א כָ/זֹ֖את בִּ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

Zo was er grote blijdschap te Jeruzalem; want van de dagen van Sálomo, den zoon van David, den koning van Israël, was desgelijks in Jeruzalem niet geweest.

27
וַ/יָּקֻ֜מוּ הַ/כֹּהֲנִ֤ים הַ/לְוִיִּם֙ וַ/יְבָרֲכ֣וּ אֶת הָ/עָ֔ם וַ/יִּשָּׁמַ֖ע בְּ/קוֹלָ֑/ם וַ/תָּב֧וֹא תְפִלָּתָ֛/ם לִ/מְע֥וֹן קָדְשׁ֖/וֹ לַ/שָּׁמָֽיִם
STATEN

Toen stonden de Levietische priesteren op, en zegenden het volk; en hun stem werd gehoord; want hun gebed kwam tot Zijn heilige woning in den hemel.