Ga naar inhoud
NEVIIM

Richteren 8

שׁוֹפְטִים
Hoofdstukken (21)← → toetsen
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֹּאמְר֨וּ אֵלָ֜י/ו אִ֣ישׁ אֶפְרַ֗יִם מָֽה הַ/דָּבָ֤ר הַ/זֶּה֙ עָשִׂ֣יתָ לָּ֔/נוּ לְ/בִלְתִּי֙ קְרֹ֣אות לָ֔/נוּ כִּ֥י הָלַ֖כְתָּ לְ/הִלָּחֵ֣ם בְּ/מִדְיָ֑ן וַ/יְרִיב֥וּ/ן אִתּ֖/וֹ בְּ/חָזְקָֽה־׃
STATEN

Toen zeiden de mannen van Efraïm tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem.

2
וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵי/הֶ֔ם מֶה עָשִׂ֥יתִי עַתָּ֖ה כָּ/כֶ֑ם הֲ/ל֗וֹא ט֛וֹב עֹלְל֥וֹת אֶפְרַ֖יִם מִ/בְצִ֥יר אֲבִיעֶֽזֶר־׃
STATEN

Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?

3
בְּ/יֶדְ/כֶם֩ נָתַ֨ן אֱלֹהִ֜ים אֶת שָׂרֵ֤י מִדְיָן֙ אֶת עֹרֵ֣ב וְ/אֶת זְאֵ֔ב וּ/מַה יָּכֹ֖לְתִּי עֲשׂ֣וֹת כָּ/כֶ֑ם אָ֗ז רָפְתָ֤ה רוּחָ/ם֙ מֵֽ/עָלָ֔י/ו בְּ/דַבְּר֖/וֹ הַ/דָּבָ֥ר הַ/זֶּֽה־־־־׃
STATEN

God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.

4
וַ/יָּבֹ֥א גִדְע֖וֹן הַ/יַּרְדֵּ֑נָ/ה עֹבֵ֣ר ה֗וּא וּ/שְׁלֹשׁ מֵא֤וֹת הָ/אִישׁ֙ אֲשֶׁ֣ר אִתּ֔/וֹ עֲיֵפִ֖ים וְ/רֹדְפִֽים־׃
STATEN

Als nu Gídeon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende.

5
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ לְ/אַנְשֵׁ֣י סֻכּ֔וֹת תְּנוּ נָא֙ כִּכְּר֣וֹת לֶ֔חֶם לָ/עָ֖ם אֲשֶׁ֣ר בְּ/רַגְלָ֑/י כִּי עֲיֵפִ֣ים הֵ֔ם וְ/אָנֹכִ֗י רֹדֵ֛ף אַחֲרֵ֛י זֶ֥בַח וְ/צַלְמֻנָּ֖ע מַלְכֵ֥י מִדְיָֽן־־׃
STATEN

En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik jaag Zebah en Tsalmûna, de koningen der Midianieten, achterna.

6
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ שָׂרֵ֣י סֻכּ֔וֹת הֲ֠/כַף זֶ֧בַח וְ/צַלְמֻנָּ֛ע עַתָּ֖ה בְּ/יָדֶ֑/ךָ כִּֽי נִתֵּ֥ן לִֽ/צְבָאֲ/ךָ֖ לָֽחֶם־׃
STATEN

Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmûna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?

7
וַ/יֹּ֣אמֶר גִּדְע֔וֹן לָ/כֵ֗ן בְּ/תֵ֧ת יְהוָ֛ה אֶת זֶ֥בַח וְ/אֶת צַלְמֻנָּ֖ע בְּ/יָדִ֑/י וְ/דַשְׁתִּי֙ אֶת בְּשַׂרְ/כֶ֔ם אֶת קוֹצֵ֥י הַ/מִּדְבָּ֖ר וְ/אֶת הַֽ/בַּרְקֳנִֽים־־־־־׃
STATEN

Toen zeide Gídeon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmûna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen.

8
וַ/יַּ֤עַל מִ/שָּׁם֙ פְּנוּאֵ֔ל וַ/יְדַבֵּ֥ר אֲלֵי/הֶ֖ם כָּ/זֹ֑את וַ/יַּעֲנ֤וּ אוֹת/וֹ֙ אַנְשֵׁ֣י פְנוּאֵ֔ל כַּ/אֲשֶׁ֥ר עָנ֖וּ אַנְשֵׁ֥י סֻכּֽוֹת׃
STATEN

En hij toog van daar op naar Pnuël, en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van Pnuël antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden.

9
וַ/יֹּ֛אמֶר גַּם לְ/אַנְשֵׁ֥י פְנוּאֵ֖ל לֵ/אמֹ֑ר בְּ/שׁוּבִ֣/י בְ/שָׁל֔וֹם אֶתֹּ֖ץ אֶת הַ/מִּגְדָּ֥ל הַ/זֶּֽה־־׃פ
STATEN

Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuël, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik dezen toren afwerpen.

10
וְ/זֶ֨בַח וְ/צַלְמֻנָּ֜ע בַּ/קַּרְקֹ֗ר וּ/מַחֲנֵי/הֶ֤ם עִמָּ/ם֙ כַּ/חֲמֵ֤שֶׁת עָשָׂר֙ אֶ֔לֶף כֹּ֚ל הַ/נּ֣וֹתָרִ֔ים מִ/כֹּ֖ל מַחֲנֵ֣ה בְנֵי קֶ֑דֶם וְ/הַ/נֹּ֣פְלִ֔ים מֵאָ֨ה וְ/עֶשְׂרִ֥ים אֶ֛לֶף אִ֖ישׁ שֹׁ֥לֵֽף חָֽרֶב־׃
STATEN

Zebah nu en Tsalmûna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.

11
וַ/יַּ֣עַל גִּדְע֗וֹן דֶּ֚רֶךְ הַ/שְּׁכוּנֵ֣י בָֽ/אֳהָלִ֔ים מִ/קֶּ֥דֶם לְ/נֹ֖בַח וְ/יָגְבֳּהָ֑ה וַ/יַּךְ֙ אֶת הַֽ/מַּחֲנֶ֔ה וְ/הַֽ/מַּחֲנֶ֖ה הָ֥יָה בֶֽטַח־׃
STATEN

En Gídeon toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jógbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.

12
וַ/יָּנ֗וּסוּ זֶ֚בַח וְ/צַלְמֻנָּ֔ע וַ/יִּרְדֹּ֖ף אַחֲרֵי/הֶ֑ם וַ/יִּלְכֹּ֞ד אֶת שְׁנֵ֣י מַלְכֵ֣י מִדְיָ֗ן אֶת זֶ֨בַח֙ וְ/אֶת צַלְמֻנָּ֔ע וְ/כָל הַֽ/מַּחֲנֶ֖ה הֶחֱרִֽיד־׀־־־׃
STATEN

En Zebah en Tsalmûna vloden; doch hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen der Midianieten, Zebah en Tsalmûna, en verschrikte het ganse leger.

Op De Naamdragers

Blogs over Richteren 8

Nog geen artikelen die specifiek naar Richteren 8 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →