Ga naar inhoud
NEVIIM

Richteren 15

שׁוֹפְטִים
Hoofdstukken (21)← → toetsen
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֨י מִ/יָּמִ֜ים בִּ/ימֵ֣י קְצִיר חִטִּ֗ים וַ/יִּפְקֹ֨ד שִׁמְשׁ֤וֹן אֶת אִשְׁתּ/וֹ֙ בִּ/גְדִ֣י עִזִּ֔ים וַ/יֹּ֕אמֶר אָבֹ֥אָה אֶל אִשְׁתִּ֖/י הֶ/חָ֑דְרָ/ה וְ/לֹֽא נְתָנ֥/וֹ אָבִ֖י/הָ לָ/בֽוֹא־־־־׃
STATEN

En het geschiedde na sommige dagen, in de dagen van den tarweoogst, dat Simson zijn huisvrouw bezocht met een geitenbokje, en hij zeide: Laat mij tot mijn huisvrouw ingaan in de kamer; maar haar vader liet hem niet toe in te gaan.

2
וַ/יֹּ֣אמֶר אָבִ֗י/הָ אָמֹ֤ר אָמַ֨רְתִּי֙ כִּי שָׂנֹ֣א שְׂנֵאתָ֔/הּ וָ/אֶתְּנֶ֖/נָּה לְ/מֵרֵעֶ֑/ךָ הֲ/לֹ֨א אֲחֹתָ֤/הּ הַ/קְּטַנָּה֙ טוֹבָ֣ה מִמֶּ֔/נָּה תְּהִי נָ֥א לְ/ךָ֖ תַּחְתֶּֽי/הָ־־׃
STATEN

Want haar vader zeide: Ik sprak zeker, dat gij haar ganselijk haattet, zo heb ik haar aan uw metgezel gegeven. Is niet haar kleinste zuster schoner dan zij? Laat ze u toch zijn in de plaats van haar.

3
וַ/יֹּ֤אמֶר לָ/הֶם֙ שִׁמְשׁ֔וֹן נִקֵּ֥יתִי הַ/פַּ֖עַם מִ/פְּלִשְׁתִּ֑ים כִּֽי עֹשֶׂ֥ה אֲנִ֛י עִמָּ֖/ם רָעָֽה־׃
STATEN

Toen zeide Simson tot henlieden: Ik ben ditmaal onschuldig van de Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe.

4
וַ/יֵּ֣לֶךְ שִׁמְשׁ֔וֹן וַ/יִּלְכֹּ֖ד שְׁלֹשׁ מֵא֣וֹת שׁוּעָלִ֑ים וַ/יִּקַּ֣ח לַפִּדִ֗ים וַ/יֶּ֤פֶן זָנָב֙ אֶל זָנָ֔ב וַ/יָּ֨שֶׂם לַפִּ֥יד אֶחָ֛ד בֵּין שְׁנֵ֥י הַ/זְּנָב֖וֹת בַּ/תָּֽוֶךְ־־־׃
STATEN

En Simson ging heen, en ving driehonderd vossen; en hij nam fakkelen, en keerde staart aan staart, en deed een fakkel tussen twee staarten in het midden.

5
וַ/יַּבְעֶר אֵשׁ֙ בַּ/לַּפִּידִ֔ים וַ/יְשַׁלַּ֖ח בְּ/קָמ֣וֹת פְּלִשְׁתִּ֑ים וַ/יַּבְעֵ֛ר מִ/גָּדִ֥ישׁ וְ/עַד קָמָ֖ה וְ/עַד כֶּ֥רֶם זָֽיִת־־־׃
STATEN

En hij stak de fakkelen aan met vuur, en liet ze lopen in het staande koren der Filistijnen; en hij stak in brand zowel de korenhopen als het staande koren, zelfs tot de wijngaarden en olijfbomen toe.

6
וַ/יֹּאמְר֣וּ פְלִשְׁתִּים֮ מִ֣י עָ֣שָׂה זֹאת֒ וַ/יֹּאמְר֗וּ שִׁמְשׁוֹן֙ חֲתַ֣ן הַ/תִּמְנִ֔י כִּ֚י לָקַ֣ח אֶת אִשְׁתּ֔/וֹ וַֽ/יִּתְּנָ֖/הּ לְ/מֵרֵעֵ֑/הוּ וַ/יַּעֲל֣וּ פְלִשְׁתִּ֔ים וַ/יִּשְׂרְפ֥וּ אוֹתָ֛/הּ וְ/אֶת אָבִ֖י/הָ בָּ/אֵֽשׁ־־׃
STATEN

Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zeide: Simson, de schoonzoon van den Thimniet, omdat hij zijn huisvrouw heeft genomen, en heeft haar aan zijn metgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen op, en verbrandden haar en haar vader met vuur.

7
וַ/יֹּ֤אמֶר לָ/הֶם֙ שִׁמְשׁ֔וֹן אִֽם תַּעֲשׂ֖וּ/ן כָּ/זֹ֑את כִּ֛י אִם נִקַּ֥מְתִּי בָ/כֶ֖ם וְ/אַחַ֥ר אֶחְדָּֽל־־׃
STATEN

Toen zeide Simson tot hen: Zoudt gij alzo doen? Zeker, als ik mij aan u gewroken heb, zo zal ik daarna ophouden.

8
וַ/יַּ֨ךְ אוֹתָ֥/ם שׁ֛וֹק עַל יָרֵ֖ךְ מַכָּ֣ה גְדוֹלָ֑ה וַ/יֵּ֣רֶד וַ/יֵּ֔שֶׁב בִּ/סְעִ֖יף סֶ֥לַע עֵיטָֽם־׃ס
STATEN

En hij sloeg hen, den schenkel en de heup, met een groten slag; en hij ging af, en woonde op de hoogte van de rots van Etam.

9
וַ/יַּעֲל֣וּ פְלִשְׁתִּ֔ים וַֽ/יַּחֲנ֖וּ בִּ/יהוּדָ֑ה וַ/יִּנָּטְשׁ֖וּ בַּ/לֶּֽחִי׃
STATEN

Toen togen de Filistijnen op, en legerden zich tegen Juda, en breidden zich uit in Lechi.

10
וַ/יֹּֽאמְרוּ֙ אִ֣ישׁ יְהוּדָ֔ה לָ/מָ֖ה עֲלִיתֶ֣ם עָלֵ֑י/נוּ וַ/יֹּאמְר֗וּ לֶ/אֱס֤וֹר אֶת שִׁמְשׁוֹן֙ עָלִ֔ינוּ לַ/עֲשׂ֣וֹת ל֔/וֹ כַּ/אֲשֶׁ֖ר עָ֥שָׂה לָֽ/נוּ־׃
STATEN

En de mannen van Juda zeiden: Waarom zijt gijlieden tegen ons opgetogen? En zij zeiden: Wij zijn opgetogen om Simson te binden, om hem te doen, gelijk als hij ons gedaan heeft.

11
וַ/יֵּרְד֡וּ שְׁלֹשֶׁת֩ אֲלָפִ֨ים אִ֜ישׁ מִֽ/יהוּדָ֗ה אֶל סְעִיף֮ סֶ֣לַע עֵיטָם֒ וַ/יֹּאמְר֣וּ לְ/שִׁמְשׁ֗וֹן הֲ/לֹ֤א יָדַ֨עְתָּ֙ כִּֽי מֹשְׁלִ֥ים בָּ֨/נוּ֙ פְּלִשְׁתִּ֔ים וּ/מַה זֹּ֖את עָשִׂ֣יתָ לָּ֑/נוּ וַ/יֹּ֣אמֶר לָ/הֶ֔ם כַּ/אֲשֶׁר֙ עָ֣שׂוּ לִ֔/י כֵּ֖ן עָשִׂ֥יתִי לָ/הֶֽם־־־׃
STATEN

Toen kwamen drie duizend mannen af uit Juda tot het hol der rots van Etam, en zeiden tot Simson: Wist gij niet, dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt gij ons dan dit gedaan? En hij zeide tot hen: Gelijk als zij mij gedaan hebben, alzo heb ik hunlieden gedaan.

12
וַ/יֹּ֤אמְרוּ ל/וֹ֙ לֶ/אֱסָרְ/ךָ֣ יָרַ֔דְנוּ לְ/תִתְּ/ךָ֖ בְּ/יַד פְּלִשְׁתִּ֑ים וַ/יֹּ֤אמֶר לָ/הֶם֙ שִׁמְשׁ֔וֹן הִשָּׁבְע֣וּ לִ֔/י פֶּֽן תִּפְגְּע֥וּ/ן בִּ֖/י אַתֶּֽם־־׃
STATEN

En zij zeiden tot hem: Wij zijn afgekomen om u te binden, om u over te geven in de hand der Filistijnen. Toen zeide Simson tot hen: Zweert mij, dat gijlieden op mij niet zult aanvallen.

Op De Naamdragers

Blogs over Richteren 15

Nog geen artikelen die specifiek naar Richteren 15 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →