Ga naar inhoud
NEVIIM

Richteren 20

שׁוֹפְטִים
Hoofdstukken (21)← → toetsen
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֵּצְאוּ֮ כָּל בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵל֒ וַ/תִּקָּהֵ֨ל הָ/עֵדָ֜ה כְּ/אִ֣ישׁ אֶחָ֗ד לְ/מִ/דָּן֙ וְ/עַד בְּאֵ֣ר שֶׁ֔בַע וְ/אֶ֖רֶץ הַ/גִּלְעָ֑ד אֶל יְהוָ֖ה הַ/מִּצְפָּֽה־־־׃
STATEN

Toen togen alle kinderen Israëls uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-séba toe, ook het land van Gilead, tot den HEERE te Mizpa.

2
וַ/יִּֽתְיַצְּב֞וּ פִּנּ֣וֹת כָּל הָ/עָ֗ם כֹּ֚ל שִׁבְטֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל בִּ/קְהַ֖ל עַ֣ם הָ/אֱלֹהִ֑ים אַרְבַּ֨ע מֵא֥וֹת אֶ֛לֶף אִ֥ישׁ רַגְלִ֖י שֹׁ֥לֵֽף חָֽרֶב־׃פ
STATEN

En uit de hoeken des gansen volks stelden zich al de stammen van Israël in de vergadering van het volk Gods, vierhonderd duizend man te voet, die het zwaard uittrokken.

3
וַֽ/יִּשְׁמְעוּ֙ בְּנֵ֣י בִנְיָמִ֔ן כִּֽי עָל֥וּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל הַ/מִּצְפָּ֑ה וַ/יֹּֽאמְרוּ֙ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל דַּבְּר֕וּ אֵיכָ֥ה נִהְיְתָ֖ה הָ/רָעָ֥ה הַ/זֹּֽאת־־׃
STATEN

(De kinderen Benjamins nu hoorden, dat de kinderen Israëls opgetogen waren naar Mizpa.) En de kinderen Israëls zeiden: Spreekt, hoe is dit kwaad geschied?

4
וַ/יַּ֜עַן הָ/אִ֣ישׁ הַ/לֵּוִ֗י אִ֛ישׁ הָ/אִשָּׁ֥ה הַ/נִּרְצָחָ֖ה וַ/יֹּאמַ֑ר הַ/גִּבְעָ֨תָ/ה֙ אֲשֶׁ֣ר לְ/בִנְיָמִ֔ן בָּ֛אתִי אֲנִ֥י וּ/פִֽילַגְשִׁ֖/י לָ/לֽוּן׃
STATEN

Toen antwoordde de Levietische man, de man van de vrouw, die gedood was, en zeide: Ik kwam met mijn bijwijf te Gíbea, dewelke Benjamins is, om te vernachten.

5
וַ/יָּקֻ֤מוּ עָלַ/י֙ בַּעֲלֵ֣י הַ/גִּבְעָ֔ה וַ/יָּסֹ֧בּוּ עָלַ֛/י אֶת הַ/בַּ֖יִת לָ֑יְלָה אוֹתִ/י֙ דִּמּ֣וּ לַ/הֲרֹ֔ג וְ/אֶת פִּילַגְשִׁ֥/י עִנּ֖וּ וַ/תָּמֹֽת־־׃
STATEN

En de burgers van Gíbea maakten zich tegen mij op, en omringden tegen mij het huis bij nacht; zij dachten mij te doden, en mijn bijwijf hebben zij geschonden, dat zij gestorven is.

6
וָֽ/אֹחֵ֤ז בְּ/פִֽילַגְשִׁ/י֙ וָֽ/אֲנַתְּחֶ֔/הָ וָֽ/אֲשַׁלְּחֶ֔/הָ בְּ/כָל שְׂדֵ֖ה נַחֲלַ֣ת יִשְׂרָאֵ֑ל כִּ֥י עָשׂ֛וּ זִמָּ֥ה וּ/נְבָלָ֖ה בְּ/יִשְׂרָאֵֽל־׃
STATEN

Toen greep ik mijn bijwijf, en deelde haar, en zond haar in het ganse land der erfenis van Israël, omdat zij een schandelijke daad en dwaasheid in Israël gedaan hadden.

7
הִנֵּ֥ה כֻלְּ/כֶ֖ם בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל הָב֥וּ לָ/כֶ֛ם דָּבָ֥ר וְ/עֵצָ֖ה הֲלֹֽם׃
STATEN

Ziet, gij allen zijt kinderen Israëls, geeft hier voor ulieden woord en raad!

8
וַ/יָּ֨קָם֙ כָּל הָ/עָ֔ם כְּ/אִ֥ישׁ אֶחָ֖ד לֵ/אמֹ֑ר לֹ֤א נֵלֵךְ֙ אִ֣ישׁ לְ/אָהֳל֔/וֹ וְ/לֹ֥א נָס֖וּר אִ֥ישׁ לְ/בֵיתֽ/וֹ־׃
STATEN

Toen maakte zich al het volk op, als een enig man, zeggende: Wij zullen niet gaan, een ieder naar zijn tent, noch wijken, een ieder naar zijn huis.

9
וְ/עַתָּ֕ה זֶ֣ה הַ/דָּבָ֔ר אֲשֶׁ֥ר נַעֲשֶׂ֖ה לַ/גִּבְעָ֑ה עָלֶ֖י/הָ בְּ/גוֹרָֽל׃
STATEN

Maar nu, dit is de zaak, die wij aan Gíbea zullen doen: tegen haar bij het lot!

10
וְ/לָקַ֣חְנוּ עֲשָׂרָה֩ אֲנָשִׁ֨ים לַ/מֵּאָ֜ה לְ/כֹ֣ל שִׁבְטֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל וּ/מֵאָ֤ה לָ/אֶ֨לֶף֙ וְ/אֶ֣לֶף לָ/רְבָבָ֔ה לָ/קַ֥חַת צֵדָ֖ה לָ/עָ֑ם לַ/עֲשׂ֗וֹת לְ/בוֹאָ/ם֙ לְ/גֶ֣בַע בִּנְיָמִ֔ן כְּ/כָל הַ֨/נְּבָלָ֔ה אֲשֶׁ֥ר עָשָׂ֖ה בְּ/יִשְׂרָאֵֽל׀־׃
STATEN

En wij zullen tien mannen nemen van honderd, van alle stammen Israëls, en honderd van duizend, en duizend van tienduizend, om teerkost te nemen voor het volk, opdat zij, komende te Gíbea-Benjamins, haar doen naar al de dwaasheid, die zij in Israël gedaan heeft.

11
וַ/יֵּֽאָסֵ֞ף כָּל אִ֤ישׁ יִשְׂרָאֵל֙ אֶל הָ/עִ֔יר כְּ/אִ֥ישׁ אֶחָ֖ד חֲבֵרִֽים־־׃פ
STATEN

Alzo werden alle mannen van Israël verzameld tot deze stad, verbonden als een enig man.

12
וַֽ/יִּשְׁלְח֞וּ שִׁבְטֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ אֲנָשִׁ֔ים בְּ/כָל שִׁבְטֵ֥י בִנְיָמִ֖ן לֵ/אמֹ֑ר מָ֚ה הָ/רָעָ֣ה הַ/זֹּ֔את אֲשֶׁ֥ר נִהְיְתָ֖ה בָּ/כֶֽם־׃
STATEN

En de stammen van Israël zonden mannen door den gansen stam van Benjamin, zeggende: Wat voor een kwaad is dit, dat onder ulieden geschied is?

Op De Naamdragers

Blogs over Richteren 20

Nog geen artikelen die specifiek naar Richteren 20 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →