Ga naar inhoud
NEVIIM

Richteren 10

שׁוֹפְטִים
Hoofdstukken (21)← → toetsen
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יָּקָם֩ אַחֲרֵ֨י אֲבִימֶ֜לֶךְ לְ/הוֹשִׁ֣יעַ אֶת יִשְׂרָאֵ֗ל תּוֹלָ֧ע בֶּן פּוּאָ֛ה בֶּן דּוֹד֖וֹ אִ֣ישׁ יִשָּׂשכָ֑ר וְ/הֽוּא יֹשֵׁ֥ב בְּ/שָׁמִ֖יר בְּ/הַ֥ר אֶפְרָֽיִם־־־־׃
STATEN

Na Abimélech nu stond op, om Israël te behouden, Thola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van Issaschar; en hij woonde te Samir, op het gebergte van Efraïm.

2
וַ/יִּשְׁפֹּט֙ אֶת יִשְׂרָאֵ֔ל עֶשְׂרִ֥ים וְ/שָׁלֹ֖שׁ שָׁנָ֑ה וַ/יָּ֖מָת וַ/יִּקָּבֵ֥ר בְּ/שָׁמִֽיר־׃פ
STATEN

En hij richtte Israël drie en twintig jaren; en hij stierf, en werd begraven te Samir.

3
וַ/יָּ֣קָם אַחֲרָ֔י/ו יָאִ֖יר הַ/גִּלְעָדִ֑י וַ/יִּשְׁפֹּט֙ אֶת יִשְׂרָאֵ֔ל עֶשְׂרִ֥ים וּ/שְׁתַּ֖יִם שָׁנָֽה־׃
STATEN

En na hem stond op Jaïr, de Gileadiet; en hij richtte Israël twee en twintig jaren.

4
וַֽ/יְהִי ל֞/וֹ שְׁלֹשִׁ֣ים בָּנִ֗ים רֹֽכְבִים֙ עַל שְׁלֹשִׁ֣ים עֲיָרִ֔ים וּ/שְׁלֹשִׁ֥ים עֲיָרִ֖ים לָ/הֶ֑ם לָ/הֶ֞ם יִקְרְא֣וּ חַוֺּ֣ת יָאִ֗יר עַ֚ד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֔ה אֲשֶׁ֖ר בְּ/אֶ֥רֶץ הַ/גִּלְעָֽד־־׀׃
STATEN

En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvôth-Jaïr, tot op dezen dag, dewelke in het land van Gilead zijn.

5
וַ/יָּ֣מָת יָאִ֔יר וַ/יִּקָּבֵ֖ר בְּ/קָמֽוֹן׃פ
STATEN

En Jaïr stierf, en werd begraven te Kamon.

6
וַ/יֹּסִ֣פוּ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל לַ/עֲשׂ֣וֹת הָ/רַע֮ בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָה֒ וַ/יַּעַבְד֣וּ אֶת הַ/בְּעָלִ֣ים וְ/אֶת הָ/עַשְׁתָּר֡וֹת וְ/אֶת אֱלֹהֵ֣י אֲרָם֩ וְ/אֶת אֱלֹהֵ֨י צִיד֜וֹן וְ/אֵ֣ת אֱלֹהֵ֣י מוֹאָ֗ב וְ/אֵת֙ אֱלֹהֵ֣י בְנֵי עַמּ֔וֹן וְ/אֵ֖ת אֱלֹהֵ֣י פְלִשְׁתִּ֑ים וַ/יַּעַזְב֥וּ אֶת יְהוָ֖ה וְ/לֹ֥א עֲבָדֽוּ/הוּ׀־־־־׀־־׃
STATEN

Toen voeren de kinderen Israëls voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en dienden de Baäls, en Astharoth, en de goden van Syrië, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden der kinderen Ammons, mitsgaders de goden der Filistijnen; en zij verlieten den HEERE, en dienden Hem niet.

7
וַ/יִּֽחַר אַ֥ף יְהוָ֖ה בְּ/יִשְׂרָאֵ֑ל וַֽ/יִּמְכְּרֵ/ם֙ בְּ/יַד פְּלִשְׁתִּ֔ים וּ/בְ/יַ֖ד בְּנֵ֥י עַמּֽוֹן־־׃
STATEN

Zo ontstak de toorn des HEEREN tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand der Filistijnen, en in de hand der kinderen Ammons.

8
וַֽ/יִּרְעֲצ֤וּ וַ/יְרֹֽצְצוּ֙ אֶת בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל בַּ/שָּׁנָ֖ה הַ/הִ֑יא שְׁמֹנֶ֨ה עֶשְׂרֵ֜ה שָׁנָ֗ה אֶֽת כָּל בְּנֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ אֲשֶׁר֙ בְּ/עֵ֣בֶר הַ/יַּרְדֵּ֔ן בְּ/אֶ֥רֶץ הָ/אֱמֹרִ֖י אֲשֶׁ֥ר בַּ/גִּלְעָֽד־־־׃
STATEN

En zij onderdrukten en vertraden de kinderen Israëls in datzelve jaar; achttien jaren onderdrukten zij al de kinderen Israëls, die aan gene zijde van de Jordaan waren, in het land der Amorieten, dat in Gilead is.

9
וַ/יַּעַבְר֤וּ בְנֵֽי עַמּוֹן֙ אֶת הַ/יַּרְדֵּ֔ן לְ/הִלָּחֵ֛ם גַּם בִּ/יהוּדָ֥ה וּ/בְ/בִנְיָמִ֖ין וּ/בְ/בֵ֣ית אֶפְרָ֑יִם וַ/תֵּ֥צֶר לְ/יִשְׂרָאֵ֖ל מְאֹֽד־־־׃
STATEN

Daartoe togen de kinderen Ammons over de Jordaan, om te krijgen, zelfs tegen Juda, en tegen Benjamin, en tegen het huis van Efraïm; zodat het Israël zeer bang werd.

10
וַֽ/יִּזְעֲקוּ֙ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אֶל יְהוָ֖ה לֵ/אמֹ֑ר חָטָ֣אנוּ לָ֔/ךְ וְ/כִ֤י עָזַ֨בְנוּ֙ אֶת אֱלֹהֵ֔י/נוּ וַֽ/נַּעֲבֹ֖ד אֶת הַ/בְּעָלִֽים־־־׃פ
STATEN

Toen riepen de kinderen Israëls tot den HEERE, zeggende: Wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onzen God hebben verlaten, als dat wij de Baäls gediend hebben.

11
וַ֥/יֹּאמֶר יְהוָ֖ה אֶל בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל הֲ/לֹ֤א מִ/מִּצְרַ֨יִם֙ וּ/מִן הָ֣/אֱמֹרִ֔י וּ/מִן בְּנֵ֥י עַמּ֖וֹן וּ/מִן פְּלִשְׁתִּֽים־־־־׃
STATEN

Maar de HEERE zeide tot de kinderen Israëls: Heb Ik u niet van de Egyptenaren, en van de Amorieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen,

12
וְ/צִידוֹנִ֤ים וַֽ/עֲמָלֵק֙ וּ/מָע֔וֹן לָחֲצ֖וּ אֶתְ/כֶ֑ם וַ/תִּצְעֲק֣וּ אֵלַ֔/י וָ/אוֹשִׁ֥יעָ/ה אֶתְ/כֶ֖ם מִ/יָּדָֽ/ם׃
STATEN

En de Sidoniërs, en Amalekieten, en Maonieten, die u onderdrukten, toen gij tot Mij riept, alsdan uit hun hand verlost?

Op De Naamdragers

Blogs over Richteren 10

Nog geen artikelen die specifiek naar Richteren 10 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →