Ga naar inhoud
NEVIIM

Richteren 18

שׁוֹפְטִים
Hoofdstukken (21)← → toetsen
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בַּ/יָּמִ֣ים הָ/הֵ֔ם אֵ֥ין מֶ֖לֶךְ בְּ/יִשְׂרָאֵ֑ל וּ/בַ/יָּמִ֣ים הָ/הֵ֗ם שֵׁ֣בֶט הַ/דָּנִ֞י מְבַקֶּשׁ ל֤/וֹ נַֽחֲלָה֙ לָ/שֶׁ֔בֶת כִּי֩ לֹֽא נָ֨פְלָה לּ֜/וֹ עַד הַ/יּ֥וֹם הַ/ה֛וּא בְּ/תוֹךְ שִׁבְטֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל בְּ/נַחֲלָֽה־־־־׃ס
STATEN

In die dagen was er geen koning in Israël; en in dezelve dagen zocht de stam der Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op dien dag onder de stammen van Israël niet genoegzaam ter erfenis toegevallen.

2
וַ/יִּשְׁלְח֣וּ בְנֵי דָ֣ן מִֽ/מִּשְׁפַּחְתָּ֡/ם חֲמִשָּׁ֣ה אֲנָשִׁ֣ים מִ/קְצוֹתָ/ם֩ אֲנָשִׁ֨ים בְּנֵי חַ֜יִל מִ/צָּרְעָ֣ה וּ/מֵֽ/אֶשְׁתָּאֹ֗ל לְ/רַגֵּ֤ל אֶת הָ/אָ֨רֶץ֙ וּ/לְ/חָקְרָ֔/הּ וַ/יֹּאמְר֣וּ אֲלֵ/הֶ֔ם לְכ֖וּ חִקְר֣וּ אֶת הָ/אָ֑רֶץ וַ/יָּבֹ֤אוּ הַר אֶפְרַ֨יִם֙ עַד בֵּ֣ית מִיכָ֔ה וַ/יָּלִ֖ינוּ שָֽׁם־׀־־־־־׃
STATEN

Zo zonden de kinderen van Dan uit hun geslacht vijf mannen uit hun einden, mannen, die strijdbaar waren, van Zora en van Estháol, om het land te verspieden, en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Gaat, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte van Efraïm, tot aan het huis van Micha, en vernachtten aldaar.

3
הֵ֚מָּה עִם בֵּ֣ית מִיכָ֔ה וְ/הֵ֣מָּה הִכִּ֔ירוּ אֶת ק֥וֹל הַ/נַּ֖עַר הַ/לֵּוִ֑י וַ/יָּס֣וּרוּ שָׁ֗ם וַ/יֹּ֤אמְרוּ ל/וֹ֙ מִֽי הֱבִיאֲ/ךָ֣ הֲלֹ֔ם וּ/מָֽה אַתָּ֥ה עֹשֶׂ֛ה בָּ/זֶ֖ה וּ/מַה לְּ/ךָ֥ פֹֽה־־־־־׃
STATEN

Zijnde bij het huis van Micha, zo kenden zij de stem van den jongeling, den Leviet; en zij weken daarheen, en zeiden tot hem: Wie heeft u hier gebracht, en wat doet gij alhier, en wat hebt gij hier?

4
וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵ/הֶ֔ם כָּ/זֹ֣ה וְ/כָ/זֶ֔ה עָ֥שָׂה לִ֖/י מִיכָ֑ה וַ/יִּשְׂכְּרֵ֕/נִי וָ/אֱהִי ל֖/וֹ לְ/כֹהֵֽן־׃
STATEN

En hij zeide tot hen: Zo en zo heeft Micha mij gedaan; en hij heeft mij gehuurd, en ik ben hem tot een priester.

5
וַ/יֹּ֥אמְרוּ ל֖/וֹ שְׁאַל נָ֣א בֵ/אלֹהִ֑ים וְ/נֵ֣דְעָ֔ה הֲ/תַצְלִ֣יחַ דַּרְכֵּ֔/נוּ אֲשֶׁ֥ר אֲנַ֖חְנוּ הֹלְכִ֥ים עָלֶֽי/הָ־׃
STATEN

Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen weten, of onze weg, op welken wij wandelen, voorspoedig zal zijn.

6
וַ/יֹּ֧אמֶר לָ/הֶ֛ם הַ/כֹּהֵ֖ן לְכ֣וּ לְ/שָׁל֑וֹם נֹ֣כַח יְהוָ֔ה דַּרְכְּ/כֶ֖ם אֲשֶׁ֥ר תֵּֽלְכוּ בָֽ/הּ־׃פ
STATEN

En de priester zeide tot hen: Gaat in vrede; uw weg, welken gij zult heentrekken, is voor den HEERE.

7
וַ/יֵּלְכוּ֙ חֲמֵ֣שֶׁת הָ/אֲנָשִׁ֔ים וַ/יָּבֹ֖אוּ לָ֑יְשָׁ/ה וַ/יִּרְא֣וּ אֶת הָ/עָ֣ם אֲשֶׁר בְּ/קִרְבָּ֣/הּ יוֹשֶֽׁבֶת לָ֠/בֶטַח כְּ/מִשְׁפַּ֨ט צִדֹנִ֜ים שֹׁקֵ֣ט וּ/בֹטֵ֗חַ וְ/אֵין מַכְלִ֨ים דָּבָ֤ר בָּ/אָ֨רֶץ֙ יוֹרֵ֣שׁ עֶ֔צֶר וּ/רְחֹקִ֥ים הֵ֨מָּה֙ מִ/צִּ֣דֹנִ֔ים וְ/דָבָ֥ר אֵין לָ/הֶ֖ם עִם אָדָֽם־־־׀־־־׃
STATEN

Toen gingen die vijf mannen heen, en kwamen te Laïs; en zij zagen het volk, hetwelk in derzelver midden was, zijnde gelegen in zekerheid, naar de wijze der Sidoniërs, stil en zeker zijnde; en daar was geen erfheer, die iemand om enige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de Sidoniërs, en hadden niets te doen met enigen mens.

8
וַ/יָּבֹ֨אוּ֙ אֶל אֲחֵי/הֶ֔ם צָרְעָ֖ה וְ/אֶשְׁתָּאֹ֑ל וַ/יֹּאמְר֥וּ לָ/הֶ֛ם אֲחֵי/הֶ֖ם מָ֥ה אַתֶּֽם־׃
STATEN

En zij kwamen tot hun broederen te Zora en te Estháol, en hun broeders zeiden tot hen: Wat zegt gijlieden?

9
וַ/יֹּאמְר֗וּ ק֚וּמָ/ה וְ/נַעֲלֶ֣ה עֲלֵי/הֶ֔ם כִּ֤י רָאִ֨ינוּ֙ אֶת הָ/אָ֔רֶץ וְ/הִנֵּ֥ה טוֹבָ֖ה מְאֹ֑ד וְ/אַתֶּ֣ם מַחְשִׁ֔ים אַל תֵּעָ֣צְל֔וּ לָ/לֶ֥כֶת לָ/בֹ֖א לָ/רֶ֥שֶׁת אֶת הָ/אָֽרֶץ־־־׃
STATEN

En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken; want wij hebben dat land bezien, en ziet, het is zeer goed; zoudt gij dan stil zijn? Weest niet lui om te trekken, dat gij henen inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen;

10
כְּ/בֹאֲ/כֶ֞ם תָּבֹ֣אוּ אֶל עַ֣ם בֹּטֵ֗חַ וְ/הָ/אָ֨רֶץ֙ רַחֲבַ֣ת יָדַ֔יִם כִּֽי נְתָנָ֥/הּ אֱלֹהִ֖ים בְּ/יֶדְ/כֶ֑ם מָקוֹם֙ אֲשֶׁ֣ר אֵֽין שָׁ֣ם מַחְס֔וֹר כָּל דָּבָ֖ר אֲשֶׁ֥ר בָּ/אָֽרֶץ׀־־־־׃
STATEN

(Als gij daarhenen komt, zo zult gij komen tot een zorgeloos volk, en dat land is wijd van ruimte) want God heeft het in uw hand gegeven; een plaats, alwaar geen gebrek is van enig ding, dat op de aarde is.

11
וַ/יִּסְע֤וּ מִ/שָּׁם֙ מִ/מִּשְׁפַּ֣חַת הַ/דָּנִ֔י מִ/צָּרְעָ֖ה וּ/מֵ/אֶשְׁתָּאֹ֑ל שֵֽׁשׁ מֵא֣וֹת אִ֔ישׁ חָג֖וּר כְּלֵ֥י מִלְחָמָֽה־׃
STATEN

Toen reisden van daar uit het geslacht der Danieten, van Zora en van Estháol, zeshonderd man, aangegord met krijgswapenen.

12
וַֽ/יַּעֲל֗וּ וַֽ/יַּחֲנ֛וּ בְּ/קִרְיַ֥ת יְעָרִ֖ים בִּֽ/יהוּדָ֑ה עַל כֵּ֡ן קָרְאוּ֩ לַ/מָּק֨וֹם הַ/ה֜וּא מַחֲנֵה דָ֗ן עַ֚ד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֔ה הִנֵּ֕ה אַחֲרֵ֖י קִרְיַ֥ת יְעָרִֽים־־׃
STATEN

En zij togen op, en legerden zich bij Kirjath-Jeárim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats, Machané-Dan, tot op dezen dag; ziet, het is achter Kirjath-Jeárim.

Op De Naamdragers

Blogs over Richteren 18

Nog geen artikelen die specifiek naar Richteren 18 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →