NEVIIM

Richteren 5

שׁוֹפְטִים
Hoofdstukken (21)
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
1
וַ/תָּ֣שַׁר דְּבוֹרָ֔ה וּ/בָרָ֖ק בֶּן אֲבִינֹ֑עַם בַּ/יּ֥וֹם הַ/ה֖וּא לֵ/אמֹֽר
STATEN

Voorts zong Debóra, en Barak, de zoon van Abinóam, ten zelven dage, zeggende:

2
בִּ/פְרֹ֤עַ פְּרָעוֹת֙ בְּ/יִשְׂרָאֵ֔ל בְּ/הִתְנַדֵּ֖ב עָ֑ם בָּרֲכ֖וּ יְהוָֽה
STATEN

Looft den HEERE, van het wreken der wraken in Israël, van dat het volk zich gewillig heeft aangeboden.

3
שִׁמְע֣וּ מְלָכִ֔ים הַאֲזִ֖ינוּ רֹֽזְנִ֑ים אָֽנֹכִ֗י לַֽ/יהוָה֙ אָנֹכִ֣י אָשִׁ֔ירָה אֲזַמֵּ֕ר לַֽ/יהוָ֖ה אֱלֹהֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Hoort, gij koningen, neemt ter oren, gij vorsten! Ik, den HEERE zal ik zingen, ik zal den HEERE, den God Israëls, psalmzingen.

4
יְהוָ֗ה בְּ/צֵאתְ/ךָ֤ מִ/שֵּׂעִיר֙ בְּ/צַעְדְּ/ךָ֙ מִ/שְּׂדֵ֣ה אֱד֔וֹם אֶ֣רֶץ רָעָ֔שָׁה גַּם שָׁמַ֖יִם נָטָ֑פוּ גַּם עָבִ֖ים נָ֥טְפוּ מָֽיִם
STATEN

HEERE! toen Gij voorttoogt van Seïr, toen Gij daarheen traadt van het veld van Edom, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water.

5
הָרִ֥ים נָזְל֖וּ מִ/פְּנֵ֣י יְהוָ֑ה זֶ֣ה סִינַ֔י מִ/פְּנֵ֕י יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

De bergen vervloten van het aangezicht des HEEREN; zelfs Sinaï van het aangezicht des HEEREN, des Gods van Israël.

6
בִּ/ימֵ֞י שַׁמְגַּ֤ר בֶּן עֲנָת֙ בִּ/ימֵ֣י יָעֵ֔ל חָדְל֖וּ אֳרָח֑וֹת וְ/הֹלְכֵ֣י נְתִיב֔וֹת יֵלְכ֕וּ אֳרָח֖וֹת עֲקַלְקַלּֽוֹת
STATEN

In de dagen van Samgar, den zoon van Anath, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen.

7
חָדְל֧וּ פְרָז֛וֹן בְּ/יִשְׂרָאֵ֖ל חָדֵ֑לּוּ עַ֤ד שַׁ/קַּ֨מְתִּי֙ דְּבוֹרָ֔ה שַׁ/קַּ֥מְתִּי אֵ֖ם בְּ/יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

De dorpen hielden op in Israël, zij hielden op; totdat ik, Debóra, opstond, dat ik opstond, een moeder in Israël.

8
יִבְחַר֙ אֱלֹהִ֣ים חֲדָשִׁ֔ים אָ֖ז לָחֶ֣ם שְׁעָרִ֑ים מָגֵ֤ן אִם יֵֽרָאֶה֙ וָ/רֹ֔מַח בְּ/אַרְבָּעִ֥ים אֶ֖לֶף בְּ/יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Verkoos hij nieuwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of een spies, onder veertig duizend in Israël?

9
לִבִּ/י֙ לְ/חוֹקְקֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל הַ/מִּֽתְנַדְּבִ֖ים בָּ/עָ֑ם בָּרֲכ֖וּ יְהוָֽה
STATEN

Mijn hart is tot de wetgevers van Israël, die zich gewillig aangeboden hebben onder het volk; looft den HEERE!

10
רֹכְבֵי֩ אֲתֹנ֨וֹת צְחֹר֜וֹת יֹשְׁבֵ֧י עַל מִדִּ֛ין וְ/הֹלְכֵ֥י עַל דֶּ֖רֶךְ שִֽׂיחוּ
STATEN

Gij, die op witte ezelinnen rijdt, gij, die aan het gerichte zit, en gij, die over weg wandelt, spreekt er van!

11
מִ/קּ֣וֹל מְחַֽצְצִ֗ים בֵּ֚ין מַשְׁאַבִּ֔ים שָׁ֤ם יְתַנּוּ֙ צִדְק֣וֹת יְהוָ֔ה צִדְקֹ֥ת פִּרְזֹנ֖/וֹ בְּ/יִשְׂרָאֵ֑ל אָ֛ז יָרְד֥וּ לַ/שְּׁעָרִ֖ים עַם יְהוָֽה
STATEN

Van het gedruis der schutters, tussen de plaatsen, waar men water schept, spreekt aldaar te zamen van de gerechtigheden des HEEREN, van de gerechtigheden, bewezen aan Zijn dorpen in Israël; toen ging des HEEREN volk af tot de poorten.

12
עוּרִ֤י עוּרִי֙ דְּבוֹרָ֔ה ע֥וּרִי ע֖וּרִי דַּבְּרִי שִׁ֑יר ק֥וּם בָּרָ֛ק וּֽ/שֲׁבֵ֥ה שֶׁבְיְ/ךָ֖ בֶּן אֲבִינֹֽעַם
STATEN

Waak op, waak op, Debóra, waak op, waak op, spreek een lied! maak u op, Barak! en leid uw gevangenen gevangen, gij zoon van Abinóam.

13
אָ֚ז יְרַ֣ד שָׂרִ֔יד לְ/אַדִּירִ֖ים עָ֑ם יְהוָ֕ה יְרַד לִ֖/י בַּ/גִּבּוֹרִֽים
STATEN

Toen deed Hij den overgeblevene heersen over de heerlijken onder het volk; de HEERE doet mij heersen over de geweldigen.

14
מִנִּ֣י אֶפְרַ֗יִם שָׁרְשָׁ/ם֙ בַּ/עֲמָלֵ֔ק אַחֲרֶ֥י/ךָ בִנְיָמִ֖ין בַּֽ/עֲמָמֶ֑י/ךָ מִנִּ֣י מָכִ֗יר יָֽרְדוּ֙ מְחֹ֣קְקִ֔ים וּ/מִ֨/זְּבוּלֻ֔ן מֹשְׁכִ֖ים בְּ/שֵׁ֥בֶט סֹפֵֽר
STATEN

Uit Efraïm was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit Machir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebulon, trekkende door den staf des schrijvers.

15
וְ/שָׂרַ֤/י בְּ/יִשָּׂשכָר֙ עִם דְּבֹרָ֔ה וְ/יִשָּׂשכָר֙ כֵּ֣ן בָּרָ֔ק בָּ/עֵ֖מֶק שֻׁלַּ֣ח בְּ/רַגְלָ֑י/ו בִּ/פְלַגּ֣וֹת רְאוּבֵ֔ן גְּדֹלִ֖ים חִקְקֵי לֵֽב
STATEN

Ook waren de vorsten in Issaschar met Debóra; en gelijk Issaschar, alzo was Barak; op zijn voeten werd hij gezonden in het dal. In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen des harten groot.

16
לָ֣/מָּה יָשַׁ֗בְתָּ בֵּ֚ין הַֽ/מִּשְׁפְּתַ֔יִם לִ/שְׁמֹ֖עַ שְׁרִק֣וֹת עֲדָרִ֑ים לִ/פְלַגּ֣וֹת רְאוּבֵ֔ן גְּדוֹלִ֖ים חִקְרֵי לֵֽב
STATEN

Waarom bleeft gij zitten tussen de stallingen, om te horen het geblaat der kudden? De gedeelten van Ruben hadden grote onderzoekingen des harten.

17
גִּלְעָ֗ד בְּ/עֵ֤בֶר הַ/יַּרְדֵּן֙ שָׁכֵ֔ן וְ/דָ֕ן לָ֥/מָּה יָג֖וּר אֳנִיּ֑וֹת אָשֵׁ֗ר יָשַׁב֙ לְ/ח֣וֹף יַמִּ֔ים וְ/עַ֥ל מִפְרָצָ֖י/ו יִשְׁכּֽוֹן
STATEN

Gilead bleef aan gene zijde van de Jordaan; en Dan, waarom onthield hij zich in schepen! Aser zat aan de zeehaven, en bleef in zijn gescheurde plaatsen.

18
זְבֻל֗וּן עַ֣ם חֵרֵ֥ף נַפְשׁ֛/וֹ לָ/מ֖וּת וְ/נַפְתָּלִ֑י עַ֖ל מְרוֹמֵ֥י שָׂדֶֽה
STATEN

Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft ter dood, insgelijks Nafthali, op de hoogten des velds.

19
בָּ֤אוּ מְלָכִים֙ נִלְחָ֔מוּ אָ֤ז נִלְחֲמוּ֙ מַלְכֵ֣י כְנַ֔עַן בְּ/תַעְנַ֖ךְ עַל מֵ֣י מְגִדּ֑וֹ בֶּ֥צַע כֶּ֖סֶף לֹ֥א לָקָֽחוּ
STATEN

De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanaän, te Tháänach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen gewin des zilvers daarvan.

20
מִן שָׁמַ֖יִם נִלְחָ֑מוּ הַ/כּֽוֹכָבִים֙ מִ/מְּסִלּוֹתָ֔/ם נִלְחֲמ֖וּ עִם סִיסְרָֽא
STATEN

Van den hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sísera.

21
נַ֤חַל קִישׁוֹן֙ גְּרָפָ֔/ם נַ֥חַל קְדוּמִ֖ים נַ֣חַל קִישׁ֑וֹן תִּדְרְכִ֥י נַפְשִׁ֖/י עֹֽז
STATEN

De beek Kison wentelde hen weg, de beek Kedûmin, de beek Kison; vertreed, o mijn ziel! de sterken.

22
אָ֥ז הָלְמ֖וּ עִקְּבֵי ס֑וּס מִֽ/דַּהֲר֖וֹת דַּהֲר֥וֹת אַבִּירָֽי/ו
STATEN

Toen werden de paardenhoeven verpletterd, van het rennen, het rennen zijner machtigen.

23
א֣וֹרוּ מֵר֗וֹז אָמַר֙ מַלְאַ֣ךְ יְהוָ֔ה אֹ֥רוּ אָר֖וֹר יֹשְׁבֶ֑י/הָ כִּ֤י לֹֽא בָ֨אוּ֙ לְ/עֶזְרַ֣ת יְהוָ֔ה לְ/עֶזְרַ֥ת יְהוָ֖ה בַּ/גִּבּוֹרִֽים
STATEN

Vloekt Meroz, zegt de Engel des HEEREN, vloekt haar inwoners geduriglijk; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, met de helden.

24
תְּבֹרַךְ֙ מִ/נָּשִׁ֔ים יָעֵ֕ל אֵ֖שֶׁת חֶ֣בֶר הַ/קֵּינִ֑י מִ/נָּשִׁ֥ים בָּ/אֹ֖הֶל תְּבֹרָֽךְ
STATEN

Gezegend zij boven de vrouwen Jaël, de huisvrouw van Heber, den Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent!

25
מַ֥יִם שָׁאַ֖ל חָלָ֣ב נָתָ֑נָה בְּ/סֵ֥פֶל אַדִּירִ֖ים הִקְרִ֥יבָה חֶמְאָֽה
STATEN

Water eiste hij, melk gaf zij; in een herenschaal bracht zij boter.

26
יָדָ/הּ֙ לַ/יָּתֵ֣ד תִּשְׁלַ֔חְנָה וִֽ/ימִינָ֖/הּ לְ/הַלְמ֣וּת עֲמֵלִ֑ים וְ/הָלְמָ֤ה סִֽיסְרָא֙ מָחֲקָ֣ה רֹאשׁ֔/וֹ וּ/מָחֲצָ֥ה וְ/חָלְפָ֖ה רַקָּתֽ/וֹ
STATEN

Haar hand sloeg zij aan den nagel, en haar rechterhand aan den hamer der arbeidslieden; en zij klopte Sísera; zij streek zijn hoofd af, als zij zijn slaap had doornageld en doordrongen.

27
בֵּ֣ין רַגְלֶ֔י/הָ כָּרַ֥ע נָפַ֖ל שָׁכָ֑ב בֵּ֤ין רַגְלֶ֨י/הָ֙ כָּרַ֣ע נָפָ֔ל בַּ/אֲשֶׁ֣ר כָּרַ֔ע שָׁ֖ם נָפַ֥ל שָׁדֽוּד
STATEN

Tussen haar voeten kromde hij zich, viel henen, lag daar neder; tussen haar voeten kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij geheel geschonden!

28
בְּעַד֩ הַ/חַלּ֨וֹן נִשְׁקְפָ֧ה וַ/תְּיַבֵּ֛ב אֵ֥ם סִֽיסְרָ֖א בְּעַ֣ד הָֽ/אֶשְׁנָ֑ב מַדּ֗וּעַ בֹּשֵׁ֤שׁ רִכְבּ/וֹ֙ לָ/ב֔וֹא מַדּ֣וּעַ אֶֽחֱר֔וּ פַּעֲמֵ֖י מַרְכְּבוֹתָֽי/ו
STATEN

De moeder van Sísera keek uit door het venster, en schreeuwde door de traliën: Waarom vertoeft zijn wagen te komen! Waarom blijven de gangen zijner wagenen achter?

29
חַכְמ֥וֹת שָׂרוֹתֶ֖י/הָ תַּעֲנֶ֑ינָּה אַף הִ֕יא תָּשִׁ֥יב אֲמָרֶ֖י/הָ לָֽ/הּ
STATEN

De wijsten harer staatvrouwen antwoordden; ook beantwoordde zij haar redenen aan zichzelve:

30
הֲ/לֹ֨א יִמְצְא֜וּ יְחַלְּק֣וּ שָׁלָ֗ל רַ֤חַם רַחֲמָתַ֨יִם֙ לְ/רֹ֣אשׁ גֶּ֔בֶר שְׁלַ֤ל צְבָעִים֙ לְ/סִ֣יסְרָ֔א שְׁלַ֥ל צְבָעִ֖ים רִקְמָ֑ה צֶ֥בַע רִקְמָתַ֖יִם לְ/צַוְּארֵ֥י שָׁלָֽל
STATEN

Zouden zij dan den buit niet vinden en delen? een liefje, of twee liefjes, voor iegelijken man? Voor Sísera een buit van verscheidene verven, een buit van verscheidene verven, gestikt; van verscheiden verf aan beide zijden gestikt, voor de buithalzen?

31
כֵּ֠ן יֹאבְד֤וּ כָל אוֹיְבֶ֨י/ךָ֙ יְהוָ֔ה וְ/אֹ֣הֲבָ֔י/ו כְּ/צֵ֥את הַ/שֶּׁ֖מֶשׁ בִּ/גְבֻרָת֑/וֹ וַ/תִּשְׁקֹ֥ט הָ/אָ֖רֶץ אַרְבָּעִ֥ים שָׁנָֽה
STATEN

Alzo moeten omkomen al Uw vijanden, o HEERE! die Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn, als wanneer de zon opgaat in haar kracht. En het land was stil, veertig jaren.