Ga naar inhoud
NEVIIM

Richteren 7

שׁוֹפְטִים
Hoofdstukken (21)← → toetsen
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יַּשְׁכֵּ֨ם יְרֻבַּ֜עַל ה֣וּא גִדְע֗וֹן וְ/כָל הָ/עָם֙ אֲשֶׁ֣ר אִתּ֔/וֹ וַֽ/יַּחֲנ֖וּ עַל עֵ֣ין חֲרֹ֑ד וּ/מַחֲנֵ֤ה מִדְיָן֙ הָיָה ל֣/וֹ מִ/צָּפ֔וֹן מִ/גִּבְעַ֥ת הַ/מּוֹרֶ֖ה בָּ/עֵֽמֶק־־־׃
STATEN

Toen stond Jerubbaäl (dewelke is Gídeon) vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij legerden zich aan de fontein van Harod; dat hij het heirleger der Midianieten had tegen het noorden, achter den heuvel More, in het dal.

2
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֶל גִּדְע֔וֹן רַ֗ב הָ/עָם֙ אֲשֶׁ֣ר אִתָּ֔/ךְ מִ/תִּתִּ֥/י אֶת מִדְיָ֖ן בְּ/יָדָ֑/ם פֶּן יִתְפָּאֵ֨ר עָלַ֤/י יִשְׂרָאֵל֙ לֵ/אמֹ֔ר יָדִ֖/י הוֹשִׁ֥יעָה לִּֽ/י־־־׃
STATEN

En de HEERE zeide tot Gídeon: Des volks is te veel, dat met u is, dan dat Ik de Midianieten in hun hand zou geven; opdat zich Israël niet tegen Mij beroeme, zeggende: Mijn hand heeft mij verlost.

3
וְ/עַתָּ֗ה קְרָ֨א נָ֜א בְּ/אָזְנֵ֤י הָ/עָם֙ לֵ/אמֹ֔ר מִֽי יָרֵ֣א וְ/חָרֵ֔ד יָשֹׁ֥ב וְ/יִצְפֹּ֖ר מֵ/הַ֣ר הַ/גִּלְעָ֑ד וַ/יָּ֣שָׁב מִן הָ/עָ֗ם עֶשְׂרִ֤ים וּ/שְׁנַ֨יִם֙ אֶ֔לֶף וַ/עֲשֶׂ֥רֶת אֲלָפִ֖ים נִשְׁאָֽרוּ־־׃ס
STATEN

Nu dan, roep nu uit voor de oren des volks, zeggende: Wie blode en versaagd is, die kere weder, en spoede zich naar het gebergte van Gílead! Toen keerden uit het volk weder twee en twintig duizend, dat er tien duizend overbleven.

4
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוָ֜ה אֶל גִּדְע֗וֹן עוֹד֮ הָ/עָ֣ם רָב֒ הוֹרֵ֤ד אוֹתָ/ם֙ אֶל הַ/מַּ֔יִם וְ/אֶצְרְפֶ֥/נּוּ לְ/ךָ֖ שָׁ֑ם וְ/הָיָ֡ה אֲשֶׁר֩ אֹמַ֨ר אֵלֶ֜י/ךָ זֶ֣ה יֵלֵ֣ךְ אִתָּ֗/ךְ ה֚וּא יֵלֵ֣ךְ אִתָּ֔/ךְ וְ/כֹ֨ל אֲשֶׁר אֹמַ֜ר אֵלֶ֗י/ךָ זֶ֚ה לֹא יֵלֵ֣ךְ עִמָּ֔/ךְ ה֖וּא לֹ֥א יֵלֵֽךְ־־׀־־׃
STATEN

En de HEERE zeide tot Gídeon: Nog is des volks te veel; doe hen afgaan naar het water, en Ik zal ze u aldaar beproeven; en het zal geschieden, van welken Ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken, die zal met u trekken; maar al degene, van welken Ik zeggen zal: Deze zal niet met u trekken, die zal niet trekken.

5
וַ/יּ֥וֹרֶד אֶת הָ/עָ֖ם אֶל הַ/מָּ֑יִם וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוָ֜ה אֶל גִּדְע֗וֹן כֹּ֣ל אֲשֶׁר יָלֹק֩ בִּ/לְשׁוֹנ֨/וֹ מִן הַ/מַּ֜יִם כַּ/אֲשֶׁ֧ר יָלֹ֣ק הַ/כֶּ֗לֶב תַּצִּ֤יג אוֹת/וֹ֙ לְ/בָ֔ד וְ/כֹ֛ל אֲשֶׁר יִכְרַ֥ע עַל בִּרְכָּ֖י/ו לִ/שְׁתּֽוֹת־־ס־־־־־׃
STATEN

En hij deed het volk afgaan naar het water. Toen zeide de HEERE tot Gídeon: Al wie met zijn tong uit het water zal lekken, gelijk als een hond zou lekken, dien zult gij alleen stellen; desgelijks al wie op zijn knieën zal bukken om te drinken.

6
וַ/יְהִ֗י מִסְפַּ֞ר הַֽ/מֲלַקְקִ֤ים בְּ/יָדָ/ם֙ אֶל פִּי/הֶ֔ם שְׁלֹ֥שׁ מֵא֖וֹת אִ֑ישׁ וְ/כֹל֙ יֶ֣תֶר הָ/עָ֔ם כָּרְע֥וּ עַל בִּרְכֵי/הֶ֖ם לִ/שְׁתּ֥וֹת מָֽיִם־־׃ס
STATEN

Toen was het getal dergenen, die met hun hand tot hun mond gelekt hadden, driehonderd man; maar alle overigen des volks hadden op hun knieën gebukt, om water te drinken.

7
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוָ֜ה אֶל גִּדְע֗וֹן בִּ/שְׁלֹשׁ֩ מֵא֨וֹת הָ/אִ֤ישׁ הַֽ/מֲלַקְקִים֙ אוֹשִׁ֣יעַ אֶתְ/כֶ֔ם וְ/נָתַתִּ֥י אֶת מִדְיָ֖ן בְּ/יָדֶ֑/ךָ וְ/כָל הָ/עָ֔ם יֵלְכ֖וּ אִ֥ישׁ לִ/מְקֹמֽ/וֹ־־־׃
STATEN

En de HEERE zeide tot Gídeon: Door deze driehonderd mannen, die gelekt hebben, zal Ik ulieden verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats.

8
וַ/יִּקְח֣וּ אֶת צֵדָה֩ הָ/עָ֨ם בְּ/יָדָ֜/ם וְ/אֵ֣ת שׁוֹפְרֹֽתֵי/הֶ֗ם וְ/אֵ֨ת כָּל אִ֤ישׁ יִשְׂרָאֵל֙ שִׁלַּח֙ אִ֣ישׁ לְ/אֹֽהָלָ֔י/ו וּ/בִ/שְׁלֹשׁ מֵא֥וֹת הָ/אִ֖ישׁ הֶֽחֱזִ֑יק וּ/מַחֲנֵ֣ה מִדְיָ֔ן הָ֥יָה ל֖/וֹ מִ/תַּ֥חַת בָּ/עֵֽמֶק־־־׃פ
STATEN

En het volk nam den teerkost in hun hand, en hun bazuinen; en hij liet al die mannen van Israël gaan, een iegelijk naar zijn tent; maar die driehonderd man behield hij. En hij had het heirleger der Midianieten beneden in het dal.

9
וַֽ/יְהִי֙ בַּ/לַּ֣יְלָה הַ/ה֔וּא וַ/יֹּ֤אמֶר אֵלָי/ו֙ יְהוָ֔ה ק֖וּם רֵ֣ד בַּֽ/מַּחֲנֶ֑ה כִּ֥י נְתַתִּ֖י/ו בְּ/יָדֶֽ/ךָ׃
STATEN

En het geschiedde in denzelven nacht, dat de HEERE tot hem zeide: Sta op, ga henen af in het leger, want Ik heb het in uw hand gegeven.

10
וְ/אִם יָרֵ֥א אַתָּ֖ה לָ/רֶ֑דֶת רֵ֥ד אַתָּ֛ה וּ/פֻרָ֥ה נַעַרְ/ךָ֖ אֶל הַֽ/מַּחֲנֶֽה־־׃
STATEN

Vreest gij dan nog af te gaan, zo ga af, gij, en Pura, uw jongen, naar het leger.

11
וְ/שָֽׁמַעְתָּ֙ מַה יְדַבֵּ֔רוּ וְ/אַחַר֙ תֶּחֱזַ֣קְנָה יָדֶ֔י/ךָ וְ/יָרַדְתָּ֖ בַּֽ/מַּחֲנֶ֑ה וַ/יֵּ֤רֶד הוּא֙ וּ/פֻרָ֣ה נַעֲר֔/וֹ אֶל קְצֵ֥ה הַ/חֲמֻשִׁ֖ים אֲשֶׁ֥ר בַּֽ/מַּחֲנֶֽה־־׃
STATEN

En gij zult horen, wat zij zullen spreken, en daarna zullen uw handen gesterkt worden, dat gij aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af, met Pura, zijn jongen, tot het uiterste der schildwachten, die in het leger waren.

12
וּ/מִדְיָ֨ן וַ/עֲמָלֵ֤ק וְ/כָל בְּנֵי קֶ֨דֶם֙ נֹפְלִ֣ים בָּ/עֵ֔מֶק כָּ/אַרְבֶּ֖ה לָ/רֹ֑ב וְ/לִ/גְמַלֵּי/הֶם֙ אֵ֣ין מִסְפָּ֔ר כַּ/ח֛וֹל שֶׁ/עַל שְׂפַ֥ת הַ/יָּ֖ם לָ/רֹֽב־־־׃
STATEN

En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hun kemelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan den oever der zee is, in menigte.

Op De Naamdragers

Blogs over Richteren 7

Nog geen artikelen die specifiek naar Richteren 7 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →