Ga naar inhoud
NEVIIM

Richteren 19

שׁוֹפְטִים
Hoofdstukken (21)← → toetsen
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִי֙ בַּ/יָּמִ֣ים הָ/הֵ֔ם וּ/מֶ֖לֶךְ אֵ֣ין בְּ/יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יְהִ֣י אִ֣ישׁ לֵוִ֗י גָּ֚ר בְּ/יַרְכְּתֵ֣י הַר אֶפְרַ֔יִם וַ/יִּֽקַּֽח ל/וֹ֙ אִשָּׁ֣ה פִילֶ֔גֶשׁ מִ/בֵּ֥ית לֶ֖חֶם יְהוּדָֽה׀־־׃
STATEN

Het geschiedde ook in die dagen, als er geen koning was in Israël, dat er een Levietisch man was, verkerende als vreemdeling aan de zijden van het gebergte van Efraïm, die zich een vrouw, een bijwijf, nam van Bethlehem-Juda.

2
וַ/תִּזְנֶ֤ה עָלָי/ו֙ פִּֽילַגְשׁ֔/וֹ וַ/תֵּ֤לֶךְ מֵֽ/אִתּ/וֹ֙ אֶל בֵּ֣ית אָבִ֔י/הָ אֶל בֵּ֥ית לֶ֖חֶם יְהוּדָ֑ה וַ/תְּהִי שָׁ֕ם יָמִ֖ים אַרְבָּעָ֥ה חֳדָשִֽׁים־־־׃
STATEN

Maar zijn bijwijf hoereerde, bij hem zijnde, en toog van hem weg naar haars vaders huis, tot Bethlehem-Juda; en zij was aldaar enige dagen, te weten vier maanden.

3
וַ/יָּ֨קָם אִישָׁ֜/הּ וַ/יֵּ֣לֶךְ אַחֲרֶ֗י/הָ לְ/דַבֵּ֤ר עַל לִבָּ/הּ֙ ל/השיב/ו וְ/נַעֲר֥/וֹ עִמּ֖/וֹ וְ/צֶ֣מֶד חֲמֹרִ֑ים וַ/תְּבִיאֵ֨/הוּ֙ בֵּ֣ית אָבִ֔י/הָ וַ/יִּרְאֵ֨/הוּ֙ אֲבִ֣י הַֽ/נַּעֲרָ֔ה וַ/יִּשְׂמַ֖ח לִ/קְרָאתֽ/וֹ־׃ לַ/הֲשִׁיבָ֔/הּ
STATEN

En haar man maakte zich op, en toog haar na, om naar haar hart te spreken, om haar weder te halen; en zijn jongen was bij hem, en een paar ezels. En zij bracht hem in het huis haars vaders. En als de vader van de jonge vrouw hem zag, werd hij vrolijk over zijn ontmoeting.

4
וַ/יֶּחֱזַק בּ֤/וֹ חֹֽתְנ/וֹ֙ אֲבִ֣י הַֽ/נַּעֲרָ֔ה וַ/יֵּ֥שֶׁב אִתּ֖/וֹ שְׁלֹ֣שֶׁת יָמִ֑ים וַ/יֹּאכְלוּ֙ וַ/יִּשְׁתּ֔וּ וַ/יָּלִ֖ינוּ שָֽׁם־׃
STATEN

En zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, behield hem, dat hij drie dagen bij hem bleef; en zij aten en dronken, en vernachtten aldaar.

5
וַֽ/יְהִי֙ בַּ/יּ֣וֹם הָ/רְבִיעִ֔י וַ/יַּשְׁכִּ֥ימוּ בַ/בֹּ֖קֶר וַ/יָּ֣קָם לָ/לֶ֑כֶת וַ/יֹּאמֶר֩ אֲבִ֨י הַֽ/נַּעֲרָ֜ה אֶל חֲתָנ֗/וֹ סְעָ֧ד לִבְּ/ךָ֛ פַּת לֶ֖חֶם וְ/אַחַ֥ר תֵּלֵֽכוּ־־׃
STATEN

Op den vierden dag nu geschiedde het, dat zij des morgens vroeg op waren, en hij opstond om weg te trekken; toen zeide de vader van de jonge vrouw tot zijn schoonzoon: Sterk uw hart met een bete broods, en daarna zult gijlieden wegtrekken.

6
וַ/יֵּשְׁב֗וּ וַ/יֹּאכְל֧וּ שְׁנֵי/הֶ֛ם יַחְדָּ֖ו וַ/יִּשְׁתּ֑וּ וַ/יֹּ֜אמֶר אֲבִ֤י הַֽ/נַּעֲרָה֙ אֶל הָ/אִ֔ישׁ הֽוֹאֶל נָ֥א וְ/לִ֖ין וְ/יִטַ֥ב לִבֶּֽ/ךָ־־׃
STATEN

Zo zaten zij neder, en zij beiden aten te zamen, en dronken. Toen zeide de vader van de jonge vrouw tot den man: Bewillig toch en vernacht, en laat uw hart vrolijk zijn.

7
וַ/יָּ֥קָם הָ/אִ֖ישׁ לָ/לֶ֑כֶת וַ/יִּפְצַר בּ/וֹ֙ חֹתְנ֔/וֹ וַ/יָּ֖שָׁב וַ/יָּ֥לֶן שָֽׁם־׃
STATEN

Maar de man stond op, om weg te trekken. Toen drong hem zijn schoonvader, dat hij aldaar wederom vernachtte.

8
וַ/יַּשְׁכֵּ֨ם בַּ/בֹּ֜קֶר בַּ/יּ֣וֹם הַ/חֲמִישִׁי֮ לָ/לֶכֶת֒ וַ/יֹּ֣אמֶר אֲבִ֣י הַֽ/נַּעֲרָ֗ה סְעָד נָא֙ לְבָ֣בְ/ךָ֔ וְ/הִֽתְמַהְמְה֖וּ עַד נְט֣וֹת הַ/יּ֑וֹם וַ/יֹּאכְל֖וּ שְׁנֵי/הֶֽם׀־־׃
STATEN

Als hij op den vijfden dag des morgens vroeg op was, om weg te trekken, zo zeide de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij vertoefden, totdat de dag zich neigde; en zij beiden aten te zamen.

9
וַ/יָּ֤קָם הָ/אִישׁ֙ לָ/לֶ֔כֶת ה֥וּא וּ/פִילַגְשׁ֖/וֹ וְ/נַעֲר֑/וֹ וַ/יֹּ֣אמֶר ל֣/וֹ חֹתְנ֣/וֹ אֲבִ֣י הַֽ/נַּעֲרָ֡ה הִנֵּ֣ה נָא֩ רָפָ֨ה הַ/יּ֜וֹם לַ/עֲרֹ֗ב לִֽינוּ נָ֞א הִנֵּ֨ה חֲנ֤וֹת הַ/יּוֹם֙ לִ֥ין פֹּה֙ וְ/יִיטַ֣ב לְבָבֶ֔/ךָ וְ/הִשְׁכַּמְתֶּ֤ם מָחָר֙ לְ/דַרְכְּ/כֶ֔ם וְ/הָלַכְתָּ֖ לְ/אֹהָלֶֽ/ךָ־׃
STATEN

Toen maakte zich de man op, om weg te trekken, hij, en zijn bijwijf, en zijn jongen; en zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zeide: Zie toch, de dag heeft afgenomen, dat het avond zal worden, vernacht toch; zie, de dag legert zich, vernacht hier, en laat uw hart vrolijk zijn, en maak u morgen vroeg op uws weegs, en ga naar uw tent.

10
וְ/לֹֽא אָבָ֤ה הָ/אִישׁ֙ לָ/ל֔וּן וַ/יָּ֣קָם וַ/יֵּ֗לֶךְ וַ/יָּבֹא֙ עַד נֹ֣כַח יְב֔וּס הִ֖יא יְרוּשָׁלִָ֑ם וְ/עִמּ֗/וֹ צֶ֤מֶד חֲמוֹרִים֙ חֲבוּשִׁ֔ים וּ/פִילַגְשׁ֖/וֹ עִמּֽ/וֹ־־׃
STATEN

Doch de man wilde niet vernachten, maar stond op, en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus (dewelke is Jeruzalem), en met hem het paar gezadelde ezelen; ook was zijn bijwijf met hem.

11
הֵ֣ם עִם יְב֔וּס וְ/הַ/יּ֖וֹם רַ֣ד מְאֹ֑ד וַ/יֹּ֨אמֶר הַ/נַּ֜עַר אֶל אֲדֹנָ֗י/ו לְכָ/ה נָּ֛א וְ/נָס֛וּרָה אֶל עִֽיר הַ/יְבוּסִ֥י הַ/זֹּ֖את וְ/נָלִ֥ין בָּֽ/הּ־־־־־׃
STATEN

Als zij nu bij Jebus waren, zo was de dag zeer gedaald; en de jongen zeide tot zijn heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad der Jebusieten wijken, en daarin vernachten.

12
וַ/יֹּ֤אמֶר אֵלָי/ו֙ אֲדֹנָ֔י/ו לֹ֤א נָסוּר֙ אֶל עִ֣יר נָכְרִ֔י אֲשֶׁ֛ר לֹֽא מִ/בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל הֵ֑נָּה וְ/עָבַ֖רְנוּ עַד גִּבְעָֽה־־־׃
STATEN

Maar zijn heer zeide tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen Israëls; maar wij zullen voorttrekken tot Gíbea toe.

Op De Naamdragers

Blogs over Richteren 19

Nog geen artikelen die specifiek naar Richteren 19 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →