Ga naar inhoud
KETUVIM

2 Kronieken 6

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
אָ֖ז אָמַ֣ר שְׁלֹמֹ֑ה יְהוָ֣ה אָמַ֔ר לִ/שְׁכּ֖וֹן בָּ/עֲרָפֶֽל׃
STATEN

Toen zeide Sálomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in de donkerheid zou wonen.

2
וַֽ/אֲנִ֛י בָּנִ֥יתִי בֵית זְבֻ֖ל לָ֑/ךְ וּ/מָכ֥וֹן לְ/שִׁבְתְּ/ךָ֖ עוֹלָמִֽים־׃
STATEN

En ik heb U een huis ter woonstede gebouwd, en een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.

3
וַ/יַּסֵּ֤ב הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ אֶת פָּנָ֔י/ו וַ/יְבָ֕רֶךְ אֵ֖ת כָּל קְהַ֣ל יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/כָל קְהַ֥ל יִשְׂרָאֵ֖ל עוֹמֵֽד־־־׃
STATEN

Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de ganse gemeente van Israël; en de ganse gemeente van Israël stond.

4
וַ/יֹּ֗אמֶר בָּר֤וּךְ יְהוָה֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אֲשֶׁר֙ דִּבֶּ֣ר בְּ/פִ֔י/ו אֵ֖ת דָּוִ֣יד אָבִ֑/י וּ/בְ/יָדָ֥י/ו מִלֵּ֖א לֵ/אמֹֽר׃
STATEN

En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn handen vervuld, zeggende:

5
מִן הַ/יּ֗וֹם אֲשֶׁ֨ר הוֹצֵ֣אתִי אֶת עַמִּ/י֮ מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרַיִם֒ לֹא בָחַ֣רְתִּֽי בְ/עִ֗יר מִ/כֹּל֙ שִׁבְטֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל לִ/בְנ֣וֹת בַּ֔יִת לִ/הְי֥וֹת שְׁמִ֖/י שָׁ֑ם וְ/לֹא בָחַ֣רְתִּֽי בְ/אִ֔ישׁ לִ/הְי֥וֹת נָגִ֖יד עַל עַמִּ֥/י יִשְׂרָאֵֽל־־־־־׃
STATEN

Van dien dag af, dat Ik Mijn volk uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad verkoren uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en geen man verkoren om een voorganger te zijn over Mijn volk Israël.

6
וָ/אֶבְחַר֙ בִּ/יר֣וּשָׁלִַ֔ם לִ/הְי֥וֹת שְׁמִ֖/י שָׁ֑ם וָ/אֶבְחַ֣ר בְּ/דָוִ֔יד לִ/הְי֖וֹת עַל עַמִּ֥/י יִשְׂרָאֵֽל־׃
STATEN

Maar Ik heb Jeruzalem verkoren, dat Mijn Naam daar zou wezen; en Ik heb David verkoren, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.

7
וַ/יְהִ֕י עִם לְבַ֖ב דָּוִ֣יד אָבִ֑/י לִ/בְנ֣וֹת בַּ֔יִת לְ/שֵׁ֥ם יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל־׃
STATEN

Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis te bouwen den Naam des HEEREN, des Gods van Israël.

8
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֶל דָּוִ֣יד אָבִ֔/י יַ֗עַן אֲשֶׁ֤ר הָיָה֙ עִם לְבָ֣בְ/ךָ֔ לִ/בְנ֥וֹת בַּ֖יִת לִ/שְׁמִ֑/י הֱֽטִיב֔וֹתָ כִּ֥י הָיָ֖ה עִם לְבָבֶֽ/ךָ־־־׃
STATEN

Maar de HEERE zeide tot mijn vader David: Dewijl dat in uw hart geweest is, Mijn Naam een huis te bouwen, gij hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is.

9
רַ֣ק אַתָּ֔ה לֹ֥א תִבְנֶ֖ה הַ/בָּ֑יִת כִּ֤י בִנְ/ךָ֙ הַ/יּוֹצֵ֣א מֵֽ/חֲלָצֶ֔י/ךָ הֽוּא יִבְנֶ֥ה הַ/בַּ֖יִת לִ/שְׁמִֽ/י־׃
STATEN

Evenwel, gij zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon, die uit uw lenden voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.

10
וַ/יָּ֣קֶם יְהוָ֔ה אֶת דְּבָר֖/וֹ אֲשֶׁ֣ר דִּבֵּ֑ר וָ/אָק֡וּם תַּחַת֩ דָּוִ֨יד אָבִ֜/י וָ/אֵשֵׁ֣ב עַל כִּסֵּ֣א יִשְׂרָאֵ֗ל כַּ/אֲשֶׁר֙ דִּבֶּ֣ר יְהוָ֔ה וָ/אֶבְנֶ֣ה הַ/בַּ֔יִת לְ/שֵׁ֥ם יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל־׀־׃
STATEN

Zo heeft de HEERE Zijn woord bevestigd, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op den troon van Israël, gelijk als de HEERE gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd den Naam des HEEREN, des Gods van Israël.

11
וָ/אָשִׂ֥ים שָׁם֙ אֶת הָ֣/אָר֔וֹן אֲשֶׁר שָׁ֖ם בְּרִ֣ית יְהוָ֑ה אֲשֶׁ֥ר כָּרַ֖ת עִם בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל־־־׃
STATEN

En ik heb daar de ark gesteld, waarin het verbond des HEEREN is, hetwelk Hij maakte met de kinderen Israëls.

12
וַֽ/יַּעֲמֹ֗ד לִ/פְנֵי֙ מִזְבַּ֣ח יְהוָ֔ה נֶ֖גֶד כָּל קְהַ֣ל יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יִּפְרֹ֖שׂ כַּפָּֽי/ו־׃
STATEN

En hij stond voor het altaar des HEEREN, tegenover de ganse gemeente van Israël; en hij breidde zijn handen uit;

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Kronieken 6

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Kronieken 6 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →