NEVIIM

Richteren 17

שׁוֹפְטִים
Hoofdstukken (21)
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
1
וַֽ/יְהִי אִ֥ישׁ מֵֽ/הַר אֶפְרָ֖יִם וּ/שְׁמ֥/וֹ מִיכָֽיְהוּ
STATEN

En er was een man van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Micha.

2
וַ/יֹּ֣אמֶר לְ/אִמּ֡/וֹ אֶלֶף֩ וּ/מֵאָ֨ה הַ/כֶּ֜סֶף אֲשֶׁ֣ר לֻֽקַּֽח לָ֗/ךְ ו/אתי אָלִית֙ וְ/גַם֙ אָמַ֣רְתְּ בְּ/אָזְנַ֔/י הִנֵּֽה הַ/כֶּ֥סֶף אִתִּ֖/י אֲנִ֣י לְקַחְתִּ֑י/ו וַ/תֹּ֣אמֶר אִמּ֔/וֹ בָּר֥וּךְ בְּנִ֖/י לַ/יהוָֽה וְ/אַ֤תְּ
STATEN

Die zeide tot zijn moeder: De duizend en honderd zilverlingen, die u ontnomen zijn, om dewelke gij gevloekt hebt, en ook voor mijn oren gesproken hebt, zie, dat geld is bij mij, ik heb dat genomen. Toen zeide zijn moeder: Gezegend zij mijn zoon den HEERE!

3
וַ/יָּ֛שֶׁב אֶת אֶֽלֶף וּ/מֵאָ֥ה הַ/כֶּ֖סֶף לְ/אִמּ֑/וֹ וַ/תֹּ֣אמֶר אִמּ֡/וֹ הַקְדֵּ֣שׁ הִקְדַּ֣שְׁתִּי אֶת הַ/כֶּסֶף֩ לַ/יהוָ֨ה מִ/יָּדִ֜/י לִ/בְנִ֗/י לַֽ/עֲשׂוֹת֙ פֶּ֣סֶל וּ/מַסֵּכָ֔ה וְ/עַתָּ֖ה אֲשִׁיבֶ֥/נּוּ לָֽ/ךְ
STATEN

Alzo gaf hij aan zijn moeder de duizend en honderd zilverlingen weder. Doch zijn moeder zeide: Ik heb dat geld den HEERE ganselijk geheiligd van mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zo zal ik het u nu wedergeven.

4
וַ/יָּ֥שֶׁב אֶת הַ/כֶּ֖סֶף לְ/אִמּ֑/וֹ וַ/תִּקַּ֣ח אִמּ/וֹ֩ מָאתַ֨יִם כֶּ֜סֶף וַ/תִּתְּנֵ֣/הוּ לַ/צּוֹרֵ֗ף וַֽ/יַּעֲשֵׂ֨/הוּ֙ פֶּ֣סֶל וּ/מַסֵּכָ֔ה וַ/יְהִ֖י בְּ/בֵ֥ית מִיכָֽיְהוּ
STATEN

Maar hij gaf dat geld aan zijn moeder weder. En zijn moeder nam tweehonderd zilverlingen, en gaf ze den goudsmid, die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten beeld; dat was in het huis van Micha.

5
וְ/הָ/אִ֣ישׁ מִיכָ֔ה ל֖/וֹ בֵּ֣ית אֱלֹהִ֑ים וַ/יַּ֤עַשׂ אֵפוֹד֙ וּ/תְרָפִ֔ים וַ/יְמַלֵּ֗א אֶת יַ֤ד אַחַד֙ מִ/בָּנָ֔י/ו וַ/יְהִי ל֖/וֹ לְ/כֹהֵֽן
STATEN

En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware.

6
בַּ/יָּמִ֣ים הָ/הֵ֔ם אֵ֥ין מֶ֖לֶךְ בְּ/יִשְׂרָאֵ֑ל אִ֛ישׁ הַ/יָּשָׁ֥ר בְּ/עֵינָ֖י/ו יַעֲשֶֽׂה
STATEN

In diezelve dagen was er geen koning in Israël; een iegelijk deed, wat recht was in zijn ogen.

7
וַ/יְהִי נַ֗עַר מִ/בֵּ֥ית לֶ֨חֶם֙ יְהוּדָ֔ה מִ/מִּשְׁפַּ֖חַת יְהוּדָ֑ה וְ/ה֥וּא לֵוִ֖י וְ/ה֥וּא גָֽר שָֽׁם
STATEN

Nu was er een jongeling van Bethlehem-Juda, van het geslacht van Juda; deze was een Leviet, en verkeerde aldaar als vreemdeling.

8
וַ/יֵּ֨לֶךְ הָ/אִ֜ישׁ מֵ/הָ/עִ֗יר מִ/בֵּ֥ית לֶ֨חֶם֙ יְהוּדָ֔ה לָ/ג֖וּר בַּ/אֲשֶׁ֣ר יִמְצָ֑א וַ/יָּבֹ֧א הַר אֶפְרַ֛יִם עַד בֵּ֥ית מִיכָ֖ה לַ/עֲשׂ֥וֹת דַּרְכּֽ/וֹ
STATEN

En deze man was uit die stad, uit Bethlehem-Juda getogen, om te verkeren, waar hij gelegenheid zou vinden. Als hij nu kwam aan het gebergte van Efraïm tot aan het huis van Micha, om zijn weg te gaan,

9
וַ/יֹּאמֶר ל֥/וֹ מִיכָ֖ה מֵ/אַ֣יִן תָּב֑וֹא וַ/יֹּ֨אמֶר אֵלָ֜י/ו לֵוִ֣י אָנֹ֗כִי מִ/בֵּ֥ית לֶ֨חֶם֙ יְהוּדָ֔ה וְ/אָנֹכִ֣י הֹלֵ֔ךְ לָ/ג֖וּר בַּ/אֲשֶׁ֥ר אֶמְצָֽא
STATEN

Zo zeide Micha tot hem: Van waar komt gij? En hij zeide tot hem: Ik ben een Leviet, van Bethlehem-Juda, en ik wandel, om te verkeren, waar ik gelegenheid zal vinden.

10
וַ/יֹּאמֶר֩ ל֨/וֹ מִיכָ֜ה שְׁבָ֣/ה עִמָּדִ֗/י וֶֽ/הְיֵה לִ/י֮ לְ/אָ֣ב וּ/לְ/כֹהֵן֒ וְ/אָנֹכִ֨י אֶֽתֶּן לְ/ךָ֜ עֲשֶׂ֤רֶת כֶּ֨סֶף֙ לַ/יָּמִ֔ים וְ/עֵ֥רֶךְ בְּגָדִ֖ים וּ/מִחְיָתֶ֑/ךָ וַ/יֵּ֖לֶךְ הַ/לֵּוִֽי
STATEN

Toen zeide Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot een vader en tot een priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen, en orde van klederen, en uw leeftocht; alzo ging de Leviet met hem.

11
וַ/יּ֥וֹאֶל הַ/לֵּוִ֖י לָ/שֶׁ֣בֶת אֶת הָ/אִ֑ישׁ וַ/יְהִ֤י הַ/נַּ֨עַר֙ ל֔/וֹ כְּ/אַחַ֖ד מִ/בָּנָֽי/ו
STATEN

En de Leviet bewilligde bij dien man te blijven; en de jongeling was hem als een van zijn zonen.

12
וַ/יְמַלֵּ֤א מִיכָה֙ אֶת יַ֣ד הַ/לֵּוִ֔י וַ/יְהִי ל֥/וֹ הַ/נַּ֖עַר לְ/כֹהֵ֑ן וַ/יְהִ֖י בְּ/בֵ֥ית מִיכָֽה
STATEN

En Micha vulde de hand van den Leviet, dat hij hem tot een priester wierd; alzo was hij in het huis van Micha.

13
וַ/יֹּ֣אמֶר מִיכָ֔ה עַתָּ֣ה יָדַ֔עְתִּי כִּֽי יֵיטִ֥יב יְהוָ֖ה לִ֑/י כִּ֧י הָיָה לִ֛/י הַ/לֵּוִ֖י לְ/כֹהֵֽן
STATEN

Toen zeide Micha: Nu weet ik, dat de HEERE mij weldoen zal, omdat ik dezen Leviet tot een priester heb.