Ga naar inhoud
KETUVIM

2 Kronieken 8

דִּבְרֵי הַיָּמִים ב
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֞י מִ/קֵּ֣ץ עֶשְׂרִ֣ים שָׁנָ֗ה אֲשֶׁ֨ר בָּנָ֧ה שְׁלֹמֹ֛ה אֶת בֵּ֥ית יְהוָ֖ה וְ/אֶת בֵּיתֽ/וֹ׀־־׃
STATEN

Het geschiedde nu ten einde van twintig jaren, in dewelke Sálomo het huis des HEEREN en zijn huis gebouwd had,

2
וְ/הֶ/עָרִ֗ים אֲשֶׁ֨ר נָתַ֤ן חוּרָם֙ לִ/שְׁלֹמֹ֔ה בָּנָ֥ה שְׁלֹמֹ֖ה אֹתָ֑/ם וַ/יּ֥וֹשֶׁב שָׁ֖ם אֶת בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל־׃
STATEN

Dat Sálomo de steden, welke Huram hem gegeven had, bouwde, en de kinderen Israëls aldaar deed wonen.

3
וַ/יֵּ֤לֶךְ שְׁלֹמֹה֙ חֲמָ֣ת צוֹבָ֔ה וַ/יֶּחֱזַ֖ק עָלֶֽי/הָ׃
STATEN

Daarna toog Sálomo naar Hamath-Zoba, en hij overweldigde het.

4
וַ/יִּ֥בֶן אֶת תַּדְמֹ֖ר בַּ/מִּדְבָּ֑ר וְ/אֵת֙ כָּל עָרֵ֣י הַֽ/מִּסְכְּנ֔וֹת אֲשֶׁ֥ר בָּנָ֖ה בַּ/חֲמָֽת־־׃
STATEN

Hij bouwde ook Thadmor in de woestijn, en al de schatsteden, die hij bouwde in Hamath.

5
וַ/יִּ֜בֶן אֶת בֵּ֤ית חוֹרוֹן֙ הָֽ/עֶלְי֔וֹן וְ/אֶת בֵּ֥ית חוֹר֖וֹן הַ/תַּחְתּ֑וֹן עָרֵ֣י מָצ֔וֹר חוֹמ֖וֹת דְּלָתַ֥יִם וּ/בְרִֽיחַ־־׃
STATEN

Ook bouwde hij het hoge Beth-hóron en het neder Beth-hóron, vaste steden met muren, deuren en grendelen;

6
וְ/אֶֽת בַּעֲלָ֗ת וְ/אֵ֨ת כָּל עָרֵ֤י הַֽ/מִּסְכְּנוֹת֙ אֲשֶׁ֣ר הָי֣וּ לִ/שְׁלֹמֹ֔ה וְ/אֵת֙ כָּל עָרֵ֣י הָ/רֶ֔כֶב וְ/אֵ֖ת עָרֵ֣י הַ/פָּרָשִׁ֑ים וְ/אֵ֣ת כָּל חֵ֣שֶׁק שְׁלֹמֹ֗ה אֲשֶׁ֤ר חָשַׁק֙ לִ/בְנ֤וֹת בִּ/ירֽוּשָׁלִַ֨ם֙ וּ/בַ/לְּבָנ֔וֹן וּ/בְ/כֹ֖ל אֶ֥רֶץ מֶמְשַׁלְתּֽ/וֹ־־־׀־׃
STATEN

Mitsgaders Baälath, en al de schatsteden, die Sálomo had, en alle wagensteden, en de steden der ruiteren, en wat de begeerte van Sálomo begeerd had te bouwen, in Jeruzalem, en in den Libanon, en in het ganse land zijner heerschappij.

7
כָּל הָ֠/עָם הַ/נּוֹתָ֨ר מִן הַ/חִתִּ֜י וְ/הָ/אֱמֹרִ֤י וְ/הַ/פְּרִזִּי֙ וְ/הַ/חִוִּ֣י וְ/הַ/יְבוּסִ֔י אֲשֶׁ֛ר לֹ֥א מִ/יִּשְׂרָאֵ֖ל הֵֽמָּה־־׃
STATEN

Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Hethieten, en de Amorieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, die niet uit Israël waren;

8
מִן בְּנֵי/הֶ֗ם אֲשֶׁ֨ר נוֹתְר֤וּ אַחֲרֵי/הֶם֙ בָּ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁ֥ר לֹֽא כִלּ֖וּ/ם בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יַּעֲלֵ֤/ם שְׁלֹמֹה֙ לְ/מַ֔ס עַ֖ד הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה־־׃
STATEN

Uit hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, welke de kinderen Israëls niet verdaan hadden, die bracht Sálomo op uitschot tot op dezen dag.

9
וּ/מִן בְּנֵי֙ יִשְׂרָאֵ֔ל אֲ֠שֶׁר לֹא נָתַ֧ן שְׁלֹמֹ֛ה לַ/עֲבָדִ֖ים לִ/מְלַאכְתּ֑/וֹ כִּי הֵ֜מָּה אַנְשֵׁ֤י מִלְחָמָה֙ וְ/שָׂרֵ֣י שָׁלִישָׁ֔י/ו וְ/שָׂרֵ֥י רִכְבּ֖/וֹ וּ/פָרָשָֽׁי/ו־־־׃פ
STATEN

Doch uit de kinderen Israëls, die Sálomo niet maakte tot slaven in zijn werk; (want zij waren krijgslieden, en oversten zijner hoofdlieden, en oversten zijner wagenen en zijner ruiteren);

10
וְ/אֵ֨לֶּה שָׂרֵ֤י ה/נציבים אֲשֶׁר לַ/מֶּ֥לֶךְ שְׁלֹמֹ֖ה חֲמִשִּׁ֣ים וּ/מָאתָ֑יִם הָ/רֹדִ֖ים בָּ/עָֽם הַ/נִּצָּבִ֛ים־׃
STATEN

Uit dezen dan waren oversten der bestelden, die de koning Sálomo had, tweehonderd en vijftig, die over het volk heerschappij hadden.

11
וְ/אֶת בַּת פַּרְעֹ֗ה הֶעֱלָ֤ה שְׁלֹמֹה֙ מֵ/עִ֣יר דָּוִ֔יד לַ/בַּ֖יִת אֲשֶׁ֣ר בָּֽנָה לָ֑/הּ כִּ֣י אָמַ֗ר לֹא תֵשֵׁ֨ב אִשָּׁ֥ה לִ/י֙ בְּ/בֵית֙ דָּוִ֣יד מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵ֔ל כִּי קֹ֣דֶשׁ הֵ֔מָּה אֲשֶׁר בָּֽאָ֥ה אֲלֵי/הֶ֖ם אֲר֥וֹן יְהוָֽה־־־־־־־׃פ
STATEN

Sálomo nu deed de dochter van Faraö opkomen uit de stad Davids, tot het huis, dat hij voor haar gebouwd had; want hij zeide: Mijn vrouw zal in het huis van David, den koning van Israël, niet wonen, omdat de plaatsen heilig zijn, tot dewelke de ark des HEEREN gekomen is.

12
אָ֣ז הֶעֱלָ֧ה שְׁלֹמֹ֛ה עֹל֖וֹת לַ/יהוָ֑ה עַ֚ל מִזְבַּ֣ח יְהוָ֔ה אֲשֶׁ֥ר בָּנָ֖ה לִ/פְנֵ֥י הָ/אוּלָֽם׃
STATEN

Toen offerde Sálomo den HEERE brandofferen op het altaar des HEEREN, hetwelk hij vóór het voorhuis gebouwd had;

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Kronieken 8

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Kronieken 8 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →