Ga naar inhoud
NEVIIM

Richteren 16

שׁוֹפְטִים
Hoofdstukken (21)← → toetsen
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֵּ֥לֶךְ שִׁמְשׁ֖וֹן עַזָּ֑תָ/ה וַ/יַּרְא שָׁם֙ אִשָּׁ֣ה זוֹנָ֔ה וַ/יָּבֹ֖א אֵלֶֽי/הָ־׃
STATEN

Simson nu ging heen naar Gaza; en hij zag aldaar een vrouw, die een hoer was; en hij ging tot haar in.

2
לַֽ/עַזָּתִ֣ים לֵ/אמֹ֗ר בָּ֤א שִׁמְשׁוֹן֙ הֵ֔נָּה וַ/יָּסֹ֛בּוּ וַ/יֶּאֶרְבוּ ל֥/וֹ כָל הַ/לַּ֖יְלָה בְּ/שַׁ֣עַר הָ/עִ֑יר וַ/יִּתְחָרְשׁ֤וּ כָל הַ/לַּ֨יְלָה֙ לֵ/אמֹ֔ר עַד א֥וֹר הַ/בֹּ֖קֶר וַ/הֲרְגְנֻֽ/הוּ׀־־־־׃
STATEN

Toen werd den Gazieten gezegd: Simson is hier ingekomen; zo gingen zij rondom, en legden hem den gansen nacht lagen in de stadspoort; doch zij hielden zich den gansen nacht stil, zeggende: Tot aan het morgenlicht, dan zullen wij hem doden.

3
וַ/יִּשְׁכַּ֣ב שִׁמְשׁוֹן֮ עַד חֲצִ֣י הַ/לַּיְלָה֒ וַ/יָּ֣קָם בַּ/חֲצִ֣י הַ/לַּ֗יְלָה וַ/יֶּאֱחֹ֞ז בְּ/דַלְת֤וֹת שַֽׁעַר הָ/עִיר֙ וּ/בִ/שְׁתֵּ֣י הַ/מְּזוּז֔וֹת וַ/יִּסָּעֵ/ם֙ עִֽם הַ/בְּרִ֔יחַ וַ/יָּ֖שֶׂם עַל כְּתֵפָ֑י/ו וַֽ/יַּעֲלֵ/ם֙ אֶל רֹ֣אשׁ הָ/הָ֔ר אֲשֶׁ֖ר עַל פְּנֵ֥י חֶבְרֽוֹן־׀־־־־־׃פ
STATEN

Maar Simson lag tot middernacht toe; toen stond hij op ter middernacht, en hij greep de deuren der stadspoort met de beide posten, en nam ze weg met den grendelboom, en legde ze op zijn schouderen, en droeg ze opwaarts op de hoogte des bergs, die in het gezicht van Hebron is.

4
וַֽ/יְהִי֙ אַחֲרֵי כֵ֔ן וַ/יֶּאֱהַ֥ב אִשָּׁ֖ה בְּ/נַ֣חַל שֹׂרֵ֑ק וּ/שְׁמָ֖/הּ דְּלִילָֽה־׃
STATEN

En het geschiedde daarna, dat hij een vrouw lief kreeg, aan de beek Sorek, welker naam was Delíla.

5
וַ/יַּעֲל֨וּ אֵלֶ֜י/הָ סַרְנֵ֣י פְלִשְׁתִּ֗ים וַ/יֹּ֨אמְרוּ לָ֜/הּ פַּתִּ֣י אוֹת֗/וֹ וּ/רְאִי֙ בַּ/מֶּה֙ כֹּח֣/וֹ גָד֔וֹל וּ/בַ/מֶּה֙ נ֣וּכַל ל֔/וֹ וַ/אֲסַרְנֻ֖/הוּ לְ/עַנֹּת֑/וֹ וַ/אֲנַ֨חְנוּ֙ נִתַּן לָ֔/ךְ אִ֕ישׁ אֶ֥לֶף וּ/מֵאָ֖ה כָּֽסֶף־׃
STATEN

Toen kwamen de vorsten der Filistijnen tot haar op, en zeiden tot haar: Overreed hem, en zie, waarin zijn grote kracht zij, en waarmede wij hem zouden machtig worden, en hem binden, om hem te plagen; zo zullen wij u geven, een iegelijk, duizend en honderd zilverlingen.

6
וַ/תֹּ֤אמֶר דְּלִילָה֙ אֶל שִׁמְשׁ֔וֹן הַגִּֽידָ/ה נָּ֣א לִ֔/י בַּ/מֶּ֖ה כֹּחֲ/ךָ֣ גָד֑וֹל וּ/בַ/מֶּ֥ה תֵאָסֵ֖ר לְ/עַנּוֹתֶֽ/ךָ־־׃
STATEN

Delíla dan zeide tot Simson: Verklaar mij toch, waarin uw grote kracht zij, en waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden, dat men u plage.

7
וַ/יֹּ֤אמֶר אֵלֶ֨י/הָ֙ שִׁמְשׁ֔וֹן אִם יַאַסְרֻ֗/נִי בְּ/שִׁבְעָ֛ה יְתָרִ֥ים לַחִ֖ים אֲשֶׁ֣ר לֹא חֹרָ֑בוּ וְ/חָלִ֥יתִי וְ/הָיִ֖יתִי כְּ/אַחַ֥ד הָ/אָדָֽם־־׃
STATEN

En Simson zeide tot haar: Indien zij mij bonden met zeven verse zelen, die niet verdroogd zijn, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens.

8
וַ/יַּעֲלוּ לָ֞/הּ סַרְנֵ֣י פְלִשְׁתִּ֗ים שִׁבְעָ֛ה יְתָרִ֥ים לַחִ֖ים אֲשֶׁ֣ר לֹא חֹרָ֑בוּ וַ/תַּאַסְרֵ֖/הוּ בָּ/הֶֽם־־׃
STATEN

Toen brachten de vorsten der Filistijnen tot haar op zeven verse zelen, die niet verdroogd waren; en zij bond hem daarmede.

9
וְ/הָ/אֹרֵ֗ב יֹשֵׁ֥ב לָ/הּ֙ בַּ/חֶ֔דֶר וַ/תֹּ֣אמֶר אֵלָ֔י/ו פְּלִשְׁתִּ֥ים עָלֶ֖י/ךָ שִׁמְשׁ֑וֹן וַ/יְנַתֵּק֙ אֶת הַ/יְתָרִ֔ים כַּ/אֲשֶׁ֨ר יִנָּתֵ֤ק פְּתִֽיל הַ/נְּעֹ֨רֶת֙ בַּ/הֲרִיח֣/וֹ אֵ֔שׁ וְ/לֹ֥א נוֹדַ֖ע כֹּחֽ/וֹ־־׃
STATEN

De achterlage nu zat bij haar in een kamer. Zo zeide zij tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen verbrak hij de zelen, gelijk als een snoertje van grof vlas verbroken wordt, als het vuur riekt. Alzo werd zijn kracht niet bekend.

10
וַ/תֹּ֤אמֶר דְּלִילָה֙ אֶל שִׁמְשׁ֔וֹן הִנֵּה֙ הֵתַ֣לְתָּ בִּ֔/י וַ/תְּדַבֵּ֥ר אֵלַ֖/י כְּזָבִ֑ים עַתָּה֙ הַגִּֽידָ/ה נָּ֣א לִ֔/י בַּ/מֶּ֖ה תֵּאָסֵֽר־־׃
STATEN

Toen zeide Delíla tot Simson: Zie, gij hebt met mij gespot, en leugenen tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden?

11
וַ/יֹּ֣אמֶר אֵלֶ֔י/הָ אִם אָס֤וֹר יַאַסְר֨וּ/נִי֙ בַּ/עֲבֹתִ֣ים חֲדָשִׁ֔ים אֲשֶׁ֛ר לֹֽא נַעֲשָׂ֥ה בָ/הֶ֖ם מְלָאכָ֑ה וְ/חָלִ֥יתִי וְ/הָיִ֖יתִי כְּ/אַחַ֥ד הָ/אָדָֽם־־׃
STATEN

En hij zeide tot haar: Indien zij mij vastbonden met nieuwe touwen, met dewelke geen werk gedaan is, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens.

12
וַ/תִּקַּ֣ח דְּלִילָה֩ עֲבֹתִ֨ים חֲדָשִׁ֜ים וַ/תַּאַסְרֵ֣/הוּ בָ/הֶ֗ם וַ/תֹּ֤אמֶר אֵלָי/ו֙ פְּלִשְׁתִּ֤ים עָלֶ֨י/ךָ֙ שִׁמְשׁ֔וֹן וְ/הָ/אֹרֵ֖ב יֹשֵׁ֣ב בֶּ/חָ֑דֶר וַֽ/יְנַתְּקֵ֛/ם מֵ/עַ֥ל זְרֹעֹתָ֖י/ו כַּ/חֽוּט׃
STATEN

Toen nam Delíla nieuwe touwen, en bond hem daarmede, en zeide tot hem: De Filistijnen over u, Simson! (De achterlage nu was zittende in een kamer.) Toen verbrak hij ze van zijn armen als een draad.

Op De Naamdragers

Blogs over Richteren 16

Nog geen artikelen die specifiek naar Richteren 16 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →