Ga naar inhoud
NEVIIM

Richteren 14

שׁוֹפְטִים
Hoofdstukken (21)← → toetsen
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֵּ֥רֶד שִׁמְשׁ֖וֹן תִּמְנָ֑תָ/ה וַ/יַּ֥רְא אִשָּׁ֛ה בְּ/תִמְנָ֖תָ/ה מִ/בְּנ֥וֹת פְּלִשְׁתִּֽים׃
STATEN

En Simson ging af naar Thimnath, en gezien hebbende een vrouw te Thimnath, van de dochteren der Filistijnen,

2
וַ/יַּ֗עַל וַ/יַּגֵּד֙ לְ/אָבִ֣י/ו וּ/לְ/אִמּ֔/וֹ וַ/יֹּ֗אמֶר אִשָּׁ֛ה רָאִ֥יתִי בְ/תִמְנָ֖תָ/ה מִ/בְּנ֣וֹת פְּלִשְׁתִּ֑ים וְ/עַתָּ֕ה קְחוּ אוֹתָ֥/הּ לִּ֖/י לְ/אִשָּֽׁה־׃
STATEN

Zo ging hij opwaarts, en gaf het zijn vader en zijn moeder te kennen, en zeide: Ik heb een vrouw gezien te Thimnath, van de dochteren der Filistijnen; nu dan, neemt mij die tot een vrouw.

3
וַ/יֹּ֨אמֶר ל֜/וֹ אָבִ֣י/ו וְ/אִמּ֗/וֹ הַ/אֵין֩ בִּ/בְנ֨וֹת אַחֶ֤י/ךָ וּ/בְ/כָל עַמִּ/י֙ אִשָּׁ֔ה כִּֽי אַתָּ֤ה הוֹלֵךְ֙ לָ/קַ֣חַת אִשָּׁ֔ה מִ/פְּלִשְׁתִּ֖ים הָ/עֲרֵלִ֑ים וַ/יֹּ֨אמֶר שִׁמְשׁ֤וֹן אֶל אָבִי/ו֙ אוֹתָ֣/הּ קַֽח לִ֔/י כִּֽי הִ֖יא יָשְׁרָ֥ה בְ/עֵינָֽ/י־־־־־׃
STATEN

Maar zijn vader zeide tot hem, mitsgaders zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochteren uwer broeders, en onder al mijn volk, dat gij heengaat, om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zeide tot zijn vader: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen.

4
וְ/אָבִ֨י/ו וְ/אִמּ֜/וֹ לֹ֣א יָדְע֗וּ כִּ֤י מֵ/יְהוָה֙ הִ֔יא כִּי תֹאֲנָ֥ה הֽוּא מְבַקֵּ֖שׁ מִ/פְּלִשְׁתִּ֑ים וּ/בָ/עֵ֣ת הַ/הִ֔יא פְּלִשְׁתִּ֖ים מֹשְׁלִ֥ים בְּ/יִשְׂרָאֵֽל־־׃פ
STATEN

Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van den HEERE was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten te dier tijd over Israël.

5
וַ/יֵּ֧רֶד שִׁמְשׁ֛וֹן וְ/אָבִ֥י/ו וְ/אִמּ֖/וֹ תִּמְנָ֑תָ/ה וַ/יָּבֹ֨אוּ֙ עַד כַּרְמֵ֣י תִמְנָ֔תָ/ה וְ/הִנֵּה֙ כְּפִ֣יר אֲרָי֔וֹת שֹׁאֵ֖ג לִ/קְרָאתֽ/וֹ־׃
STATEN

Alzo ging Simson, met zijn vader en zijn moeder, henen af naar Thimnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziet daar, een jonge leeuw, brullende hem tegemoet.

6
וַ/תִּצְלַ֨ח עָלָ֜י/ו ר֣וּחַ יְהוָ֗ה וַֽ/יְשַׁסְּעֵ֨/הוּ֙ כְּ/שַׁסַּ֣ע הַ/גְּדִ֔י וּ/מְא֖וּמָה אֵ֣ין בְּ/יָד֑/וֹ וְ/לֹ֤א הִגִּיד֙ לְ/אָבִ֣י/ו וּ/לְ/אִמּ֔/וֹ אֵ֖ת אֲשֶׁ֥ר עָשָֽׂה׃
STATEN

Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, dat hij hem vaneenscheurde, gelijk men een bokje vaneenscheurt, en er was niets in zijn hand; doch hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen, wat hij gedaan had.

7
וַ/יֵּ֖רֶד וַ/יְדַבֵּ֣ר לָ/אִשָּׁ֑ה וַ/תִּישַׁ֖ר בְּ/עֵינֵ֥י שִׁמְשֽׁוֹן׃
STATEN

En hij kwam af, en sprak tot de vrouw; en zij beviel in Simsons ogen.

8
וַ/יָּ֤שָׁב מִ/יָּמִים֙ לְ/קַחְתָּ֔/הּ וַ/יָּ֣סַר לִ/רְא֔וֹת אֵ֖ת מַפֶּ֣לֶת הָ/אַרְיֵ֑ה וְ/הִנֵּ֨ה עֲדַ֧ת דְּבוֹרִ֛ים בִּ/גְוִיַּ֥ת הָ/אַרְיֵ֖ה וּ/דְבָֽשׁ׃
STATEN

En na sommige dagen kwam hij weder, om haar te nemen; toen week hij af, om het aas van den leeuw te bezien, en ziet, een bijenzwerm was in het lichaam van den leeuw, met honig.

9
וַ/יִּרְדֵּ֣/הוּ אֶל כַּפָּ֗י/ו וַ/יֵּ֤לֶךְ הָלוֹךְ֙ וְ/אָכֹ֔ל וַ/יֵּ֨לֶךְ֙ אֶל אָבִ֣י/ו וְ/אֶל אִמּ֔/וֹ וַ/יִּתֵּ֥ן לָ/הֶ֖ם וַ/יֹּאכֵ֑לוּ וְ/לֹֽא הִגִּ֣יד לָ/הֶ֔ם כִּ֛י מִ/גְּוִיַּ֥ת הָ/אַרְיֵ֖ה רָדָ֥ה הַ/דְּבָֽשׁ־־־־׃
STATEN

En hij nam dien in zijn handen, en ging voort, al gaande en etende; en hij ging tot zijn vader en tot zijn moeder, en gaf hun daarvan, en zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij den honig uit het lichaam van den leeuw genomen had.

10
וַ/יֵּ֥רֶד אָבִ֖י/הוּ אֶל הָ/אִשָּׁ֑ה וַ/יַּ֨עַשׂ שָׁ֤ם שִׁמְשׁוֹן֙ מִשְׁתֶּ֔ה כִּ֛י כֵּ֥ן יַעֲשׂ֖וּ הַ/בַּחוּרִֽים־׃
STATEN

Als nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zo maakte Simson aldaar een bruiloft, want alzo plachten de jongelingen te doen.

11
וַ/יְהִ֖י כִּ/רְאוֹתָ֣/ם אוֹת֑/וֹ וַ/יִּקְחוּ֙ שְׁלֹשִׁ֣ים מֵֽרֵעִ֔ים וַ/יִּהְי֖וּ אִתּֽ/וֹ׃
STATEN

En het geschiedde, als zij hem zagen, zo namen zij dertig metgezellen, die bij hem zouden zijn.

12
וַ/יֹּ֤אמֶר לָ/הֶם֙ שִׁמְשׁ֔וֹן אָחֽוּדָה נָּ֥א לָ/כֶ֖ם חִידָ֑ה אִם הַגֵּ֣ד תַּגִּידוּ֩ אוֹתָ֨/הּ לִ֜/י שִׁבְעַ֨ת יְמֵ֤י הַ/מִּשְׁתֶּה֙ וּ/מְצָאתֶ֔ם וְ/נָתַתִּ֤י לָ/כֶם֙ שְׁלֹשִׁ֣ים סְדִינִ֔ים וּ/שְׁלֹשִׁ֖ים חֲלִפֹ֥ת בְּגָדִֽים־־׃
STATEN

Simson dan zeide tot hen: Ik zal nu ulieden een raadsel te raden geven; indien gij mij dat in de zeven dagen dezer bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik ulieden geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen.

Op De Naamdragers

Blogs over Richteren 14

Nog geen artikelen die specifiek naar Richteren 14 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →