Het Woord · 1 Koningen 1 NEVIIM
1 Koningen 1 מְלָכִים א
Hoofdstukken (22)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TAHOT i STATEN i KJV i VULGATE i LUTHER i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i YLT i JPS1917 i
וְ/הַ/מֶּ֤לֶךְ דָּוִד֙ זָקֵ֔ן בָּ֖א בַּ/יָּמִ֑ים וַ/יְכַסֻּ֨/הוּ֙ בַּ/בְּגָדִ֔ים וְ/לֹ֥א יִחַ֖ם לֽ/וֹ׃
STATEN
De koning David nu was oud, wel bedaagd; en zij dekten hem met klederen, doch hij kreeg gene warmte.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֹּ֧אמְרוּ ל֣/וֹ עֲבָדָ֗י/ו יְבַקְשׁ֞וּ לַ/אדֹנִ֤/י הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ נַעֲרָ֣ה בְתוּלָ֔ה וְ/עָֽמְדָה֙ לִ/פְנֵ֣י הַ/מֶּ֔לֶךְ וּ/תְהִי ל֖/וֹ סֹכֶ֑נֶת וְ/שָׁכְבָ֣ה בְ/חֵיקֶ֔/ךָ וְ/חַ֖ם לַ/אדֹנִ֥/י הַ/מֶּֽלֶךְ־׃
STATEN
Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijn heer den koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht des konings sta, en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm worde.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יְבַקְשׁוּ֙ נַעֲרָ֣ה יָפָ֔ה בְּ/כֹ֖ל גְּב֣וּל יִשְׂרָאֵ֑ל וַֽ/יִּמְצְא֗וּ אֶת אֲבִישַׁג֙ הַ/שּׁ֣וּנַמִּ֔ית וַ/יָּבִ֥אוּ אֹתָ֖/הּ לַ/מֶּֽלֶךְ־׃
STATEN
Zo zochten zij een schone jonge dochter in alle landpalen van Israël; en zij vonden Abísag, een Sunamietische, en brachten ze tot den koning.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/הַֽ/נַּעֲרָ֖ה יָפָ֣ה עַד מְאֹ֑ד וַ/תְּהִ֨י לַ/מֶּ֤לֶךְ סֹכֶ֨נֶת֙ וַ/תְּשָׁ֣רְתֵ֔/הוּ וְ/הַ/מֶּ֖לֶךְ לֹ֥א יְדָעָֽ/הּ־׃
STATEN
En de jonge dochter was bovenmate schoon, en koesterde den koning, en diende hem; doch de koning bekende ze niet.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/אֲדֹנִיָּ֧ה בֶן חַגִּ֛ית מִתְנַשֵּׂ֥א לֵ/אמֹ֖ר אֲנִ֣י אֶמְלֹ֑ךְ וַ/יַּ֣עַשׂ ל֗/וֹ רֶ֚כֶב וּ/פָ֣רָשִׁ֔ים וַ/חֲמִשִּׁ֥ים אִ֖ישׁ רָצִ֥ים לְ/פָנָֽי/ו־׃
STATEN
Adónia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij bereidde zich wagenen en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/לֹֽא עֲצָב֨/וֹ אָבִ֤י/ו מִ/יָּמָי/ו֙ לֵ/אמֹ֔ר מַדּ֖וּעַ כָּ֣כָה עָשִׂ֑יתָ וְ/גַם ה֤וּא טֽוֹב תֹּ֨אַר֙ מְאֹ֔ד וְ/אֹת֥/וֹ יָלְדָ֖ה אַחֲרֵ֥י אַבְשָׁלֽוֹם־־־׃
STATEN
En zijn vader had hem niet bedroefd van zijn dagen, zeggende: Waarom hebt gij alzo gedaan? En ook was hij zeer schoon van gedaante, en Haggith had hem gebaard na Absalom.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יִּהְי֣וּ דְבָרָ֔י/ו עִ֚ם יוֹאָ֣ב בֶּן צְרוּיָ֔ה וְ/עִ֖ם אֶבְיָתָ֣ר הַ/כֹּהֵ֑ן וַֽ/יַּעְזְר֔וּ אַחֲרֵ֖י אֲדֹנִיָּֽה־׃
STATEN
En zijn raadslagen waren met Joab, den zoon van Zerúja, en met Abjathar, den priester; die hielpen, volgende Adónia.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/צָד֣וֹק הַ֠/כֹּהֵן וּ/בְנָיָ֨הוּ בֶן יְהוֹיָדָ֜ע וְ/נָתָ֤ן הַ/נָּבִיא֙ וְ/שִׁמְעִ֣י וְ/רֵעִ֔י וְ/הַ/גִּבּוֹרִ֖ים אֲשֶׁ֣ר לְ/דָוִ֑ד לֹ֥א הָי֖וּ עִם אֲדֹנִיָּֽהוּ־־׃
STATEN
Maar Zadok, de priester, en Benája, de zoon van Jójada, en Nathan, de profeet, en Simeï, en Reï, en de helden, die David had, waren met Adónia niet.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יִּזְבַּ֣ח אֲדֹנִיָּ֗הוּ צֹ֤אן וּ/בָקָר֙ וּ/מְרִ֔יא עִ֚ם אֶ֣בֶן הַזֹּחֶ֔לֶת אֲשֶׁר אֵ֖צֶל עֵ֣ין רֹגֵ֑ל וַ/יִּקְרָ֗א אֶת כָּל אֶחָי/ו֙ בְּנֵ֣י הַ/מֶּ֔לֶךְ וּ/לְ/כָל אַנְשֵׁ֥י יְהוּדָ֖ה עַבְדֵ֥י הַ/מֶּֽלֶךְ־־־־׃
STATEN
En Adónia slachtte schapen en runderen, en gemest vee bij den steen Zohéleth, die bij de fontein Rogel is; en noodde al zijn broederen, de zonen des konings, en alle mannen van Juda, des konings knechten.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְֽ/אֶת נָתָן֩ הַ/נָּבִ֨יא וּ/בְנָיָ֜הוּ וְ/אֶת הַ/גִּבּוֹרִ֛ים וְ/אֶת שְׁלֹמֹ֥ה אָחִ֖י/ו לֹ֥א קָרָֽא־־־׃
STATEN
Maar Nathan, den profeet, en Benája, en de helden, en Sálomo, zijn broeder, noodde hij niet.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֹּ֣אמֶר נָתָ֗ן אֶל בַּת שֶׁ֤בַע אֵם שְׁלֹמֹה֙ לֵ/אמֹ֔ר הֲ/ל֣וֹא שָׁמַ֔עַתְּ כִּ֥י מָלַ֖ךְ אֲדֹנִיָּ֣הוּ בֶן חַגִּ֑ית וַ/אֲדֹנֵ֥י/נוּ דָוִ֖ד לֹ֥א יָדָֽע־־־־׃
STATEN
Toen sprak Nathan tot Bathséba, de moeder van Sálomo, zeggende: Hebt gij niet gehoord, dat Adónia, de zoon van Haggith, koning is? En onze heer David weet dat niet.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/עַתָּ֕ה לְכִ֛י אִיעָצֵ֥/ךְ נָ֖א עֵצָ֑ה וּ/מַלְּטִי֙ אֶת נַפְשֵׁ֔/ךְ וְ/אֶת נֶ֥פֶשׁ בְּנֵ֖/ךְ שְׁלֹמֹֽה־־׃
STATEN
Nu dan, kom, laat mij u toch een raad geven, dat gij uw ziel en de ziel van uw zoon Sálomo redt.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← → navigeer Hoofdstuk 2 →